GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.304.959/01 arrest van 30 augustus 2022 in de zaak van 1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] , Zwitserland, 2. [appellante] ,wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna aan te duiden als [appellanten] , advocaat: mr. H.J. Heynen te Venlo, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , niet verschenen in hoger beroep, verstek verleend, op het bij exploot van dagvaarding van 4 januari 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 oktober 2021, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9160861 / CV EXPL 21-1960) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met een productie; het tegen [geïntimeerde] verleende verstek; de memorie van grieven. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Bij huurovereenkomst van 15 januari 2020 hebben [appellanten] de zelfstandige woonruimte aan de [adres] te [plaats] met ingang van die datum verhuurd aan [geïntimeerde] . Het gehuurde bestaat uit een bovenverdieping, zolder en dakterras. De huurovereenkomst is op de voet van artikel 7:271 lid 1 BW voor een periode van 12 maanden aangegaan, en op 14 januari 2021 geëindigd. In artikel 1.2 van de huurovereenkomst staat dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte. [geïntimeerde] heeft bij aanvang van de huurovereenkomst aan [appellanten] een waarborgsom van € 3.300,00 betaald. De overeengekomen huurprijs bedroeg € 1.095,--. Dit bedrag moest maandelijks bij vooruitbetaling, voor of op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking had, betaald worden. In artikel 11.2 van het huurcontract is bij te late betaling een boete van € 100,00 per dag overeengekomen. In artikel 2.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene bepalingen staat onder meer dat de huurder – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder – niet bevoegd is om het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan. [geïntimeerde] heeft [persoon A] laten inwonen in het gehuurde. [persoon A] heeft in de Gemeentelijke Basisadministratie van 14 mei 2020 tot en met februari 2021 ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde. De eenmanszaak van [persoon A] heeft in dezelfde periode ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde. [appellanten] hebben bij het einde van de huur de waarborgsom niet terugbetaald aan [geïntimeerde] . Het geding bij de kantonrechter 3.2.1. In de onderhavige procedure vorderen [appellanten] in conventie veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van: € 15.500,-- ter zake verbeurde boetes; € 930,-- ter zake buitengerechtelijke incassokosten; met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente. 3.2.2. Aan deze vordering hebben [appellanten] in de inleidende dagvaarding, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft de huur over de maanden mei 2020 en augustus 2020 te laat betaald, namelijk respectievelijk op 4 mei 2020 en 3 augustus 2020. [geïntimeerde] heeft dus op grond van artikel 11.2 van de huurovereenkomst een boete verbeurd van € 500,-- (naar het hof begrijpt: € 300,-- omdat de huur over de maand mei 2020 drie dagen te laat is betaald en € 200,-- omdat de huur over de maand augustus 2020 twee dagen te laat is betaald). [geïntimeerde] heeft daarnaast het gehuurde in strijd met artikel 2.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene bepalingen in gebruik gegeven aan [persoon A] . [geïntimeerde] heeft daarom op grond van artikel 11.1 sub d van de huurovereenkomst een boete verbeurd van € 15.000,--. [persoon A] heeft bovendien haar eenmanszaak op het adres van het gehuurde ingeschreven, zodat ook gehandeld is in strijd met artikel 1.2 van de huurovereenkomst. 3.2.3. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Voortbouwend op zijn verweer vordert [geïntimeerde] in reconventie veroordeling van [appellanten] tot terugbetaling van de borgsom van € 3.300,--. 3.2.4. [appellanten] hebben in reconventie verweer gevoerd. 3.2.5. In het beroepen vonnis van 6 oktober 2021 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld: Artikel 11.2 van de huurovereenkomst ter zake de boete voor het te laat betalen van de huur is niet kennelijk onredelijk (het hof leest dit als niet onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 sub a BW). De huur over de maanden mei en augustus 2020 is te laat bijgeschreven op de bankrekening van [appellanten] Het ter zake daarvan gevorderde boetebedrag van € 500,-- is toewijsbaar (rov. 4.4 en 4.5). Vast staat dat [geïntimeerde] [persoon A] heeft laten inwonen in het gehuurde maar er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] het gehuurde heeft onderverhuurd of tegen betaling in gebruik heeft gegeven aan [persoon A] . Er is dus niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] , door [persoon A] te laten inwonen, heeft gehandeld in strijd met de huurovereen-komst. Het ter zake daarvan gevorderde boetebedrag van € 15.000,-- wordt dus afgewezen (rov. 4.9 en 4.10). Omdat een hoofdsom van € 500,-- wordt toegewezen, is ter zake incassokosten € 75,-- toewijsbaar (rov. 4.11). Vast staat dat [geïntimeerde] het gehuurde niet in goede staat heeft opgeleverd (rov. 4.16). [appellanten] hebben door het overleggen van een offerte van Klushulp voldoende onderbouwd dat de herstelkosten € 2.917,24 bedragen. De vordering tot terugbetaling van de waarborgsom is in zoverre niet toewijsbaar. (rov. 4.17 in verband met 4.13). Nadat op de betaalde waarborgsom het bedrag van € 2.917,24 aan herstelkosten is ingehouden, resteert een bedrag van € 382,76. [appellanten] moeten dat bedrag aan [geïntimeerde] terugbetalen (rov. 4.14 in verband met 4.13). Omdat partijen over en weer deels in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd (rov. 4.19) Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter, samengevat: [geïntimeerde] in conventie veroordeeld om aan [appellanten] € 575,-- te betalen; [appellanten] in reconventie veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 382,76 te betalen; de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten diende te dragen; het in conventie en in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen. Het geding in hoger beroep 3.3.1. [appellanten] hebben in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Op basis van die grieven hebben [appellanten] geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot, kort gezegd: volledige toewijzing van hun vorderingen in conventie; volledige afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in reconventie; met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.3.2. [geïntimeerde] is niet verschenen in hoger beroep. Tegen hem is verstek verleend. Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijkheid Nederlands recht 3.4.1. [appellant] (appellant sub 1) woont in Zwitserland, zodat de zaak internationale aspecten heeft. Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil in conventie kennis te nemen, omdat [geïntimeerde] als gedaagde partij in conventie in Nederland woont (artikel 4 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van 12 december 2012, hierna: de herschikte EEX-Vo). De bevoegdheid van de Nederlandse rechter strekt zich ook uit over de eis in reconventie, nu die voortspruit uit de overeenkomst waarop de vordering in conventie gegrond is (artikel 8 lid 3 herschikte EEX-Vo). 3.4.2. De kantonrechter heeft op het geschil Nederlands recht toegepast. Tussen partijen is onbestreden dat op hun geschil Nederlands recht van toepassing is. Omvang rechtsstrijd in hoger beroep 3.5.1. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter dat hij een boete van € 500,-- verschuldigd is omdat de huur over de maanden mei en augustus 2020 te laat is bijgeschreven op de bankrekening van [appellanten] Die beslissing staat in dit hoger beroep dus niet ter beoordeling. 3.5.2. [geïntimeerde] heeft ook geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter dat hij ter zake buitengerechtelijke kosten € 75,-- moet voldoen aan [appellanten] In hoger beroep staat dus vast dat hij in elk geval dat bedrag verschuldigd is. Of [geïntimeerde] een hoger bedrag ter zake buitengerechtelijke verschuldigd is, zal het hof bij de behandeling van grief 2 beoordelen. 3.5.3. [geïntimeerde] heeft evenmin incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter dat [appellanten] ter zake herstelkosten een bedrag van € 2.917,24 mochten verrekenen met de waarborgsom. In hoger beroep staat dus vast dat [geïntimeerde] ter zake de door hem betaalde waarborgsom van € 3.300,-- hooguit recht heeft op terugbetaling van € 382,76. Of [appellanten] dat bedrag daadwerkelijk moeten terugbetalen zal het hof beoordelen bij de behandeling van grief 3. Over grief 1: de in conventie gevorderde boete ter zake het geheel of ten dele in gebruik geven van het gehuurde aan [persoon A] 3.6.1. Grief 1 is gericht tegen de afwijzing van de vordering van [appellanten] in conventie ten bedrage van € 15.000,-- aan boete ter zake het geheel of ten dele in gebruik geven van het gehuurde aan [persoon A] . 3.6.2. [appellanten] hebben in de toelichting op de grief niet, althans niet op voldoende duidelijke wijze, aangevoerd dat gehandeld is in strijd met artikel 1.2 van de huurovereenkomst doordat [persoon A] haar eenmanszaak op het adres van het gehuurde heeft ingeschreven. Aan het hof ligt dus niet de vraag voor of [geïntimeerde] in verband daarmee een boete heeft verbeurd. Aan de vordering ter zake de boete ligt uitsluitend de stelling ten grondslag dat [geïntimeerde] in strijd met artikel 2.1 van de algemene bepalingen heeft gehandeld door het gehuurde geheel of ten dele in gebruik te geven aan [persoon A] . 3.7.1. In rov. 4.9 van het vonnis heeft de kantonrechter, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen: [geïntimeerde] heeft het gehuurde zelf bewoond. [geïntimeerde] heeft [persoon A] weliswaar laten inwonen in het gehuurde, maar er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] daarvoor een financiële vergoeding ontving. Ook is geen sprake van “het doen van afstand van huur” in de zin van artikel 2.1 van de algemene bepalingen. [geïntimeerde] heeft dus niet in strijd met enige bepaling van de huurovereenkomst gehandeld. In rov. 4.10 heeft de kantonrechter daar de gevolgtrekking aan verbonden dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] in strijd met artikel 2.1 van de algemene bepalingen heeft gehandeld, zodat de vordering van € 15.000,-- ter zake boete moet worden afgewezen. 3.7.2. In de toelichting op de grief hebben [appellanten] niet betoogd dat [geïntimeerde] wel een financiële vergoeding heeft ontvangen voor het laten inwonen van [persoon A] . Voor het hof strekt dus tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] daarvoor geen financiële vergoeding heeft ontvangen. 3.8.1. In de toelichting op de grief betogen [appellanten] dat bij de beoordeling of in strijd met artikel 2.1 van de algemene bepalingen is gehandeld, niet van belang is of [geïntimeerde] zelf zijn hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde. Ook indien [geïntimeerde] daadwerkelijk zelf zijn hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde, stond het hem niet vrij om [persoon A] bij hem te laten inwonen, aldus [appellanten] 3.8.2. Naar aanleiding van dit onderdeel van de grief stelt het hof het volgende voorop. Volgens de eerste volzin van artikel 7:244 BW is de huurder van woonruimte in beginsel niet bevoegd het gehuurde geheel of ten dele aan een derde in gebruik te geven. Volgens de tweede volzin van artikel 7:244 BW is huurder van een zelfstandige woning die in die woning zijn hoofdverblijf heeft, echter bevoegd een deel daarvan aan een ander in gebruik te geven. Het wettelijke uitgangspunt is dus dat [geïntimeerde] een deel van de woning aan [persoon A] in gebruik mocht geven indien hij in de woning zelf zijn hoofdverblijf had. 3.8.3. Artikel 7:244 BW is niet van dwingend recht. Het staat partijen vrij om in een huurovereenkomst ter zake zelfstandige woonruimte overeen te komen dat het in gebruik geven van (een deel van) het gehuurde zonder toestemming van de verhuurder niet is toegestaan. Een dergelijk verbod geldt in dit geval tussen [appellanten] en [geïntimeerde] op grond van artikel 2.1 van de algemene bepalingen, luidende: “Huurder is - zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder - niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers, het verlenen van pension, het (tijdelijk) in gebruik geven (zoals via AirBnB of een daarmee vergelijkbare organisatie) of het doen van afstand van huur.” Uit deze bepaling volgt dat het [geïntimeerde] niet was toegestaan om een deel van het gehuurde aan [persoon A] in gebruik af te staan. Dit contractuele verbod gold tijdens de looptijd van de huurovereenkomst ongeacht de vraag of [persoon A] een vergoeding voor het gebruik aan [geïntimeerde] betaalde en ongeacht de vraag of [geïntimeerde] zelf in het gehuurde zijn hoofdverblijf hield. Naar het oordeel van het hof is het verbod op zichzelf niet onredelijk. Een verhuurder kan bij een dergelijk verbod belang hebben, onder meer vanwege de verhoging van de kans op schade aan het gehuurde bij gebruik door een (bekende of onbekende) derde. 3.8.4. De kantonrechter kan dus niet worden gevolgd in zijn oordeel dat [geïntimeerde] niet in strijd met artikel 2.1 van de algemene bepalingen heeft gehandeld indien hij, terwijl hij het gehuurde zelf bewoonde, [persoon A] heeft laten inwonen zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Op grond van genoemd artikel was het [geïntimeerde] verboden om [persoon A] te laten inwonen in het gehuurde, ook indien [geïntimeerde] daar geen vergoeding voor ontving en zelf zijn hoofdverblijf hield in het gehuurde. Het hof tekent hierbij aan dat het in dit geval niet ging om samenwoning zoals gebruikelijk bij een affectieve relatie. Grief 1 is dus terecht voorgedragen. Gevolgen van het slagen van grief 1: verdere beoordeling van de vordering ter zake de contractuele boete van € 15.000,-- 3.9.1. Omdat grief 1 terecht is voorgedragen, moet het hof nader oordelen over de vordering ter zake de contractuele boete voor het in gebruik geven van een deel van de woning aan [persoon A] . Het hof moet daarbij de verweren betrekken die [geïntimeerde] in het geding bij de kantonrechter tegen die vordering heeft aangevoerd, ook voor zover zij door de kantonrechter zijn verworpen of onbehandeld zijn gelaten. Voorts moet het hof daarbij onder meer onderzoeken of [appellanten] aan hun stelplicht hebben voldaan. 3.9.2. [appellanten] baseren hun vordering ter zake de boete van € 15.000,-- op het bepaalde in artikel 11.1 aanhef en sub d van de huurovereenkomst. Volgens dat artikel verbeurt de huurder die tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen: “ (…) aan de verhuurder een direct opeisbare boete (…) zoals hieronder vermeld. (…) d. een boete van 1.000 euro per overtreding, te vermeerderen met een aanvullende boete van 100 euro voor iedere kalenderdag dat de overtreding voortduurt, bij overtreding van artikel 2 ((tijdelijke) onderhuur), van de algemene bepalingen, met een maximum van 15.000 euro, onverminderd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.