GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.296.769/01 arrest van 1 november 2022 in de zaak van 1 [appellant],wonende te [woonplaats] (Tirol), Oostenrijk,
(1)grief aangevoerd - aangeduid als grief 1 - die, zo begrijpt het hof, uiteenvalt in diverse deelaspecten die zijn aangeduid met de letters A tot en met F. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. 3.9. [geïntimeerde] heeft de grief met toelichting van [appellanten] gemotiveerd bestreden. Op wat [geïntimeerde] in dat verband heeft aangevoerd wordt hierna teruggekomen, voor zover dat in hoger beroep van belang is. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot, samengevat, bekrachtiging van het bestreden vonnis, al dan niet met verbetering van gronden, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. 3.10. Het door [appellanten] ingestelde hoger beroep leidt niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof zal hierna bespreken waarom dat zo is. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.11. Deze zaak heeft een internationaal karakter. [appellanten] woont immers in [woonplaats] (Tirol) te Oostenrijk. Het hof dient daarom ambtshalve stil te staan of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Dat is het geval. [geïntimeerde] is in deze zaak de oorspronkelijk gedaagde partij en is in Nederland woonachtig. Daarmee is op grond van artikel 4 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, de rechtsmacht van de Nederlandse rechter gegeven. 3.12. Partijen zijn er blijkens hun gedingstukken in deze procedure vanuit gegaan dat Nederlands recht het geschil tussen hen beheerst. Ook het hof gaat daarvan uit, waarbij het hof betrekt dat het geschil ziet op gesteld onrechtmatig handelen en misbruik van procesrecht door [geïntimeerde] in en met betrekking tot de kantonprocedure, een Nederlandse procedure. Grief 1 3.13. Deze zaak draait om de vraag of [appellanten] tegenover [geïntimeerde] aanspraak heeft op schadevergoeding wegens onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht. De door [appellanten] in dat verband gestelde schade bestaat uit de daadwerkelijke proceskosten die zij hebben gemaakt in de kantonprocedure en, daarop aansluitend, de proceskosten in de onderhavige procedure, zowel de eerste aanleg als de tweede aanleg. De rechtbank heeft geoordeeld dat van onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht door [geïntimeerde] geen sprake is, en de vordering van [appellanten] afgewezen. 3.14. Met grief 1 betoogt [appellanten] in essentie, zo begrijpt het hof de bewoordingen van die grief in combinatie met de daarop gegeven inleiding, dat de rechtbank, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval die daarbij uitdrukkelijk ook in onderlinge samenhang moeten worden bezien, bij toepassing van het volledige juridische kader zoals door [appellanten] uiteengezet in onderdeel III van de memorie van grieven, tot een ander oordeel had moeten komen dan in het bestreden vonnis is gegeven. Het hof begrijpt verder dat [appellanten] met grief 1 beoogt dat het hof de door [appellanten] gestelde onwaarheden en verzwijgingen nogmaals integraal toetst, en dat dit met name ziet op de rechtsoverwegingen 3.11 e.v. van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft bij haar beoordeling een te strenge maatstaf gehanteerd doordat zij heeft overwogen dat [appellanten] dient te bewijzen dat [geïntimeerde] bewust onwaarheden heeft geuit, zo vervolgt [appellanten] zijn betoog. In het geval [geïntimeerde] niet bewust onwaarheden heeft geuit, had hij behoren te weten dat de door hem ingenomen stellingen onjuist waren. [geïntimeerde] heeft zich daarbij niet of niet voldoende vergewist van de juistheid van de door hem ingenomen stellingen. Evident is dat [geïntimeerde] in de processtukken stellingen heeft ingenomen waarvan hij wist, maar in ieder geval behoorde te weten, dat deze onjuist waren. Daarbij gaat het, zo begrijpt het hof, om de stellingen die door [appellanten] nader zijn aangeduid in de memorie van grieven, randnummers 8 tot en met 10, 15 en 16. Het betoog van [geïntimeerde] dat sprake is van voortschrijdend inzicht kan daaraan niet afdoen, omdat dit betoog niet strookt met de al door [geïntimeerde] uitgesproken twijfel voorafgaand aan de kantonprocedure en ook niet met het grote aantal onjuistheden en verzwijgingen. De toepasselijke maatstaf 3.15. Bij zijn beoordeling van de door [appellanten] opgeworpen grief en hetgeen [geïntimeerde] daar tegenin heeft gebracht, stelt het hof voorop dat bij het voeren van verweer tegen een in rechte ingestelde vordering de vrijheid tot procederen uitgangspunt is. Dat brengt mee dat in beginsel geen grond bestaat voor het verwijt van onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht wegens de enkele omstandigheid dat iemand een verweer voert dat vervolgens ongegrond wordt bevonden. Onder bijzondere omstandigheden lijdt de vrijheid tot procederen echter uitzondering. Dat is het geval als het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had behoren te blijven. Van zo’n evident ongegrond verweer is sprake indien het verweer berust op feiten en omstandigheden waarvan de verweerder de onjuistheid kende dan wel de onjuistheid daarvan behoorde te kennen, of als dat verweer is gebaseerd op stellingen waarvan de verweerder op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht past, gelet op de vrijheid tot procederen die (mede) wordt gewaarborgd door het bepaalde in artikel 6 EVRM, terughoudendheid (vergelijk HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233; HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, NJ 2007/353). Het is op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv in beginsel aan [appellanten] om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] te bewijzen, waaruit volgt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld of misbruik van procesrecht heeft gemaakt bij het voeren van verweer in de kantonprocedure als ook in de onderhavige procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, én dat aan de vereisten is voldaan voor het verkrijgen van vergoeding op die gronden, waaronder het vereiste van causaal verband tussen het aan [geïntimeerde] verweten misbruik van procesrecht en onrechtmatig procederen enerzijds en de gestelde schade anderzijds. De vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten in de kantonprocedure 3.16. Naar het oordeel van het hof is op basis van wat [appellanten] in dit geding heeft aangevoerd en wat in dit geding aan bewijs voorhanden is - waaronder het bewijs dat het resultaat is van de nadere bewijslevering door [appellanten] door middel van het horen van getuigen in de procedure bij de kantonrechter - niet komen vast te staan dat het verweer van [geïntimeerde] in de kantonprocedure berustte op feiten en omstandigheden waarvan [geïntimeerde] de onjuistheid kende of behoorde te kennen. Het hof wijst op het volgende. 3.17. Zoals het hof de stellingen van [appellanten] in dit verband begrijpt, baseert hij het aan [geïntimeerde] verweten misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig procederen op de feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de randnummers 8 tot en met 10, 15 en 16 van zijn memorie van grieven. [appellanten] betoogt, onder verwijzing naar een schematische vergelijking tussen stellingen van [geïntimeerde] in diens processtukken in de kantonprocedure en zijn verklaringen tijdens zijn verhoor als getuige in de kantonprocedure, dat [geïntimeerde] voorafgaande aan en in de kantonprocedure diverse onwaarheden heeft geuit, althans heeft nagelaten een volledig beeld te schetsen met betrekking tot (
- i)de situatie kort vóór, tijdens en na de aanrijding, en (
- ii)bij het invullen van het schadeformulier. Het hof volgt [appellanten] hierin niet. 3.18. Ten eerste blijkt uit de hiervoor bedoelde schematische vergelijking niet dat [geïntimeerde] daadwerkelijk wist dat de stellingen die hij vóór, tijdens en na de aanrijding heeft betrokken over de daarin besproken feiten en omstandigheden, onjuist waren. Weliswaar blijkt uit de schematische vergelijking dat [geïntimeerde] tijdens zijn verhoor als getuige is teruggekomen op zijn aanvankelijke stelligheid over de in de schematische vergelijking opgenomen feiten en omstandigheden betreffende de toedracht van de aanrijding in zijn eerdere processtukken, zijn eerdere schriftelijke verklaring, het schadeformulier en correspondentie, maar daarmee is nog niet aangetoond dat [geïntimeerde] die stellingen tegen beter weten in (bewust) heeft betrokken en zodoende heeft gelogen. Net als de rechtbank blijkens rechtsoverweging 3.11 van het bestreden vonnis, vindt het hof daarbij van belang dat iemand nu eenmaal kan gaan twijfelen aan zijn eigen geheugen en over wat er precies is gebeurd. In dit verband vindt het hof ook van belang, net als de rechtbank, dat [geïntimeerde] tijdens zijn verhoor geen volledig andere lezing van de feitelijke toedracht heeft gegeven, maar op onderdelen tot uitdrukking heeft gebracht dat hij niet meer zeker was van de precieze loop der gebeurtenissen. Het hof verenigt zich daarbij ook met het oordeel van de rechtbank dat juist vanwege het belang dat recht wordt gedaan op basis van de waarheid, aan latere twijfel niet te snel de conclusie moet worden verbonden dat iemand dus eerder gelogen moet hebben. Bij het voorgaande kan in het midden blijven of en in hoeverre de bedoelde feiten en omstandigheden daadwerkelijk betrekking hadden op de toedracht van de aanrijding en daarmee relevant waren voor het uiteindelijke oordeel wie deze had veroorzaakt en daarvoor aansprakelijk is. Het voorgaande wordt niet anders door het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek dat in 2012 bij [geïntimeerde] is uitgevoerd (productie 1 van [geïntimeerde] in hoger beroep). Daarover is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door [appellanten] betoogd, samengevat, dat daaruit volgt dat [geïntimeerde] is te karakteriseren als iemand die zijn kwetsbaarheden vermijdt en geneigd is zich terug te trekken in zijn fantasieën (spreekaantekeningen zijdens [appellanten], randnummer 4). Dat bewijst echter nog niet dat [geïntimeerde] over de feiten en omstandigheden betreffende de toedracht van de aanrijding onjuist heeft verklaard en dat hij met die onjuistheid bekend was. Het beroep op het zojuist genoemde verslag kan [appellanten] daarom niet baten. 3.19. Naar het oordeel van het hof is evenmin komen vast te staan dat het verweer van [geïntimeerde] in de kantonprocedure berustte op feiten en omstandigheden waarvan [geïntimeerde] de onjuistheid behoorde te kennen. In dat verband verwijt [appellanten] [geïntimeerde] in het bijzonder, zo begrijpt het hof, dat deze zich niet of niet voldoende zou hebben vergewist van de juistheid van de door hem ingenomen stellingen. [appellanten] concretiseert die stelling echter niet, althans niet voldoende. Zo maakt [appellanten] niet duidelijk wat [geïntimeerde] dan concreet had moeten doen om zich nader te vergewissen van de feitelijke toedracht van de aanrijding. 3.20. Bij het voorgaande komt dat uit de stukken in dit geding blijkt dat [geïntimeerde] in de periode na de aanrijding daadwerkelijk stappen heeft ondernomen om zich nader te vergewissen van de feitelijke toedracht van de aanrijding. Niet in geschil is immers dat [geïntimeerde] op 5 oktober 2017 telefonisch contact heeft gezocht met de raadsman van [appellanten] naar aanleiding van de diezelfde dag door [geïntimeerde] van de raadsman van [appellanten] ontvangen brief over de aanrijding (productie 6 bij inleidende dagvaarding in de kantonprocedure; zie productie 1 in de onderhavige procedure). In die brief stelde de raadsman van [appellanten] met zoveel woorden dat camerabeelden en/of foto’s zouden bevestigen dat [appellanten] ten tijde van de aanrijding niet achteruit reed. In het hiervoor bedoelde telefoongesprek deed [geïntimeerde] vervolgens navraag naar die camerabeelden en/of foto’s, maar tevergeefs omdat de raadsman het verstrekken ervan niet opportuun achtte (productie 2 bij inleidende dagvaarding in de kantonprocedure: e-mail van de raadsman van [appellanten] aan [geïntimeerde] van 5 oktober 2017 ter bevestiging van het betreffende telefoongesprek). [geïntimeerde] heeft dus daadwerkelijk stappen ondernomen om zich nader te vergewissen van de feitelijke toedracht van de aanrijding. Daarbij kan in het midden blijven of [appellanten] destijds werkelijk over dergelijke camerabeelden en/of foto’s beschikte; de brief van zijn raadsman aan [geïntimeerde] van 5 oktober 2018 als ook diens e-mail aan [geïntimeerde] van dezelfde datum wekken immers onmiskenbaar de indruk dat dergelijk materiaal bij [appellanten] (of zijn raadsman) aanwezig was. Het hof vindt niet onbegrijpelijk dat [geïntimeerde] in de afwijzende reactie van de raadsman van [appellanten] op zijn navraag naar de gemelde camerabeelden en/of foto’s, geen aanleiding zag zijn visie op de toedracht van de aanrijding te herzien zoals hij die eerder opnam in het door hem ingevulde schadeformulier. 3.21. Het voorgaande voert tot de conclusie dat geen sprake is van onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht door [geïntimeerde] in de kantonprocedure. De vordering van [appellanten] tot vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de kantonprocedure zal worden afgewezen. De vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten in de eerste aanleg en het hoger beroep van het onderhavige geding 3.22. Ook de vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten voor het onderhavige geding zal worden afgewezen, zowel wat betreft de eerste aanleg als wat betreft het hoger beroep. Voor de veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de eerste aanleg en het hoger beroep in het onderhavige geding bestaat pas grond als vast komt te staan dat [geïntimeerde] bij het voeren van verweer daarin misbruik van procesrecht heeft gemaakt dan wel onrechtmatig heeft gehandeld op de wijze zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.13 uiteen is gezet. Zoals aldaar ook uiteen is gezet, rust daarbij de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde], de bewijslast op [appellanten] 3.23. Door [appellanten] is niet concreet aangegeven op welke gronden het verweer zoals dat door [geïntimeerde] in het onderhavige geding is gevoerd, in eerste aanleg en in hoger beroep, onjuist is en dat [geïntimeerde] die onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, een en ander in de zojuist bedoelde zin. Voor zover [appellanten] daarbij het oog heeft op dezelfde feiten en omstandigheden als die door [geïntimeerde] ten grondslag zijn gelegd aan zijn verweer in de kantonprocedure tegen de vordering van [appellanten] tot vergoeding van zijn schade wegens de aanrijding, faalt dat beroep omdat, ten eerste, het daarbij dan niet gaat om het verweer dat [geïntimeerde] heeft gevoerd in de eerste aanleg en het hoger beroep van het onderhavige geding en, ten tweede, om dezelfde redenen als die in het voorgaande zijn gegeven voor de afwijzing van de vordering van [appellanten] tot vergoeding van zijn werkelijke proceskosten in vorenbedoelde kantonprocedure. 3.24. Ten overvloede overweegt het hof dat de gevorderde werkelijke proceskosten in de kantongerechtprocedure door [appellanten] ook reeds in die procedure gevorderd had kunnen worden. [appellanten] kende toen reeds alle feiten en omstandigheden die hij in deze – thans aan de orde zijnde – procedure heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn vordering. Tot slot 3.25. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van [appellanten] tegen het bestreden vonnis niet slaagt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. 3.26. [appellanten] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld, te begroten op de wijze zoals hierna onder 4. zal zijn bepaald. 4De uitspraak Het hof: 4.1. bekrachtigt het bestreden vonnis; 4.2. veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep die worden begroot op € 338,-- aan griffierecht en € 2.228,-- (2 punten maal tarief IV); 4.3. verklaart dit arrest wat betreft de onder 4.2. opgenomen proceskostenveroordeling uitvoer bij voorraad; 4.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, B.E.L.J.C. Verbunt en R.L.G. Kraaijvanger en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 november 2022. griffier rolraadsheer