GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.291.935/01 arrest van 18 oktober 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M.P.M. Riep te 's-Hertogenbosch, tegen [X] accountants & adviseurs B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem, op het bij exploot van dagvaarding van 3 maart 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 december 2020, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/342988 / HA ZA 19-109) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met productie; de mondelinge behandeling op 24 augustus 2022 waarbij partijen beiden spreekaantekeningen hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] is fysio- en manueeltherapeut. Aanvankelijk dreef [appellant] zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak, vanaf 23 maart 2006 is deze eenmanszaak omgezet in een B.V. Sinds die datum is [appellant] bestuurder en enig aandeelhouder van Fysio- en Manuele Therapie [Y] B.V. (hierna: [Y] ). 3.1.2. [geïntimeerde] is een accountants- en advieskantoor. Bestuurders van [geïntimeerde] zijn Enrico B.V. en Lyz Beheer B.V. Bestuurder en enig aandeelhouder van Enrico B.V. is [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Bestuurder en enig aandeelhouder van Lyz Beheer B.V. is [persoon B] (hierna: [persoon B] ). [persoon A] is accountant en administratieconsulent. [persoon B] is fiscaal jurist. 3.1.3. Op 8 september 1995 is [appellant] met [persoon C] (hierna: [persoon C] ) in het huwelijk getreden. Dit onder de toepasselijkheid van de huwelijkse voorwaarden (productie 4 bij de inleidende dagvaarding), die zij op 6 september 1995 zijn overeengekomen. 3.1.4. De huwelijkse voorwaarden houden, voor zover hier van belang, het volgende in: “Artikel 8 "De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen uit arbeid in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van de netto-inkomsten uit arbeid van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.” Artikel 9 1. De uitkering van het verschuldigde moet gedaan worden binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar. (…) Artikel 10 Het recht tot het vorderen van de verrekening vervalt indien deze niet binnen vijf jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar heeft plaatsgehad of schriftelijk gevorderd is." 3.1.5. [geïntimeerde] verricht sinds 2006 werkzaamheden voor [appellant] . Op 11 januari 2006 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een opdrachtbevestiging gestuurd (productie 5 bij de inleidende dagvaarding ). De opdrachtbevestiging geldt voor administratieve dienstverlening en het samenstellen van financiële informatie. De administratieve dienstverlening omvat volgens de opdrachtbevestiging het voeren van de financiële administratie. Het samenstellen van financiële informatie omvat, zo staat vermeld in de opdrachtbevestiging:“- de jaarrekening van uw onderneming;- de aangiften inkomstenbelasting van u en uw echtgenote;- een opstelling van de vermogens van op grond van aangegane huwelijksvoorwaarden.” 3.1.6. In de opdrachtbevestiging staat onder het kopje: “8 Algemene voorwaarden” het volgende opgenomen: “Op onze werkzaamheden zijn uitsluitend de Algemene Voorwaarden van [X] accountants & adviseurs van toepassing. Bijgesloten treft u een exemplaar aan. Wij verzoeken u één exemplaar van deze opdrachtbevestiging gedagtekend en ondertekend retourneren in bijgevoegde enveloppe. Het andere exemplaar is voor uw eigen administratie. Ik dank u voor het in gestelde vertrouwen in [X] accountants & adviseurs (…).” 3.1.7. De algemene voorwaarden houden, voor zover hier van belang, het volgende in: "13 AANSPRAKELIJKHEID 13.1 (...) Indien een fout wordt gemaakt doordat Opdrachtgever aan Opdrachtnemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, is Opdrachtnemer voor de daardoor ontstane schade niet aansprakelijk. Indien Opdrachtgever aantoont dat zij schade heeft geleden door een fout van Opdrachtnemer die bij zorgvuldig handelen zou zijn vermeden, is Opdrachtnemer voor die schade aansprakelijk tot maximaal één van de bedragen zoals sub a, sub b, sub c en sub d van dit artikel is vastgelegd, tenzij er aan de zijde van Opdrachtnemer sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen grove nalatigheid en tenzij enig dwingende (inter)nationale wet of regelgeving een dergelijke beperking niet toestaat: Sub a In het geval van een adviesopdracht is Opdrachtnemer aansprakelijk tot maximaal het bedrag van het honorarium dat Opdrachtnemer in het kader van de desbetreffende Opdracht heeft ontvangen. (...) 17 VERVALTERMIJN Voor zover in de Overeenkomst niet anders is bepaald, vervallen vorderingsrechten en andere bevoegdheden van Opdrachtgever uit welken hoofde ook jegens Opdrachtnemer in ieder geval na het verstrijken van één jaar vanaf het moment waarop zich een feit voordoet dat Opdrachtgever deze rechten en/of bevoegdheden jegens Opdrachtnemer kan aanwenden.” 3.1.8. In 2006 heeft [geïntimeerde] een opstelling gemaakt van de vermogens op grond van de aangegane huwelijkse voorwaarden (het te verrekenen bedrag), over de jaren 2003, 2004 en 2005. Deze vermogensopstellingen zullen hierna worden aangeduid als: “de uitwerkingen”. De uitwerkingen over de jaren 2003, 2004 en 2005 heeft [geïntimeerde] bij brief van 10 oktober 2006 aan [appellant] en [persoon C] verzonden. In 2012 heeft [geïntimeerde] uitwerkingen over de jaren 2004 tot en met 2010 gemaakt. Bij brief van 6 maart 2012 heeft [geïntimeerde] deze aan [appellant] toegezonden. Op 12 maart 2012 heeft [geïntimeerde] [appellant] een gewijzigde opgave over 2004 toegestuurd. De wijziging hield verband met de waardering van de stortingen in de effectenportefeuille. In februari 2016 zijn de uitwerkingen over de jaren 2011 tot en met 2015 door [geïntimeerde] gemaakt en aan [appellant] verstuurd. 3.1.9. In 2015 heeft [appellant] een echtscheidingsprocedure in gang gezet. In die procedure is tussen de voormalige echtgenoten discussie ontstaan over de wijze waarop de huwelijkse voorwaarden door [geïntimeerde] zijn uitgewerkt. In een e-mailbericht van 27 september 2016 (productie 9 bij de inleidende dagvaarding) schrijft de advocaat van [persoon C] aan de toenmalige advocaat van [appellant] : “Zoals zojuist telefonisch besproken stel ik voor dat vóór uw vertrek nog een afspraak maken voor een vervolggesprek (…) waarbij ik er vanuit ga dat ik voor die afspraak de aanvullende gegevens ontvang die we hebben geïnventariseerd naar aanleiding van uw brief van 25 augustus jl. (…). Voor alle duidelijkheid zijn dat de volgende stukken: 1. Bewijsstukken dat er op een correcte wijze periodiek is verrekend zoals u impliciet schrijft in punt 1. Bijlage 1 voldoet naar mijn mening niet aan een deugdelijke periodieke verrekenovereenkomst en dus geldt het wettelijk uitgangspunt dat er bij het einde van het huwelijk een finale verrekening moet plaatsvinden.(…). 7. De polissen lijfrente en kapitaalverzekeringen die op naam van uw cliënt staan. Deze stukken zijn nodig om te kunnen beoordelen wat het te verrekenen vermogen is. Het gemakkelijkste is om het huidige vermogen volledig aan te merken als te verrekenen vermogen dat 50-50 moet worden verdeeld. Dan zijn de stukken genoemd in 1 tot en met 5 niet nodig. Als uw cliënt echter niet al het aanwezig vermogen wil verrekenen moet hij accepteren dat hij daarvan de bewijslast heeft. Zo werkt het nu eenmaal. Ik begrijp van u dat uw cliënt mogelijk andere verwachtingen had van wat er nog afgerekend moest worden. Cliënte wil nog steeds meewerken aan een regeling die recht doet aan beider belangen en ik ga ervan uit dat dit ook voor uw cliënt geldt”. 3.1.10. [appellant] heeft zich vervolgens gemeld bij [geïntimeerde] . In een e-mail van 3 oktober 2016 (productie 10 bij de inleidende dagvaarding) schrijft [persoon B] aan [appellant] : “(…). Periodiek hebben wij de huwelijkse voorwaarden tussen jou en [persoon C] uitgewerkt. De laatste getekende versie in ons dossier tref je aan in de bijlage. De meest recente uitgewerkte huwelijkse voorwaarden betreffen die van boekjaar 2015. Ook deze zijn bijgevoegd. Deze werkwijze was te doen gebruikelijk tussen jou en [persoon C] ." 3.1.11. Diezelfde dag mailt [appellant] aan [persoon B] : " [persoon B] , Nu heb je tot twee keer aan mij telefonisch toegezegd dat 2011 en 2012 ook getekend in het dossier zitten en nu blijkt dat dat niet zo is? Verklaar je nader aub en moet ik dit nu ook zien als een tekortkoming van jou[w] zijde? Er gaan zoveel zaken mis aangaande de uitwerking van de HV dat dit voor mij wel de druppel is. (…)”. 3.1.12. Op 4 oktober 2016 (productie 10 bij de inleidende dagvaarding) mailt [persoon B] aan [appellant] : “Blijkbaar zijn in het jaar 2012 de uitwerkingen tot en met boekjaar 2010 getekend door jou en [persoon C] . Mijn excuses voor het misverstand (…)”. Even later bericht [appellant] aan [persoon B] : “Ik heb met jullie kantoor toch de afspraak dat de jaarrekeningen van de BV en de huwelijkse voorwaarden jaarlijks uitgewerkt worden en daar betaal ik toch maandelijks een voorschot voor. Nu kom ik er achter dat er achterstalligheid bestaat die voor mij mogelijk grote financiële consequenties gaat hebben. Dan is sorry gewoon niet goed genoeg. Ja ik weet waar mijn verantwoordelijkheid ligt maar waar ligt die van jullie. Nogmaals veel te mager”. 3.1.13. Per e-mail van 26 oktober 2016 (productie 11 bij de inleidende dagvaarding) bericht [geïntimeerde] aan [appellant] : "Ik heb [persoon D] al gesproken hierover. Mijn mening? De tegenpartij zegt dat niet jaarlijks de HV verrekend zijn. In de akte staat hierover het volgende: Verrekening van inkomsten Artikel 8 De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen uit arbeid in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een Jullie hebben over elk kalenderjaar verrekend. Het enige wat verder gemeld wordt in de akte is, dat het recht tot vorderen van de verrekening vervalt vijf jaar na afloop van het jaar: Artikel 10 Het recht tot het vorderen van de verrekening vervalt indien deze niet binnen vijf jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar heeft plaatsgehad of schriftelijk gevorderd is. Ik heb al tegen [persoon D] gezegd dat ik geen advocaat ben maar dat ik wel een beetje Nederlands kan. Naar mijn mening staat hier, niet met zoveel woorden, dat als je binnen vijf niet de uitwerking opstelt dat je da[n] te laat bent. Er staat nergens dat dit ieder jaar moet plaatsvinden." 3.1.14. In reactie hierop laat [persoon D] aan [persoon A] weten dat artikel 1:141 lid 1 en lid 3 BW voor gaan op de huwelijkse voorwaarden en dat dit artikel dwingend recht is. 3.1.15. Bij brief van 10 mei 2017 (productie 14 bij de inleidende dagvaarding) heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden doordat [geïntimeerde] niet jaarlijks een verrekenbeding heeft opgesteld en de uitwerkingen niet in overeenstemming zijn met de huwelijkse voorwaarden waardoor de toepasbaarheid van de voorwaarden in de echtscheidingsprocedure is verworpen en bij de verdeling de uitwerkingen niet zijn betrokken. [geïntimeerde] heeft iedere aansprakelijkheid verworpen. 3.1.16. [appellant] en [persoon C] hebben de gevolgen van de echtscheiding in onderling overleg geregeld en hebben de gemaakte afspraken vastgelegd in een echtscheidingsconvenant (productie 9 bij de dagvaarding in eerste aanleg). [persoon C] heeft dit convenant op 17 augustus 2017 ondertekend, [appellant] op 19 augustus 2017. Dit convenant luidt, voor zover van belang, als volgt: “(…) 4.3. Partijen verschillen fundamenteel met elkaar van mening over de omvang van het te verrekenen vermogen. De man houdt vast aan de uitkomst van de administratieve uitwerkingen van de huwelijkse voorwaarden die jaarlijks zijn opgesteld door zijn accountant. De vrouw stelt zich op het standpunt dat deze administratieve uitwerkingen niet rechtsgeldig zijn, althans ondeugdelijk, omdat zij bij de opstelling daarvan in het geheel niet is betrokken en evenmin op juiste wijze is geïnformeerd. Voorts stelt zij vraagtekens bij de juistheid van de overzichten, omdat naar haar mening het verrekenbeding niet juist is toegepast. Volgens de vrouw geldt als uitgangspunt dat op de peildatum het alsdan aanwezige vermogen, niet zijnde gemeenschappelijk vermogen, fifty-fifty moet worden verrekend. 4.4. Ter beëindiging van het in 4.3 beschreven geschil en mede ter voorkoming van een langdurige en kostbare procedure waarvan de uitkomst ongewis is, stellen partijen hierdoor vast dat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 200.000,—, dat zij de eigendom dient te verkrijgen van de thans bij haar in gebruik zijnde auto en dat zij een in nader overleg te bepalen deel van de inboedel toegedeeld dient te krijgen. Met de vaststelling van het bedrag van € 200.000,— is ook rekening gehouden met de PM posten vermeld in bijlage 2 derhalve met het in nader overleg te bepalen deel van de inboedel dat toegedeeld wordt aan de man, de lijfrentevordering van de man op de B.V en de IB latentie die rust op de lijfrentepolis van de man bij de VVAA als ook die lijfrentepolis. Voornoemd bedrag ziet op de uitvoering van het periodiek verrekenbeding en op de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van het onroerend goed, de Reaalpolis en hypotheekschuld zoals nader geregeld in 4.5 tot en met 4.7. Ook is bij de bepaling van dit bedrag rekening gehouden met de aanbrengsten ten huwelijk van de man. Deze afspraak heeft te gelden als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW ev. Ter nadere uitvoering geldt het volgende. (…)”. 3.1.17. Bij brief van 24 september 2018 heeft [appellant] [geïntimeerde] opnieuw aansprakelijk gesteld (productie 20 bij de inleidende dagvaarding). 3.1.18. Op 13 februari 2019 heeft [appellant] bij de Accountantskamer een klacht ingediend tegen [persoon A] . Bij beslissing van 22 november 2019 (productie 37 bij akte van [appellant] van 9 december 2019) heeft de Accountantskamer een deel van de klachten gegrond verklaard e[e]n heeft zij beslist dat [persoon A] onvoldoende aan zijn zorgplicht jegens [appellant] heeft voldaan. De procedure bij de rechtbank 3.2.1. In de onderhavige procedure heeft [appellant] , na wijziging van eis, in eerste aanleg – samengevat – gevorderd: Primair: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.