GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.311.071/01 arrest van 20 september 2022 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats], appellant, hierna aan te duiden als de man, advocaat: mr. P.H. Hillen te Tilburg, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als de vrouw, advocaat: mr. J.A.E. van Raak-Kuiper te Udenhout, op het bij exploot van dagvaarding van 23 mei 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 maart 2022, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de man als eiser in de hoofdzaak en eiser in het incident en de vrouw als gedaagde in de hoofdzaak en verweerster in het incident. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/389547 / HA ZA 21-528) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met producties; de ambtshalve akte niet-dienen voor de memorie van grieven op de rol van 9 augustus
- Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling 3.
- Deze zaak is geïntroduceerd op de rol van 31 mei 2022, waarna een verwijzing is gegeven naar de rol van 12 juli 2022 voor memorie van grieven. Op die rol is aan de man een ambtshalve uitstel verleend voor het nemen van de memorie van grieven tot 9 augustus 2022, ambtshalve peremptoir. Omdat de man op de rol van 9 augustus 2022 vervolgens niet van grieven heeft gediend en daarvoor geen uitstel heeft gevraagd, heeft de rolraadsheer op die rol ambtshalve akte van niet-dienen verleend. 3.
- Op grond van het bepaalde in de artikelen 2.16 en 2.17 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: LPR) geldt voor de memorie van grieven een termijn van zes weken en wordt van deze termijn eenmaal een ambtshalve uitstel verleend van vier weken. Op grond van het bepaalde in artikel 1.8 LPR worden deze termijnen ambtshalve gehandhaafd en vervalt het recht de proceshandeling te verrichten indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en van die termijn geen uitstel kan worden verkregen. 3.
- Nu de man tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven heeft aangevoerd, kan hij in het hoger beroep niet worden ontvangen. Hij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. De vrouw heeft niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen (art. 2.19 LPR). 3.
- Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt. 4De uitspraak Het hof: verklaart de man niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 september
- griffier rolraadsheer