Parketnummer: 20-002634-20 Uitspraak : 17 november 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, van 24 november 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-845535-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde en een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 30 september 2018 te Oss aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding, gekneusde ribben, gebroken oogkas, loszittende en/of afgebroken tanden en/of een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door deze meermalen, (telkens) met kracht - op/tegen het hoofd te stompen en/of te slaan (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of - ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of de zij, althans op/tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of - ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of de zij, althans op/tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 30 september 2018 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - op/tegen het hoofd heeft gestompt en/of heeft geslagen (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of - ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of de zij, althans op/tegen het lichaam heeft gestompt en/of heeft geslagen en/of - ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of de zij, althans op/tegen het lichaam heeft geschopt en/of heeft getrapt; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 30 september 2018 te Oss [slachtoffer] heeft mishandeld door - op/tegen het hoofd te stompen en/of te slaan (waardoor die [slachtoffer] is gevallen) en/of - ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of de zij, althans op/tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of - ( vervolgens) op/tegen het hoofd en/of de zij, althans op/tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen; terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding, gekneusde ribben, gebroken oogkas, loszittende en/of afgebroken tanden en/of jukbeen ten gevolge heeft gehad. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 30 september 2018 te Oss aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding, loszittende en/of afgebroken tanden en een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door deze meermalen met kracht - tegen het hoofd te stompen en/of te slaan waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en - tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van de primair tenlastegelegde zware mishandeling. Daartoe is, op de gronden als weergegeven in de ter terechtzitting van 3 november 2022 overgelegde pleitnota in hoger beroep, aangevoerd dat het vastgestelde letsel – een hersenschudding, een aangezichtsbreuk en een blauwe plek onder het rechteroog – niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Voorts kan niet worden vastgesteld dat het letsel aan het gebit van het slachtoffer is veroorzaakt door de mishandeling. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde brief van tandarts [arts] van 28 oktober 2018 niet betrouwbaar is nu niet kan worden vastgesteld welke klachten het slachtoffer had en voorts niet kan worden vastgesteld dat sprake is van letsel aan de mond van het slachtoffer. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat de verdachte op 30 september 2018 te Oss het slachtoffer meermalen tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en hem ook tegen zijn hoofd en zijn lichaam heeft geschopt. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang wat de aard van het letsel is, wat de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen is en of er uitzicht is op (volledig) herstel. Ten aanzien van gebitsschade, zoals afgebroken tanden, verdient opmerking dat, nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn. Het hof stelt vast dat het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , ten overstaan van de rechter-commissaris op 17 april 2019 heeft verklaard dat hij op het moment dat hij aangifte deed nog vol zat met pijnstillers, maar wel helder was. Toen hij later thuiskwam en alles een beetje was gezakt en hij wilde gaan eten, bleek dat al zijn ondertanden loszaten. Hij is vervolgens naar de tandarts gegaan en die heeft al zijn ondertanden eruit gehaald. De heer [slachtoffer] heeft nu een gebit. Voorts blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde brief van tandarts [arts] d.d. 28 oktober 2018 dat het slachtoffer daags na het incident, op 1 oktober 2018, is gezien door de tandarts in verband met klachten aan het ondergebit, dat het ondergebit van het slachtoffer niet meer behouden kon worden en is geëxtraheerd. Het slachtoffer heeft in oktober 2018 een noodprothese gekregen en vier maanden later zou een definitieve prothese worden vervaardigd. Op grond van de bij de vordering van de benadeelde partij gevoegde facturen van de tandarts [arts] blijkt dat onder meer sprake is van een kunstgebit van de onderkaak. Uit deze medische informatie volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat sprake is van een dusdanige noodzaak tot een ingrijpende tandheelkundige behandeling dat het letsel, mede in samenhang bezien met het overige toegebrachte letsel, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de verdediging ziet het hof geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de brief van tandarts [arts] te twijfelen. Hetgeen door de verdediging overigens nog is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan hiervoor gegeven. Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: zware mishandeling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd. Namens de verdachte is verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte op 12 november 2018 slachtoffer is geworden van een schietincident en daar nog steeds de fysieke gevolgen van ondervindt. Voorts is aangevoerd dat de verdachte een stabiel leven heeft opgebouwd na een lange periode van revalidatie. Hij heeft een arbeidsovereenkomst met Stichting [stichting] , volgt een opleiding tot fietsenmaker en is jeugdtrainer bij een voetbalteam. Tot slot is aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de verdachte betekent dat hij alles wat hij heeft opgebouwd, kwijt zal raken. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer meermalen tegen het hoofd te stompen/slaan en hem tegen het hoofd en lichaam te schoppen. Door aldus fysiek te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Tevens veroorzaakt dergelijk handelen in het algemeen gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij het slachtoffer, zo ook in dit geval, getuige de toelichting op zijn civiele vordering. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Deze omstandigheden rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Gelet op de ouderdom van deze veroordelingen (2008 en 2012) zal het hof deze bij het bepalen van de straf niet in het nadeel van de verdachte meewegen. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De gedingstukken geven het hof in het kader van de straftoemeting aanleiding te onderzoeken of het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 30 september 2018 toen de verdachte in verzekering werd gesteld. De rechtbank heeft niet binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen eindvonnis gewezen, maar eerst op 24 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.