Parketnummer : 20-001074-21 Uitspraak : 27 september 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 april 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-286010-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking; tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Namens verdachte is vrijspraak bepleit. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling c.q. verbetering van de gronden waarop het berust, te weten: met verbetering van de gronden; met uitzondering van opgelegde straf (exclusief de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, die door het hof wordt bevestigd); met verbetering van de toepasselijke wettelijke voorschriften, het hof zal in zoverre opnieuw recht doen. A. Verbetering van de gronden Het hof is van oordeel dat de bewijsoverwegingen van de rechtbank op een aantal onderdelen verbetering behoeven. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de nadere bewijsoverwegingen op pagina 5, derde alinea, de volgende zin dient te worden gewijzigd: “acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij niets van de hennepkwekerij afwist zeer onwaarschijnlijk.” Deze passage wordt vervangen door: “acht het hof de verklaring van verdachte dat hij niets van de hennepkwekerij afwist zeer ongeloofwaardig.” Voorts voegt het hof de volgende overweging toe: “Het hof acht het daarnaast van belang dat ook overigens ten aanzien van zowel de beweerdelijke appcontacten als ook de contant gestorte huurpenningen geen verifieerbaar materiaal aanwezig is.” Voor het overige verenigt het hof zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Het hof neemt de (verbeterde) bewijsoverwegingen van de rechtbank dan ook over en maakt die tot de zijne. B. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging geschaard. De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, niet uitgelaten over de op te leggen straf. Verdachte heeft zich -kort gezegd- schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen en bewerken van 742 hennepplanten op 15 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.