GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.271.599/01 arrest van 15 november 2022 in de zaak van Gemeente Eindhoven, zetelend te Eindhoven, appellante, hierna aan te duiden als de Gemeente, advocaat: mr. F.J.J. Cornelissen te Arnhem, tegen Sebastiaan Michel Peter Jacobs, in zijn hoedanigheid van curator van [de vennootschap] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als de curator en [de vennootschap] als [asbestverwijderaar] , advocaat: mr. T. Segers te 's-Hertogenbosch, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 30 juni 2020 en 5 januari 2021 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 01/331978 / HA ZA 18-186 gewezen vonnis van 4 september 2019. 8Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 5 januari 2021 waarbij het hof onder andere een mondelinge behandeling heeft gelast; de akte inbrengen producties van de Gemeente van 16 december 2021, met producties X, Y en Z; de brief namens de Gemeente van [persoon A] van 16 december 2021, waarbij het originele Excel-bestand, waarvan de uitdraai als productie Y bij de hiervoor genoemde akte is overgelegd, op een USB-stick is aangeleverd; de mondelinge behandeling van 11 januari 2022; de bij de mondelinge behandeling door de advocaten van beide partijen overgelegde pleitnotities. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg Waar gaat het geschil over? [asbestverwijderaar] heeft in opdracht van de Gemeente werkzaamheden verricht met betrekking tot het saneren van asbest in en het gedeeltelijk slopen van het [bedrijf 1] en Ontvangststation aan de [adres] in [plaats] . Partijen verschillen van mening over de vraag of [asbestverwijderaar] , boven op de oorspronkelijke aanneemsom en de in juli 2014 overeengekomen vergoeding van meerwerk, recht heeft op vergoeding van meerwerk in verband met het aantreffen van extra asbest in november 2014. De Gemeente is van mening dat [asbestverwijderaar] daarop geen recht heeft en heeft geweigerd de vorderingen van [asbestverwijderaar] , die zagen op het volgens [asbestverwijderaar] verrichte meerwerk in verband met het in november 2014 aangetroffen extra asbest, te voldoen. De Gemeente betwist verder dat [asbestverwijderaar] de door haar gefactureerde werkzaamheden heeft verricht. Bovendien stelt de Gemeente zich op het standpunt dat zij schade heeft geleden doordat [asbestverwijderaar] in maart 2015 ten onrechte het werk heeft neergelegd en heeft geweigerd de overeengekomen werkzaamheden af te maken, wat door [asbestverwijderaar] wordt betwist. In augustus 2015 is [asbestverwijderaar] failliet verklaard, waarna de curator in het faillissement van [asbestverwijderaar] de gemeente in rechte heeft betrokken en betaling van het (aanvullend) meerwerk heeft gevorderd. De rechtbank heeft de vorderingen van de curator grotendeels toegewezen en de tegenvorderingen van de Gemeente afgewezen. De Gemeente is het hier niet mee eens en is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Het hof verwerpt de grieven van de Gemeente, behalve de grief over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat. 9De verdere beoordeling 9.1. In r.o. 2.1 t/m 2.10 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief I wordt deze vaststelling (deels) bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen. In dit hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten. 9.1.1. Eind 2012 heeft de gemeente een aanbestedingsprocedure gepubliceerd op Tender-Ned met betrekking tot de asbestsanering en deelsloop van het [bedrijf 1] en Ontvangststation aan de [adres] te [plaats] . 9.1.2. De inschrijvingsleidraad hield in dat de gemeente voornemens was om een overeenkomst te sluiten met één inschrijver met betrekking tot de sanering, gedeeltelijke sloop en overige bijbehorende werkzaamheden zoals aangegeven in deze leidraad, het bestek en de bijbehorende bijlagen. De leidraad hield verder in dat de opdracht zou worden gegund op basis van het criterium ‘laagste prijs’. De omvang van het werk betrof volgens de leidraad ( productie 2 inleidende dagvaarding) onder meer “het volledig verwijderen van asbesthoudende materialen uit het [bedrijf 1] , conform Asbestinventarisatie Type A en Type B; […] Voor uitgebreide informatie over de uit te voeren werkzaamheden en de […] voorwaarden voor de uitvoering, verwijzen wij u naar het bestek en de bijbehorende bijlagen”. Verder hield de leidraad in dat de uitvoering van de werkzaamheden zou plaatsvinden op basis van de UAV 2012 (hierna: de UAV) en dat de overeenkomst zou worden gesloten door middel van een opdrachtbrief bij definitieve gunning. 9.1.3. Het bestek ( productie 1 inleidende dagvaarding) hield onder meer in: “10.32 PLAATSELIJK SLOOPWERK […] 1. PLAATSELIJK SLOOPWERK IN, AAN EN ROND HET GEBOUW […] Beknopt overzicht van te verwijderen elementen: - Het verwijderen van alle asbestvezel houdende materialen in en aan het gebouw”. Bij dit bestek is als bijlage een in opdracht van de gemeente door Aveco opgesteld asbestinventarisatierapport (type A en B) d.d. 12 april 2012 gevoegd (hierna: rapport I). 9.1.4. In juni 2013 heeft de gemeente de opdracht met betrekking tot de sanering, gedeeltelijke sloop en overige bijbehorende werkzaamheden definitief gegund aan [asbestverwijderaar] voor een aanneemsom van € 988.000,-- exclusief btw. De opdrachtbrief (productie 3 inleidende dagvaarding), die door de gemeente en [asbestverwijderaar] is ondertekend, houdt in dat de bij deze opdracht behorende contractstukken zijn: “1. deze opdrachtbrief; 2. nota van inlichtingen d.d. 26 november 2012 (nr. 1), 30 november 2012 3. (nr. 2), 17 december 2012 (nr. 3), 17 januari 2013 (nr. 4), 28 januari 2013 (nr. 5), 7 februari 2013 (nr. 5), 7 februari 2013 (nr. 6), 26 februari 2013 (nr. 7), 4 maart 2013 (nr. 8), 11 maart 2013 (nr. 9) 4. publicatie; 5. inschrijvingsleidraad; 6. bestek inclusief bijbehorende bijlagen; 7. UAV 2012; 8. uw inschrijving d.d. 19 maart 2013”. Deze brief houdt verder in dat voor een eenduidige interpretatie bij mogelijke onderlinge tegenstrijdigheden bovengenoemde prioritering van contractstukken zal worden aangehouden. 9.1.5. De in deze brief aangehaalde nota van inlichtingen d.d. 4 maart 2013 (productie 5 inleidende dagvaarding) houdt onder meer in: “ Vragen en antwoorden Nr. Document Vraag Antwoord: 6 [Rapport I] Pagina 28 Op pagina 28 […] word[t] geschreven over algemene beperkingen en op pagina 27 […] een specifieke beperking. Voor wiens rekening komen de kosten voor aanvullend onderzoek en eventuele extra saneringskosten indien extra asbest wordt vastgesteld? Verrekening van meer- en minderwerk overeenkomstig de bepalingen van dit bestek en het U.A.V. paragraaf 35. 9.1.6. Op pagina 27 van rapport I wordt gesproken over de volgende specifieke beperking (productie 4 inleidende dagvaarding): “ter plaatse van de ketels 45, 47 en 82 [is] een stalen om manteling […] toegepast. De […] om manteling is niet te verwijderen met handgereedschap, pneumatisch en/of elektrisch gereedschap. Om de […] om manteling deels te kunnen verwijderen dient gebruik te worden gemaakt van (specialistische) lasapparatuur. Mogelijk kan tussen de […] om manteling een asbesthoudende isolatie […] zijn toegepast. Voorafgaand aan de ontmanteling c.q. sloop van de ketels dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een asbesthoudende isolatie. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan de ontmanteling c.q. sloop van de ketels delen van de stalen ketel om manteling te laten verwijderen om zodoende de aan- en/of afwezigheid van een asbesthoudende isolatie vast te kunnen stellen”. 9.1.7. [asbestverwijderaar] heeft na aanvang van haar werkzaamheden voor de gemeente aan de gemeente meegedeeld dat volgens haar sprake was van niet door Aveco geïnventariseerde asbesthoudende toepassingen. De gemeente heeft hierop opdracht gegeven voor een nadere asbestinventarisatie (type B). Dit heeft geleid tot een door Aveco opgesteld asbest-inventarisatierapport d.d. 15 april 2014 (hierna: rapport II). 9.1.8. Rapport II heeft geleid tot een meerwerkopdracht van de gemeente aan [asbestverwijderaar] . De brief van de gemeente aan [asbestverwijderaar] d.d. 30 juli 2014 (productie 12 inleidende dagvaarding) betreffende deze meerwerkopdracht houdt onder meer het volgende in: “Betreft: Opdracht meerwerk asbestsanering [bedrijf 1] […] hiermee [verstrek ik u] opdracht voor het meerwerk […]. Deze […] wordt verleend onder de volgende voorwaarden. I. De […] opdracht is gebaseerd op uw […] begroting, uitkomend op […] maximaal € 1.341.559,00. Aan voornoemd meerwerk ligt [rapport II] ten grondslag, waarin […] onderstaande aanbevelingen worden gedaan voor het verrichten van asbestsanerings-werkzaamheden: 1. De platen in de vloer van de meet- en regelkamer ter plaatse van de kabelgoot; 2. Het koord tussen de stalen verbindingen (bout/moer constructie) ter plaatse van het rookgasafvoerkanaal van ketel 45 op de 1e verdieping; 3. Het koord tussen de stalen verbindingen (bout/moer constructie) ter plaatse van het rookgasafvoerkanaal van ketel 47 op de 1e verdieping; 4. Het koord tussen de stalen bekleding (bout/moer constructie) van ketel 47; 5. Het koord tussen de stalen plafondplaten en stalen constructie nabij de motor van ketel 47; 6. Het koord tussen de stalen verbindingen (bout/moer constructie) ter plaatse van de motor op ketel 47; 7. Het (besmette) isolatiemateriaal achter de stalen bekleding ter plaatse van ketel 47; 8. Het koord tussen de stalen verbindingen (bout/moer constructie) ter plaatse van de bunkers van ketel 47; 9. Het koord tussen de stalen verbindingen (bout/moer constructie) ter plaatse van de motor op ketel 45; 10. Het koord tussen de stalen verbindingen (bout/moer constructie) ter plaatse van ketel 45; 11. Het koord tussen de stalen verbindingen (bout/moer constructie) ter plaatse van de bunkers van ketel 45; 12. Het koord tussen de stalen verbindingen in de rookgasinspectiekamer van ketels 45 en 47 op de 1e verdieping. II. De meerwerkopdracht omvat alle nog resterende werkzaamheden voor het geheel asbestvrij opleveren van het gebouw. Daartoe dient u alle voornoemde 12 asbesthoudende toepassingen te verwijderen, en de ruimten waarin deze […] aanwezig zijn asbestveilig aan ons op te leveren met begeleiding van een vrijgavedocument. […] Meer concreet dient u ketels 45 en 47 compleet onder asbestcondities te ontmantelen, wegnemen en afvoeren, inclusief alle installaties en inhoud van beide ketels. Ook zullen alle stalen roostervloeren, welke een onlosmakelijke eenheid vormen met beide ketels, door ons onder asbestcondities worden verwijderd en afgevoerd. Na de vrijgave zal er dus niets meer te zien zijn van beide ketels behoudens het staalskelet welke de draagconstructie vormt waarin de ketels afzonderlijk zijn opgenomen. Inmiddels is […] gebleken dat zich in ketel nr. 82 […] geen aanvullende bronnen bevinden t.o.v. de eerder vastgestelde verontreiniging. […] Opgemerkt dient te worden dat in [rapport I] onder bron nummer […] (koord rondom inspectieluiken) een geschat aantal van 75 inspectieluiken vermeld staat in ketel 45, 47 en 82! Deze bronnen (…) waren dus al bekend bij [asbestverwijderaar] . Het geheel verwijderen van ketel 82 vormt dus geen onderdeel van deze meerwerkopdracht, maar dient reeds te gebeuren op grond van de basisopdracht”. 9.1.9. Eind 2014 heeft [asbestverwijderaar] aan de gemeente meegedeeld dat zij opnieuw extra asbestverdachte toepassingen is tegengekomen in de ketels 45 en 47. De gemeente heeft hierop opdracht gegeven voor een nadere asbestinventarisatie (type B). Dit heeft geleid tot een door Aveco opgesteld asbestinventarisatierapport d.d. 20 november 2014 (hierna: rapport III). 9.1.10. Op 29 januari 2015 heeft [persoon B] van [asbestverwijderaar] (hierna: [persoon B] ) een e-mail bericht met bijlage gestuurd aan [persoon C] (hierna [persoon C] ), (destijds) afdelingshoofd Bouw, Techniek & Onderhoud/Maatschappelijk Vastgoed & Sport van de Gemeente (productie 17 inleidende dagvaarding). In de bijlage wordt ingegaan op de oorzaken van het feit dat de (aangepaste) datum van de eindoplevering, 31 januari 2015, niet zou worden gehaald. Kort gezegd vloeien die oorzaken volgens [asbestverwijderaar] voort uit het aantreffen van nieuwe asbestbronnen en -toepassingen bij ketels 45 en 47 anders en meer dan de 12 (contractueel) vastgestelde asbesthoudende toepassingen zoals gedocumenteerd in het rapport III. Volgens [asbestverwijderaar] is hierdoor de scope van de werkopdracht 517300.34 (de meerwerkopdracht van 30 juli 2014), compleet veranderd. 9.1.11. [persoon B] heeft op 12 februari 2015 een e-mailbericht aan [persoon C] gestuurd met als bijlage een gespecificeerde kostenopstelling naar aanleiding van de bevindingen van het rapport III, een en ander zoals aangekondigd in het bericht van 29 januari 2015 (producties 18 en 19 inleidende dagvaarding). 9.1.12. De [voormalige bestuurder] (hierna: [voormalige bestuurder] ) heeft op 6 maart 2015 een e-mailbericht met daarbij een aangepaste kostenopstelling gestuurd aan [persoon C] , “(…) e.e.a. zoals deze, met uw [persoon E] op detailniveau, is doorgesproken. Indien u nog overleg wenst inzake deze dan verneem ik dat graag van u (…)” (productie 20 inleidende dagvaarding). 9.1.13. Op 9 maart 2015 heeft [persoon F] (hierna [persoon F] ) een e-mailbericht aan [voormalige bestuurder] gestuurd (productie 21 inleidende dagvaarding). Dit bericht luidt als volgt: “(…) Geachte [voormalige bestuurder] , In de bespreking op detailniveau zijn de volgende onderdelen niet meegenomen in de kostenopstelling. Over de hierna beschreven onderdelen kon [persoon B] geen beslissing nemen en zou hij deze onderdelen bij u bespreekbaar maken. het betreft: Korting op prijzen op de grote partijen materialen o.a. 17.670 stuks voorfilters 595x595x48 mm; (3,85) 2.200 stuks Schroeffilters Scott Powerpak RC340 A1/P3 (32,50) 108 stuks HEPA filter 610x610x292 (468,--) Korting/prijsaanpassing afkoop van: huurmaterieel (restwaarde) huur bouwverlichting (restwaarde) Over het bovenstaande graag nader overleg danwel prijscorrectie (…)”. 9.1.14. [persoon C] bericht op 12 maart 2015 per e-mailbericht aan [voormalige bestuurder] (productie 22 inleidende dagvaarding) onder meer het volgende: “(…) Geachte [voormalige bestuurder] , beste [roepnaam] , In reactie op uw verzoek hebben wij de volgende data-voorstellen voor een afrondingsgesprek over de asbestverwijdering bij de ketels 45 en 47 ( [bedrijf 1] ), met als doel om de hoogte te bepalen van het meerwerk dat u hiervoor bij ons in rekening brengt (…)”. 9.1.15. In het e-mailbericht van 13 maart 2015 van [persoon C] aan [voormalige bestuurder] (productie 23 inleidende dagvaarding) deelt [persoon C] onder andere het volgende mee: “(…) Geachte [voormalige bestuurder] , beste [roepnaam] , De afspraak om samen de definitieve hoogte te bepalen van het meerwerk asbestverwijdering ketels 45 en 47 [bedrijf 1] is gepland op woensdag 25 maart om 11.00 uur (…)”. 9.1.16. Tijdens de bespreking op 25 maart 2015 tussen vertegenwoordigers van de Gemeente en [asbestverwijderaar] deelde de Gemeente als haar standpunt mee dat zij niet bereid was om bovenop het bedrag van de meerwerkopdracht van 30 juli 2014 nog bij te betalen voor de werkzaamheden die verband hielden met de verwijdering van asbest bij de ketels 45 en 47 van het [bedrijf 1] . 9.1.17. Op 18 augustus 2015 is [asbestverwijderaar] in staat van faillissement verklaard. 9.1.18. Namens de curator is de gemeente per brief d.d. 21 juni 2016 (productie 37 inleidende dagvaarding) aansprakelijk gesteld en gesommeerd om € 800.766,76 te betalen “voor reeds door [ [asbestverwijderaar] ] uitgevoerde werkzaamheden en schadevergoeding”. De gemeente is niet tot betaling hiervan overgegaan. De vorderingen in eerste aanleg 9.2.1. In de onderhavige procedure vordert de curator in conventie, kort gezegd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a. voor recht te verklaren dat [asbestverwijderaar] recht heeft op (bij)betaling c.q. een prijsaanpassing ter zake van door haar uitgevoerde doch door de gemeente onbetaald gelaten werkzaamheden als gevolg van het extra asbest zoals voortvloeit uit rapport III; b. de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door de boedel geleden en nog te lijden schade en in dat kader de gemeente te veroordelen om aan de boedel te betalen: primair - een voorschot van € 1.400.000,-- ter zake van de door de boedel geleden en nog te lijden schade in de vorm van het boedeltekort, en de zaak voor het meerdere te verwijzen naar de schadestaatprocedure, waarin het boedeltekort nader wordt opgemaakt bij staat, waarbij wordt gevorderd het thans gevorderde bedrag te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de faillissementsdatum althans vanaf de datum van dagvaarding (7 maart 2018), te vermeerderen met de verschenen rente na de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; subsidiair - € 352.941,14 ter zake van door [asbestverwijderaar] uitgevoerde, door de gemeente onbetaald gelaten, werkzaamheden, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van verzuim (25 maart 2015) althans vanaf de datum van dagvaarding, te vermeerderen met de verschenen rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 989.059,18 ter zake van schadevergoeding als gevolg van de toerekenbare tekortkoming zijdens de gemeente; - € 49.415,89 aan winstderving als gevolg van de (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst; c. € 6.775,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de datum van verzuim (31 maart 2015) althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de gemeente in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis. 9.2.2. De curator heeft hiertoe (inleidende dagvaarding sub 42 t/m 63) onder meer gesteld dat uit rapport III blijkt dat Aveco bij haar onderzoek eind 2014 “meer en op andere locaties asbesthoudende toepassingen heeft geconstateerd in ketel 45 en 47 dan de twaalf asbesthoudende toepassingen zoals opgenomen c.q. voorspeld in […] [rapport II]. Het gaat om […] asbesthoudend isolatiemateriaal achter de stalen wandplaten op de 1e verdieping ter plaatse van ketel 45 en 47 en […] asbesthoudend koord achter de stalen wandplaten op de 1e verdieping ter plaatse van ketel 45 en 47. […] Om ketel 45 en 47 te kunnen ontmantelen, moest (nog) meer asbest worden verwijderd. […] in april 2014 [was] enkel asbesthoudend koord tussen de stalen bekleding van ketel 45 en 47 aangetroffen alsmede asbesthoudend isolatiemateriaal achter de stalen bekleding ter plaatse van ketel 47. In november 2014 werd wederom asbesthoudend koord tussen de stalen bekleding aangetroffen maar nu ook asbesthoudend koord achter de stalen bekleding. Daarnaast werd nu niet enkel asbesthoudend isolatiemateriaal achter de stalen bekleding van ketel 47 aangetroffen, maar tevens […] achter ketel 45. Het betroffen aldus nieuwe toepassingen alsmede dezelfde toepassingen maar dan op andere locaties. Dit bracht […] aanvullende kosten […] mee doordat [asbestverwijderaar] zich genoodzaakt zag (wederom) extra asbest te verwijderen en een wijziging op het bestaande werkplan door te voeren. […] In plaats van een machinale sloop […] diende de sloop en sanering handmatig te worden uitgevoerd. […] De reden hiervoor was dat de aanvullende asbestbronnen […] waren gevonden. Door de plekken waarop dit asbest zat, kon de ketel niet meer vanaf de buitenzijde worden gesaneerd. Hierdoor moest [asbestverwijderaar] de ketels handmatig van binnen naar buiten demonteren. Dit in tegenstelling tot de eerdere werkwijze […] welke gebaseerd was op [de rapporten I en II].[…] [asbestverwijderaar] heeft de Gemeente […] op de hoogte gesteld van de verschuiving van de eindoplevering en aanvullende kosten als gevolg van de aanvullende asbestinventarisatie en daaraan verbonden extra werkzaamheden. […] Zoals […] besproken, zou [asbestverwijderaar] spoedig een opstelling van de aanvullende kosten maken. Deze […] opstelling heeft [asbestverwijderaar] bij e-mail van 12 februari 2015 aan de Gemeente toegezonden […]. De totale aanvullende kosten […] bedroegen € 623.673,45 […]. Deze […] zijn gebaseerd op […] [rapport III]. [asbestverwijderaar] had de (noodzakelijke) aanvullende werkzaamheden reeds voor meer dan de helft uitgevoerd en de daarmee gepaard gaande Aanvullende Kosten aldus voorgefinancierd. [asbestverwijderaar] moest wel, nu zij niet door kon met de uitvoering van de werkzaamheden van de Opdracht en de Meerwerkopdracht voordat deze aanvullende werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. […] De reeds uitgevoerde werkzaamheden representeren een bedrag van € 352.941,14. Een onderbouwing hiervan wordt overgelegd als productie 19 . […] Partijen bereikten consensus over een bedrag van € 617.337,34 als reële aanvullende kosten. […] Op 25 maart 2015 waren de heren […] namens de Gemeente aanwezig op de belegde bespreking. Doel van het gesprek was […] het maken van afspraken over de betaling door de Gemeente voor de werkzaamheden van [asbestverwijderaar] . De afgevaardigden van de Gemeente gaven […] direct aan dat zij dezelfde ochtend te horen hadden gekregen dat het gesprek een andere wending zou moeten krijgen. […] de Gemeente zou niet bijbetalen. […] [asbestverwijderaar] zag zich geconfronteerd met een direct en groot financieel probleem. Om de opdracht […] te finaliseren, diende zij de […] in [rapport III] opgenomen aanvullende werkzaamheden te verrichten […] zonder hiervoor betaald te krijgen. […] deze extra werkzaamheden [dienden] te worden uitgevoerd voordat [asbestverwijderaar] het laatste deel van de bij de Meerwerkopdracht voorziene asbesttoepassingen kon saneren”. 9.2.3. De gemeente heeft allereerst een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring opgeworpen. Daarin vordert zij, kort gezegd, dat het haar wordt toegestaan Aveco in vrijwaring op te roepen. De gemeente stelt daartoe dat voor het geval de gemeente jegens [asbestverwijderaar] aansprakelijk zou zijn als gevolg van de vermeend onvolledige dan wel onjuiste rapporten, zij Aveco aansprakelijk houdt. De curator heeft zich in dit incident gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank; de rechtbank bij vonnis in incident van 27 juni 2018 de incidentele vordering heeft toegewezen, waarna de gemeente Aveco in vrijwaring heeft opgeroepen. 9.2.4. De gemeente voert in de hoofdzaak verweer. Zij concludeert, kort gezegd, tot afwijzing van het gevorderde en verzoekt om de curator bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na dagtekening van het vonnis. 9.2.5. De gemeente vordert in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie, kort gezegd, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat de vorderingen in de hoofdzaak in conventie dienen te worden afgewezen, althans dat de gemeente na verrekening van de toegewezen vorderingen van de curator met haar vorderingen ex artikel 37a Fw nog een restvordering overhoudt, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a. de curator te gelasten om de door de gemeente overgenomen verplichtingen ter voorkoming van milieuschade ad € 565.315,38 te noteren als boedelschuld althans dat de rechtbank deze vordering in het faillissement van [asbestverwijderaar] zal erkennen; b. de vorderingen van de gemeente tot een bedrag van € 2.446.625,41 als vordering in het faillissement van [asbestverwijderaar] te erkennen, met veroordeling van de curator in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na dagtekening van het vonnis. 9.2.6. De curator voert verweer. Hij concludeert, kort gezegd, tot afwijzing van het gevorderde en verzoekt om de gemeente bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten. 9.2.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover in hoger beroep nog van belang, nader ingegaan. 9.2.8. In het tussenvonnis van 17 oktober 2018 heeft de rechtbank in de hoofd- en vrijwaringszaak een comparitie van partijen gelast. De comparitie van partijen heeft plaats gevonden op 2 april 2019. Het eindvonnis van de rechtbank 9.2.9. In het eindvonnis van 4 september 2019 heeft de rechtbank in de hoofdzaak in conventie (voor zover in hoger beroep nog van belang): - voor recht verklaard dat [asbestverwijderaar] recht heeft op (bij)betaling ter zake de door haar uitgevoerde, doch door de gemeente onbetaald gelaten werkzaamheden als gevolg van het extra asbest zoals voortvloeit uit het asbestinventarisatierapport van Aveco d.d. 20 november 2014; - de gemeente veroordeeld tot vergoeding aan de curator van de schade, op te maken bij staat; - de gemeente veroordeeld in de kosten van de procedure in de hoofdzaak in conventie, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 2.732,00, vermeerderd met de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling; - de gemeente veroordeeld in de na het vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de gemeente niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening; - de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - het meer of anders gevorderde afgewezen. In de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie heeft de rechtbank: - verstaan dat de vorderingen geen behandeling behoeven; - de gemeente veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 543,00; - de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank, kort gezegd, het gevorderde afgewezen en de gemeente in de kosten veroordeeld. Het hoger beroep 9.3. De Gemeente heeft in hoger beroep tien grieven (sommige grieven met meerdere onderdelen) aangevoerd. De Gemeente heeft, verkort weergegeven, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de curator en het alsnog toewijzen van de vorderingen van de Gemeente, met veroordeling van de curator in de kosten van de procedures bij de rechtbank en het hof. Tegen de afwijzing van het gevorderde in de vrijwaringszaak heeft de gemeente geen grieven aangevoerd, zodat de vrijwaringszaak geen deel uitmaakt van de procedure in hoger beroep. De curator heeft op zijn beurt geen incidenteel appel ingesteld tegen de afwijzing van de vordering sub b en c (zie hiervoor rov. 9.2.1), zodat deze vorderingen in hoger beroep niet meer aan de orde zijn. De verdere bespreking van de grieven en geschilpunten 9.4. Het hof zal hierna de volgende volgorde van bespreking van de overige grieven, verweren en geschilpunten aanhouden: rov. 9.5.: het bezwaar van de Gemeente tegen de door het hof toegestane overschrijding van de spreektijd door de curator ter zitting van het hof van 11 januari 2022 en de daaraan volgens de gemeente te verbinden gevolgen; rov. 9.6.: de door de Gemeente, zowel in de akte van 16 december 2021 als ter zitting op 11 januari 2022, gestelde schending door de curator van artikel 21 Rv en de daaraan volgens de gemeente te verbinden gevolgen; rov. 9.7.: de uitleg van de overeenkomst en van de eerste meerwerkopdracht (grieven IIA en IVB); rov. 9.8.: was er sprake van meerwerk naar aanleiding van rapport III van Aveco en zo ja wat hield dat meerwerk in? (grieven IA, IIA, IIb en IVB); rov. 9.9.: had [asbestverwijderaar] in beginsel recht op vergoeding van het meerwerk? (grieven IIB, III, IVA en IVB); rov. 9.10.: Was er sprake van verzuim van de Gemeente en mocht [asbestverwijderaar] het werk opschorten? (grief VB); rov. 9.11.: omvang van de vorderingen van [asbestverwijderaar] /de curator (grieven IB en VA); rov. 9.12.: uitvoerbaarverklaring bij voorraad (grief VIII); rov. 9.13.: de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie van de Gemeente (grief VII); rov. 9.14.: de proceskosten (grief IX); rov. 9.15.: de conclusies ten aanzien van de vorderingen van partijen (grief X). Het bezwaar van de Gemeente tegen de door het hof toegestane overschrijding van de spreektijd door de curator ter zitting van het hof van 11 januari 2022 9.5. Op de zitting van het hof op 11 januari 2022 hebben de advocaten van de Gemeente nadrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het feit dat het hof de advocaat van de curator toestond om veel langer dan de in het procesreglement bepaalde tien minuten de standpunten van de curator toe te lichten. Het hof handelde, aldus de advocaten van de Gemeente, hiermee in strijd met procesreglement en daarmee in strijd met de goede procesorde en de belangen van de Gemeente. Het hof licht hier (nogmaals, zoals reeds ter zitting gedaan) toe waarom het bezwaar van de advocaten van de Gemeente is verworpen. Van belang daarbij is allereerst dat de Gemeente op 16 december 2021 een akte heeft genomen van 9 pagina’s met daarbij drie producties (X, Y en Z). De omvang van de akte èn de daarbij gevoegde producties is aanzienlijk. Aan de hand van en onder verwijzing naar de inhoud van deze producties heeft de Gemeente in de akte tot in detail betoogd waarom bepaalde standpunten en berekeningen van de curator niet juist zouden zijn. Daarnaast heeft de Gemeente in de akte betoogd dat [asbestverwijderaar] en de curator zich schuldig hebben gemaakt aan een dusdanig ernstige schending van artikel 21 Rv, dat alleen daarom al de vorderingen van de curator zouden moeten worden afgewezen. Gelet op de omvang van de akte en de producties en mede gezien de zeer verstrekkende conclusie die volgens de Gemeente aan haar bevindingen moet worden verbonden, was het ter zitting voor het hof zonder meer duidelijk dat de curator in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor meer tijd voor een reactie nodig had dan de in het procesreglement aangegeven tien minuten. Daarbij is van belang dat tussen het indienen van de akte en de zitting, mede gelet op de periode van de kerstvakantie, in redelijkheid geen gelegenheid is geweest voor de curator om nog voor de zitting daarop schriftelijk te reageren. Weliswaar had de curator om aanhouding van de zitting kunnen vragen, maar het is maar zeer de vraag, gelet op de stellingname van de advocaten van de Gemeente ter zitting, of de Gemeente daarmee zou hebben ingestemd. Verder achtte het hof van belang dat de Gemeente ter zitting van het hof zich verzette tegen het, zoals het hof voorstelde, alsnog aanhouden van de zitting om de curator in de gelegenheid te stellen een antwoordakte te nemen. De curator kan tegengeworpen worden dat hij niet vooraf om ruimere spreektijd heeft gevraagd. Dat enkele verzuim rechtvaardigde naar het oordeel van het hof echter niet dat de curator door het vasthouden aan de tien minuten spreektijd de gelegenheid zou worden onthouden om op de uitgebreide akte en de ernstige aantijgingen aan zijn en [asbestverwijderaar] adres en de daaraan door de Gemeente verbonden gevolgtrekkingen in te gaan. Het hof heeft naar zijn oordeel door de curator meer tijd dan bedoelde tien minuten spreektijd toe te staan niet in strijd gehandeld met de beginselen van een goede procesorde. Evenmin zijn daardoor de (processuele) belangen van de Gemeente geschaad. De Gemeente heeft immers bij repliek op het betoog van de curator kunnen reageren, waarbij zij niet aan enige tijdslimiet gebonden is geweest (de zitting heeft in totaal meer dan een dagdeel in beslag genomen). Bovendien is door de curator op deze manier de gelegenheid te geven om te reageren op de akte met producties van de Gemeente een de procedure aanzienlijk vertragende, aanhouding van de procedure voorkomen, wat in het belang van alle partijen was. De door de Gemeente gestelde schending door de curator van artikel 21 Rv en de volgens de Gemeente daaraan te verbinden rechtsgevolgen 9.6. De Gemeente verwijt de curator onder meer dat hij (doelbewust) de relevante logboeken niet uit eigen beweging naar voren heeft gebracht en dat hij bewust onjuiste stellingen heeft ingenomen, onder meer over de inzet van personeel en de kosten daarvan. Dit levert volgens de Gemeente een zodanig ernstige schending van art. 21 Rv op, dat alleen daarom al de vorderingen van de curator afgewezen moeten worden. Ook dient deze schending gevolgen te hebben voor de proceskostenveroordeling, aldus de Gemeente. De curator heeft ontkend dat hij of [asbestverwijderaar] in strijd met artikel 21 Rv zou hebben gehandeld en dat hij leugens zou hebben gepresenteerd. Hij wijst erop dat hij slechts die logboeken in het geding heeft gebracht die relevant waren voor de onderbouwing van zijn stellingen. Er was in het geheel geen reden om (andere) logboeken achter te houden nu de inhoud van die logboeken, zoals is gebleken en anders dan de Gemeente stelt, de juistheid van de stellingen van de curator ondersteunen. De curator heeft zich in de art. 843a Rv-procedure ook gerefereerd aan het oordeel van het hof, waarbij de curator opmerkt dat die procedure onnodig was, omdat als de Gemeente bij [asbestverwijderaar] om de logboeken had gevraagd, [asbestverwijderaar] die logboeken had afgegeven. Er viel niets te verbergen, aldus de curator. Het hof is van oordeel dat de Gemeente haar (voor de curator diffamerende) stellingen op dit punt, mede in het licht van de (inhoudelijk) gemotiveerde betwisting door de curator, volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. Er bestaat dan ook geen reden om de vorderingen van de curator vanwege schending van artikel 21 Rv af te wijzen. Evenmin is er reden om bij de proceskostenveroordeling met het door de Gemeente aan het adres van de curator gemaakte verwijt rekening te houden. De Gemeente heeft, voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep (zie nrs. 1 en 3 van de zittingsaantekeningen van de Gemeente) gesteld dat [asbestverwijderaar] heeft gelogen en dat zij de Gemeente “heeft belazerd”, door zich meer te laten uitbetalen dan waarop zij recht had. Daarmee is sprake van een onherstelbare tekortkoming van [asbestverwijderaar] en dienen de vorderingen van [asbestverwijderaar] /de curator te worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat de Gemeente, door deze stelling eerst tijdens de mondelinge behandeling in te nemen, in strijd met de twee conclusieregel heeft gehandeld, maar in elk geval deze stelling te laat en dus in strijd met de regels van een goede procesorde heeft ingenomen. Los daarvan is het hof van oordeel dat van het bewust handelen in strijd met de waarheid (liegen dus) door [asbestverwijderaar] niet is gebleken. Het voorgaande geldt naar het oordeel van het hof ook voor het, voor het eerst ter zitting door de Gemeente ingenomen standpunt (zie nr. 5 van de zittingsaantekeningen van de Gemeente) dat door het liegen van [asbestverwijderaar] en de daarin gelegen wanprestatie de Gemeente vanaf dat moment niet meer gehouden was tot onmiddellijke betaling en dat de Gemeente daarom minst genomen bevoegd was die betaling op te schorten. Over de inhoud van voormelde akte, voor zover het gaat om de uit de producties af te leiden feiten en hun relevantie voor de verdere beoordeling, zal het hof, indien nodig, hierna ingaan. De uitleg van de oorspronkelijke overeenkomst en van de meerwerkopdracht van 30 juli 2014 (grieven IIA) 9.7.1. De Gemeente heeft hierover, zakelijk weergegeven, in verband met grief IIA, het volgende aangevoerd: a. In de inschrijvingsleidraad voor de aanbesteding is onder meer opgenomen dat het werk betreft het “geheel saneren van het [bedrijf 1] middels het verwijderen van asbesthoudende materialen”. In het meer specifieke sloopbestek werd onder andere vermeld “het verwijderen van alle asbestvezelhoudende materialen”. Voor alle partijen was duidelijk: er mocht geen asbest in het gebouw achterblijven en [asbestverwijderaar] had als opdracht al het asbest te verwijderen. De Gemeente had in beginsel dus al de eerste meerwerkopdracht mogen weigeren. b. De curator heeft zich beroepen op paragraaf 35 UAV 2012, sub a: verrekening van meer- of minderwerk in geval van bestekwijziging. Er kan geen sprake zijn van meer- of minderwerk zonder wijziging van het bestek na verlening van de opdracht. In alinea 00.02.36 van het bestek is vermeld dat de bevoegdheid tot het aanbrengen van bestekswijzigingen als bedoeld in paragraaf 36 lid 2 van de UAV 2012 is voorbehouden aan de opdrachtgever, in dit geval de Gemeente dus. Onder bestekswijziging wordt op grond van paragraaf 36 UAV 2012 verstaan: wijzigingen in het bestek, het werk of de voorwaarden van uitvoering van het werk. Van dergelijke wijzigingen is geen sprake geweest. In elk geval niet meer na de meerwerkopdracht van 30 juli 2014 en in elk geval niet met betrekking tot ketels 45 en 47. De enkele mededeling in de nota van inlichtingen van 4 maart 2014 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) naar aanleiding van de vraag van [asbestverwijderaar] voor wiens rekening kosten van aanvullend onderzoek en eventuele extra saneringskosten komen indien extra asbest wordt vastgesteld, dat verrekening van meer- en minderwerk plaatsvindt overeenkomstig de bepalingen van het bestek de paragraaf 35 van de UAV, maakt dit niet anders. Het was aan de Gemeente om te bepalen dat het bestek gewijzigd moest worden/werd en dus om te bepalen of zij opdracht wilde geven voor meer- of minderwerk. De Gemeente was daartoe niet gehouden. c. De Gemeente heeft, anders dan de rechtbank in r.o. 4.9. heeft overwogen, ook nooit voorgeschreven hoe [asbestverwijderaar] te werk moest gaan, zolang [asbestverwijderaar] het werk maar veilig en volgens de wettelijke eisen zou uitvoeren. Dat [asbestverwijderaar] op een bepaald moment op een andere manier te werk zou zijn gegaan regardeert de Gemeente niet en leidt niet tot de conclusie dat er sprake zou zijn van een wijziging van het bestek op grond waarvan vergoeding van meerwerk kan worden gebaseerd (zo daar al sprake van zou zijn geweest). d. Gelet op het voorgaande had de Gemeente ook de eerste meerwerkopdracht mogen weigeren. e. In de aanloop tot de meerwerkopdracht van 30 juli 2014 hebben partijen intensief onderhandeld over de risico’s die zij wel en niet wilden lopen. In haar e-mail van 21 juli 2014 (productie G van de Gemeente) schreef de Gemeente aan [asbestverwijderaar] : “Wij constateren dat u aanbiedt de beide ketels genummerd 45 en 47 compleet te ontmantelen, wegnemen en afvoeren, inclusief de roostervloeren, waardoor hierin geen vervolgrisico voor ons resteert. Dit is voor ons belangrijk.” De Gemeente heeft hiermee aan alle eventuele onduidelijkheid over de reikwijdte van de meerwerkopdracht een eind gemaakt: zij wilde geen enkele risico meer lopen na verlening van de kostbare (door [asbestverwijderaar] begroot op € 1.496.538,14) meerwerkopdracht. [asbestverwijderaar] heeft nooit laten weten aan de Gemeente dat de Gemeente, als weer meer asbest zou worden aangetroffen, toch nog een risico zou lopen. f. Op 28 juli 2014 (productie G van de Gemeente) heeft de Gemeente in een e-mailbericht aan [asbestverwijderaar] onder meer laten weten dat “(…) De meerwerkopdracht omvat alle nog resterende werkzaamheden voor het geheel asbestvrij opleveren van het gebouw (…)”. In haar reactie daarop schrijft [asbestverwijderaar] bij e-mailbericht van 28 juli 2014 (productie G van de Gemeente) onder andere: “(…) Ketels 45 en 47 zullen wij compleet onder asbesthoudende condities ontmantelen, wegnemen en afvoeren, inclusief alle installaties en inhoud van beide ketels. Ook zullen alle stalen roostervloeren (..) door ons onder asbestcondities worden verwijderd en afgevoerd. Na de vrijgave zal er dus niets meer te zien zijn van beide ketels behoudens het staalskelet welke de draagconstructie vormt waarin de ketels afzonderlijk zijn opgenomen (…)” Dat [asbestverwijderaar] in haar reactie verwijst naar twaalf asbestbronnen, doet niets af aan haar verplichting om in het kader van deze meerwerkopdracht alle resterende asbest te verwijderen. De werkzaamheden waren dus niet beperkt tot die 12 bronnen en zo is het ook overeengekomen en vastgelegd in de meerwerkopdracht. Er was geen misverstand tussen partijen dat met betrekking tot ketels 45 en 47 geen sprake kon zijn van aanvullend meerwerk. Als het de bedoeling van [asbestverwijderaar] was geweest dat het vervolgrisico toch bij de Gemeente zou liggen, dan had zij de Gemeente op grond van artikel 7:754 BW daarvoor moeten waarschuwen en dat heeft [asbestverwijderaar] niet gedaan. g. Van belang hierbij is verder dat [asbestverwijderaar] veel beter dan de Gemeente op de hoogte was van de precieze situatie ter plaatse. Aveco heeft steeds op aanwijzen van [asbestverwijderaar] de extra asbesttoepassingen onderzocht en [asbestverwijderaar] wist precies wat de beperkingen van het asbestinventarisatierapport waren en waar Aveco wel en niet onderzoek had gedaan. Zij kon dus ook veel beter dan de Gemeente inschatten hoe groot het (rest)risico op asbest was. In die situatie heeft [asbestverwijderaar] de Gemeente een tekstvoorstel voor de meerwerkopdracht gedaan, waarin de Gemeente, die had laten weten geen verder risico meer te willen lopen, volledig gerust werd gesteld. h. Gelet op het voorgaande is onjuist, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, dat de meerwerkopdracht slechts betrekking had op de verwijdering van de 12 specifiek genoemde asbestbronnen. De opsomming van die punten was geen limitatieve opsomming. Dat blijkt ook niet uit de tekst van de meerwerkopdracht. Ketels 45 en 47 moesten compleet worden verwijderd en er mocht niets meer van te zien zijn. Alle asbest moest worden verwijderd, aldus nog steeds de Gemeente. 9.7.2. Van de zijde van [asbestverwijderaar] is, zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd: a. Anders dan de Gemeente heeft gesteld , is zeker wat betreft de asbestsanering van de ketels 45 en 47 in het contract duidelijk een beroep op meerwerk of bijbetaling opengesteld. Van belang is dat de initiële aanneemsom was gebaseerd op de op het moment van contractsluiting beschikbare stukken, waaronder het Asbestinventarisatierapport I van Aveco. Immers, in de Inschrijvingsleidraad is op pagina 5 in artikel 1.7. vermeld: “(…) De omvang van het werk betreft samenvattend: - het volledig verwijderen van asbesthoudende materialen uit het [bedrijf 1] conform Asbestinventarisatie Type A en Type B (…)” De inschrijving was dus gebaseerd op de door Aveco in rapport I geconstateerde asbesttoepassingen. b. Van dit rapport I staat vast dat het onjuist en onvolledig was en daarvoor draagt de Gemeente als opdrachtgever van Aveco de verantwoordelijkheid. Het in dit rapport gemaakte algemene voorbehoud van nog te verwachten asbest is een algemene standaardclausule die elke asbestinventariseerder opneemt in een rapport. c. In verband met de op pagina 27 van het rapport I besproken specifieke beperking ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van asbest tussen de stalen ommanteling van ketels 45, 47 (en 82) waarmee voorafgaand aan de sloop rekening moet worden gehouden, is in de nota van inlichtingen van 4 maart 2013 vermelde vraag opgenomen voor wiens rekening de kosten komen voor aanvullend onderzoek en eventuele extra saneringskosten indien extra asbest wordt vastgesteld. De Gemeente heeft daarop geantwoord dat verrekening van meer- en minderwerk overeenkomstig de bepaling van het bestek en het UAV paragraaf 35 plaats vindt. Van een vaste aanneemsom was, anders dan de Gemeente stelt, dan ook geen sprake en de mogelijkheid van meerwerk was opengesteld en [asbestverwijderaar] /de curator kon (mede) op grond van het bepaalde in paragraaf 35 sub e UAV 2012 en bedoelde nota van inlichtingen aanspraak maken op verrekening van meerwerk. d. Het was voor [asbestverwijderaar] helemaal niet voorzienbaar dat er later, na rapport II van Aveco, nog meer asbest zou worden aangetroffen. In april 2014 heeft Aveco onder meer destructief onderzoek verricht tussen en achter de ketels 45 en 47. [asbestverwijderaar] mocht er daarom op vertrouwen dat dit rapport wel volledig en juist was. [asbestverwijderaar] heeft de waarschuwingsplicht ex artikel 7:754 BW dan ook niet geschonden, aldus de curator. Op de inhoud van dat (achteraf onvolledige) rapport II is de meerwerkopdracht van 30 juli 2014 gebaseerd. [asbestverwijderaar] mocht ervan uitgaan dat de extra werkzaamheden de twaalf in het rapport genoemde asbesttoepassingen betrof. Ook deze meerwerkopdracht liet daarom de mogelijkheid van meerwerk als gevolg van nadien nog aangetroffen extra asbest open, aldus de curator. 9.7.3. Het hof oordeelt als volgt. a. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. b. Vaststaat dat de oorspronkelijke opdracht mede was gebaseerd op asbestinventarisatie rapport I (dit rapport maakt deel uit van de bij het contract behorende stukken) en vaststaat ook dat dit rapport beperkingen inhield. Die beperkingen zagen onder meer op de mogelijkheid van aanwezigheid van asbesthoudend materiaal tussen de stalen ommanteling van de ketels 45, 47 en 82. In de hiervoor bij rov. 9.1.5. geciteerde nota van inlichtingen, die eveneens deel uitmaakt van de contractstukken, is vermeld dat, indien er extra asbest wordt vastgesteld, verrekening van meer- en minderwerk zal plaatsvinden conform de bepalingen van het bestek en paragraaf 35 UAV. Feit is dat, nadat in asbestinventarisatierapport II extra asbest is vastgesteld, de Gemeente ook daadwerkelijk een meerwerkopdracht aan [asbestverwijderaar] heeft verstrekt. Het hof leidt hieruit af dat ook de Gemeente destijds kennelijk van oordeel was dat het (onverwacht) aantreffen van meer asbest een terechte grond was voor het verlenen van de meerwerkopdracht. Deze gang van zaken en de inhoud van voormelde stukken brengen het hof tot de conclusie dat in de oorspronkelijke overeenkomst geen sprake was, zoals de Gemeente heeft betoogd, van een prijsvastbeding en dat partijen er over en weer en in de specifieke situatie van het geval (partijen konden op grond van het in opdracht van de Gemeente uitgebrachte asbestinventarisatierapport niet volledig inschatten/vaststellen waar en hoeveel asbest er aanwezig was en welke aanvullende kosten en werkzaamheden er nodig zouden zijn) er ook daadwerkelijk van uitgingen en redelijkerwijs van uit mochten gaan, dat van een dergelijk beding geen sprake was. Van het onverplicht afsluiten van de meerwerkopdracht was dan ook geen sprake. Tot slot is het hof van oordeel dat het enkele feit dat de inkopers en juristen van de gemeente, die de aanbestedingsstukken hadden opgesteld, niet meer betrokken zouden zijn geweest bij de uitvoeringsfase en het sluiten van de eerste meerwerkovereenkomst aan het voorgaande niet af doet en niet betekent dat de Gemeente onverplicht of per abuis de meerwerkopdracht zou hebben gegeven. Uit niets blijkt dat deze omstandigheid een rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van de meerwerkopdracht en evenmin blijkt dat de bij de totstandkoming van de meerwerkopdracht namens de Gemeente betrokken functionarissen niet bekwaam genoeg zouden zijn geweest om deze overeenkomst met [asbestverwijderaar] te sluiten en om de reikwijdte ervan te overzien. c. De vraag is vervolgens wat de reikwijdte en betekenis van die meerwerkopdracht is. Meer in het bijzonder: biedt de inhoud van die meerwerkopdracht in beginsel wel (zoals de curator stelt) of geen (zoals de Gemeente stelt) ruimte voor (een claim
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.