← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2022:4006

Parketnummer : 20-003745-19 Uitspraak : 21 november 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 november 2019, in de strafzaak met parketnummer 04-804350-12 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Roermond. Hoger beroep De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en deze als volgt gekwalificeerd: ‘uitlokking van moord’ (feit 1 primair) gepleegd als voortgezette handeling van: ‘uitlokking van poging tot moord’ (feit 2 primair); ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II (feit 3). De rechtbank heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2 / benadeelde partij] is toegewezen tot een bedrag van € 5.597,30, te vermeerderen met de wettelijke rente, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, begroot op € 4.804,

  1. Ten aanzien van de inbeslaggenomen [merk] simkaart is teruggave aan de verdachte gelast. De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en de vordering van de benadeelde partijen en, in zoverre opnieuw rechtdoende: de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest; de vordering van de benadeelde partijen zal toewijzen tot een bedrag van – naar het hof begrijpt – € 48.597,30 (bestaande uit shockschade van de kinderen van het slachtoffer, [kind 1 slachtoffer] en [kind 2 slachtoffer] , ad ieder € 20.000, de uitvaartkosten ad € 5.597,30 en de woonkosten in [land] ad € 3.000), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij in het meer gevorderde niet-ontvankelijk zal verklaren. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging. Subsidiair is op diverse gronden vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen is – naar het hof begrijpt subsidiair, indien het hof komt tot een veroordeling – het standpunt ingenomen dat de gevorderde uitvaarkosten ad € 5.597,30 kunnen worden toegewezen en de vordering voor het overige dient te worden afgewezen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
  2. primair[kroongetuige / medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, bij de woning waar na te noemen [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en [slachtoffer] woonden, tezamen en in vereniging met elkander en/of met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval opzettelijk, [slachtoffer] , in elk geval een persoon, hebben/heeft doodgeschoten, welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 oktober 2012 in de gemeente [gemeente] en/of in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk - die [kroongetuige / medeverdachte 1] te benaderen/spreken met de opdracht/vraag om een buitenlander te zoeken die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en/of - aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] te vragen om een persoon genaamd [slachtoffer 2 / benadeelde partij] dood te schieten en/of - door met die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] af te spreken dat hij, verdachte, een aanzienlijk geldbedrag aan/voor die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of aan/voor die [medeverdachte 2] zou geven waarvoor die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en/of - een (automatisch) vuurwapen voor het plegen van dat strafbaar feit te bewaren en/of - een revolver aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] te geven;
  3. subsidiairhij op of omstreeks 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval opzettelijk, [slachtoffer] heeft doodgeschoten;
  4. primair[kroongetuige / medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met elkander en/of met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van zijn/hun voornemen om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2 / benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet, met een of meer vuurwapen(s) (meermalen) hebben/heeft geschoten op een persoon, in de veronderstelling dat die persoon voornoemde [slachtoffer 2 / benadeelde partij] was, terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid; welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 oktober 2012 in de gemeente [gemeente] en/of in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk - die [kroongetuige / medeverdachte 1] te benaderen/spreken met de opdracht/vraag om een buitenlander te zoeken die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en/of - aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] te vragen om een persoon genaamd [slachtoffer 2 / benadeelde partij] dood te schieten en/of - door met die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] af te spreken dat hij, verdachte, een aanzienlijk geldbedrag aan/voor die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of aan/voor die [medeverdachte 2] zou geven waarvoor die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en/of - een (automatisch) vuurwapen voor het plegen van dat strafbaar feit te bewaren en/of - een revolver aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] te geven;
  5. subsidiair[kroongetuige / medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met elkander en/of met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord/doodslag (op [slachtoffer 2 / benadeelde partij] ), opzettelijk een revolver en een (automatisch) pistool, in elk geval een of meer scherpe vuurwapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben/heeft gehad, welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 oktober 2012 in de gemeente [gemeente] en/of in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk - die [kroongetuige / medeverdachte 1] te benaderen/spreken met de opdracht/vraag om een buitenlander te zoeken die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en/of - aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] te vragen om een persoon genaamd [slachtoffer 2 / benadeelde partij] dood te schieten en/of - door met die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] af te spreken dat hij, verdachte, een aanzienlijk geldbedrag aan/voor die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of aan/voor die [medeverdachte 2] zou geven waarvoor die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en/of - een (automatisch) vuurwapen voor het plegen van dat strafbaar feit te bewaren en/of - een revolver aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] te geven; 3.hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2012 tot en met 25 oktober 2012 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie II onder 2, te weten een zogenaamde Skorpion, zijnde een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie c.q. bewijsuitsluiting De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging nu met betrekking tot de door het openbaar ministerie gesloten kroongetuigeovereenkomst en de wijze waarop deze tot stand is gekomen ernstig is tekortgeschoten, aangezien: de verantwoording met betrekking tot de overeenkomst niet transparant is en het voor de verdediging niet in volle omvang toetsbaar is hoe de overeenkomst tot stand is gekomen, waardoor – zo begrijpt het hof – niet door de verdediging kan worden getoetst of sprake is geweest van verdekte begunstigingsvoorwaarden; de toetsing door de rechter-commissaris van de rechtmatigheid van de afspraak illusoir is geworden, nu de verklaringen van de kroongetuige [kroongetuige / medeverdachte 1] reeds waren afgelegd vóórdat de rechter-commissaris werd verzocht de rechtmatigheid te toetsen en de overeenkomst werd gesloten; niet is voldaan aan het vereiste van interne openbaarheid zoals beschreven in de Aanwijzing onder 2.2 alsook aan het vereiste van zorgvuldigheid, nu het dossier geen gespreksverslagen bevat waaruit zou blijken met/door wie en, hoe en waarover is gesproken; het Nederlands systeem met betrekking tot de kroongetuigenovereenkomst ook vanuit internationaal perspectief te wensen overlaat, nu het Nederlands systeem teveel ruimte laat voor het invullen en in lijn brengen van verklaringen met het dossier; Voorts heeft de verdediging de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie c.q. bewijsuitsluiting bepleit ten aanzien van de gang van zaken omtrent de verhoren van [getuige 2] . Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat: het openbaar ministerie de regels van een goede procesorde ernstig geweld heeft aangedaan door [getuige 2] , nadat zij op grond van een rechtshulpverzoek naar Nederland kwam en reeds vaststond dat zij op 7 november 2013 bij de rechter-commissaris door de verdediging als getuige zou worden gehoord, voorafgaand aan dat verhoor twee dagen lang (op 5 en 6 november 2013) bij de politie aan een verhoor te onderwerpen buiten aanwezigheid van de verdediging en de rechter-commissaris, waardoor door het openbaar ministerie een voorsprong is genomen op de positie van de verdediging; de verklaringen van [getuige 2] onbetrouwbaar zijn, aangezien: i. tijdens de verhoren van [getuige 2] d.d. 21 maart 2013 en 5 en 6 november 2013 door de politie sturende vragen aan de getuige zijn gesteld en zij onder ontoelaatbare druk is gezet om een bepaalde verklaring af te leggen; ii. zij mogelijk is beïnvloed door het artikel in de Panorama en door [kroongetuige / medeverdachte 1] . Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van de afspraak met de kroongetuige [kroongetuige / medeverdachte 1] Het openbaar ministerie heeft in deze zaak met [kroongetuige / medeverdachte 1] een zogenoemde kroongetuigenovereenkomst gesloten. In ruil voor een lagere strafeis heeft hij verklaringen afgelegd (eerst op 19 en 20 oktober 2017, de zogeheten kluisverklaringen) waarin hij zijn betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] heeft erkend, zijn rol heeft toegelicht en heeft verklaard over de betrokkenheid van andere personen bij de moord. [kroongetuige / medeverdachte 1] is inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor onder meer het medeplegen van de moord op [slachtoffer] tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren. In artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering zijn de regels met betrekking tot toezeggingen aan getuigen neergelegd. Artikel 226g luidt als volgt:
  6. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar misdrijven, als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid.
  7. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van: a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen; b. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft; c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan deze bereid is te voldoen; d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie.
  8. Op vordering van de officier van justitie toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak. De officier van justitie verschaft de rechter-commissaris de gegevens die hij voor de beoordeling daarvan behoeft.
  9. Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris op grond van het derde lid uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). Ook geeft de rechter-commissaris een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv). De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Als naast de toezegging ook zogenaamde kleine gunsten aan de getuige zijn verleend, moet dit in een proces-verbaal worden opgenomen en aan de rechter-commissaris worden gemeld conform artikel 226g, vierde lid, Sv. Toezeggingen in verband met de feitelijke bescherming van de getuige (artikel 226l Sv) maken geen deel uit van de in artikel 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en zijn ook geen gunstbetoon als bedoeld in artikel 226g, vierde lid, Sv. Dat brengt met zich dat de officier van justitie niet is gehouden de processen-verbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Artikel 226j, derde lid, Sv – welk artikel ziet op de verplichting tot het doen van mededeling door de rechter-commissaris van de totstandkoming van de afspraak met de getuige en de inhoud daarvan aan de verdachte ten laste van wie de verklaring is afgelegd – maakt dat niet anders. In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 23 juli 2018 de kroongetuigenovereenkomst getoetst en rechtmatig geoordeeld. Ook achtte de rechter-commissaris de verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] , bij de toenmalige stand van het onderzoek, in de kern betrouwbaar op twee ondergeschikte punten in zijn verklaringen na. Ten aanzien van die twee punten heeft de rechter-commissaris de verklaring van [kroongetuige / medeverdachte 1] niet onbetrouwbaar geoordeeld. De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat naast de toetsing door de rechter-commissaris ook een toetsing door de zittingsrechter. Op grond van artikel 360, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering een afspraak is gemaakt, voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht. De in artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde motiveringsverplichting strekt zich – volgens jurisprudentie van de Hoge Raad – echter niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien en voor zover de rechtbank overgaat tot het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de kroongetuige, ligt in dat gebruik al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris is vervat. Dat laat onverlet dat indien de rechter afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de rechtmatigheid van de afspraak, de rechter gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van artikel 359, tweede lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. De verdediging heeft, zoals hiervoor vermeld, op een aantal gronden aangevoerd dat sprake is van vormverzuimen met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst. Het hof volgt deze verweren niet. Ad I, III en IV. In het dossier bevinden zich een aantal stukken waarin uiteen is gezet hoe de deal tot stand is gekomen, welke voorwaarden daarbij zijn gesteld en welke toezeggingen daarbij aan de kroongetuige zijn gedaan. In de overeenkomst van 23 juli 2018 is conform artikel 226g, tweede lid, Sv (art. 7.4 Aanwijzing) onder 2.2 en 3 vermeld welke toezeggingen er aan de kroongetuige zijn gedaan, kort gezegd inhoudende dat de officier van justitie tot een 30% lagere strafeis zal komen in de strafzaak tegen [kroongetuige / medeverdachte 1] (te weten een gevangenisstraf voor de duur van 14 in plaats van 20 jaren) en dat de officier van justitie zo nodig maatregelen bevordert in het kader van het Stelsel Bewaken en Beveiligen en/of het treffen van de nodige maatregelen op grond van het Besluit getuigenbescherming. Op 4 oktober 2018 heeft de officier van justitie [officier van justitie 1] een brief aan de rechtbank met cc aan de advocaten van de verdachte doen toekomen, met als bijlagen een rapportage van de toenmalige officier van justitie [officier van justitie 2] van 25 september 2018 en een proces-verbaal van diens opvolger binnen dit bijzondere getuigentraject [officier van justitie 3] van 25 september
  10. In de rapportage van [officier van justitie 2] is het verloop van de onderhandelingen met de getuige nauwkeurig en schriftelijk in een journaal vastgelegd. Voorts heeft [officier van justitie 2] nader toegelicht welke voorwaarden met de getuige overeen zijn gekomen. Hij heeft daarbij aangegeven dat de onderhandelingen in 2016 zijn gestart en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] tijdens de onderhandelingen (voorafgaand aan zijn afgelegde verklaringen van 19 en 20 oktober 2017, toen er nog slechts een intentie bestond bij [kroongetuige / medeverdachte 1] om te gaan verklaren) een aantal niet-financiële voorwaarden heeft gesteld betreffende zijn veiligheid tijdens en na zijn detentie. [officier van justitie 2] heeft aangegeven dat het openbaar ministerie medeverantwoordelijk is voor een veilige detentieperiode en dat (toen) aan [kroongetuige / medeverdachte 1] is toegezegd dat het Arrondissementsparket Limburg de kosten die verbonden waren aan juridische bijstand in het kader van de eventuele nadere onderhandelingen zou betalen. Verder werd hem beloofd dat bij het vaststellen van de strafeis rekening zou worden gehouden met de te verwachten tussentijdse aanpassing van de regeling omtrent de vervroegde invrijheidsstelling. Op het gebied van toekomstige veiligheid heeft [officier van justitie 2] geen enkele toezegging gedaan. Nadat [kroongetuige / medeverdachte 1] de kluisverklaringen had afgelegd op 19 en 20 oktober 2017, is nadat deze door een analist van de Nationale Politie waren onderzocht ter verificatie/falsificatie op basis waarvan [officier van justitie 2] concludeerde dat deze konden leiden tot een toezegging als bedoeld in artikel 44a Sr, in eerste instantie ingestemd met een strafeiskorting van 50% over een initiële gevangenisstraf van 20 jaren, maar dit is uiteindelijk gereduceerd tot 30% na een andersluidend standpunt van het College van Procureurs-Generaal. Hiermee is door [kroongetuige / medeverdachte 1] ingestemd. Vervolgens werden de onderhandelingen over de (civiele) beveiligingsmaatregelen gestart door de officieren van het Team Begeleiding Getuigen en de (civiele) advocaat van [kroongetuige / medeverdachte 1] . [officier van justitie 2] heeft verder in de rapportage nog aangegeven dat voor zover de aan hem toevertrouwde bevoegdheden en verantwoordelijkheden het toestaan, hij in deze rapportage een zo volledig mogelijke weergave heeft gegeven van de totstandkoming van de overeenkomst en dat hij in verband met zwaarwegende veiligheidsbelangen niets kan toevoegen aan hetgeen in de rapportage staat vermeld. [officier van justitie 3] heeft de door [officier van justitie 2] beschreven gang van zaken in zijn proces-verbaal van 25 september 2018 onderschreven. Ter terechtzitting van 18 oktober 2018 heeft de rechtbank opdracht gegeven aan de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal op te maken met betrekking tot de vraag of

(1)de kosten van rechtsbijstand aan [kroongetuige / medeverdachte 1] gedragen werden door het openbaar ministerie en
(2)er nog andere toezeggingen, anders dan op gebied van zijn veiligheid tijdens en na zijn detentie, aan [kroongetuige / medeverdachte 1] zijn gedaan en zo ja, welke. Deze vragen zijn in het proces-verbaal van [officier van justitie 3] d.d. 29 januari 2019 beantwoord (overgelegd door de zaaksofficier van justitie [officier van justitie 1] bij brief van 31 januari 2019). [officier van justitie 3] heeft (hof: nogmaals) aangegeven dat het Arrondissementsparket Limburg de kosten verbonden aan juridische bijstand in het kader van nadere onderhandelingen heeft betaald aan de raadsman van [kroongetuige / medeverdachte 1] . Verder is aangegeven dat de kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de eventueel noodzakelijke beschermingsmaatregelen aan de betreffende raadsman zijn vergoed op last van de officier van justitie getuigenbescherming bij het Landelijk Parket (standaardtarieven). Op de hierboven genoemde tweede vraag heeft [officier van justitie 3] geantwoord dat er geen andere toezeggingen, anders dan op het gebied van zijn veiligheid tijdens en na zijn detentie aan [kroongetuige / medeverdachte 1] werden gedaan. Het hof heeft geen enkele aanwijzing dat er in weerwil van voornoemde stukken door het openbaar ministerie andere (niet-toelaatbare) voorwaarden zijn gesteld of toezeggingen zijn gedaan aan de kroongetuige ten behoeve van de afspraak, dan welke zijn opgenomen in de overeenkomst d.d. 23 juli 2018 en (toegelicht in) de aanvullende stukken van de betrokken officieren van justitie op 25 september 2018 en 29 januari
  1. Het hof is van oordeel dat de rechter-commissaris en de zittingsrechter voldoende zicht hebben (gehad) op alle voordelen/toezeggingen voor de getuige die van invloed kunnen zijn op zijn bereidheid tot het afleggen van een verklaring. Tot meer openbaarheid over de onderhandelingen en de totstandkoming van de overeenkomst richting de procespartijen dan hiervoor vermeld en de overige stukken die zich in het dossier bevinden was het openbaar ministerie op grond van de wet naar het oordeel van het hof niet gehouden. Het hof ziet geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel dan de rechter-commissaris en de rechtbank te komen omtrent de rechtmatigheid van kroongetuigeovereenkomst en is eveneens van oordeel dat deze rechtmatig tot stand is gekomen. Hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd leidt niet tot een andersluidend oordeel. Het verweer dat het Nederlandse systeem in vergelijking tot Italië en Duitsland naar het oordeel van de verdediging te veel ruimte laat voor het invullen en het brengen van de verklaring in lijn met het dossier en aldus ruimte laat voor onbetrouwbaarheid in de totstandkoming van deze verklaringen, leidt evenmin tot niet-ontvankelijkheid van het OM of bewijsuitsluiting. Ad II. Op 19 en 20 oktober 2017 werden de (kluis)verklaringen door [kroongetuige / medeverdachte 1] afgelegd en werden deze opgenomen door twee verbalisanten die een geheimhoudingsverklaring ondertekenden. Deze verklaringen werden vervolgens (daadwerkelijk) in een kluis bewaard, tot het moment dat een eventuele overeenkomst zou worden gesloten. Vervolgens is het kroongetuigetraject gestart (waarbij de verklaringen onder meer werden onderzocht ter verificatie/falsificatie door een analist van de Nationale Politie die hiertoe ook een geheimhoudingsverklaring ondertekende) hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de vordering ex 226g lid 3 Sv door de officier van justitie op 17 juli 2018 en de overeenkomst van 23 juli 2018 na toetsing door de rechter-commissaris. Pas daarna zijn de verklaringen kenbaar geworden voor alle procespartijen en in het dossier terechtgekomen. Naar het oordeel van het hof is dit de logische en juiste volgorde van het kroongetuigetraject. Daarom worden door de potentiële kroongetuige afgelegde verklaringen eerst betiteld als (geheime) “kluisverklaringen”, totdat de voorgenomen afspraak door de rechter-commissaris rechtmatig wordt geoordeeld en de afgelegde verklaringen betrouwbaar. Dan eerst komt de afspraak (“deal”) tot stand, krijgt de getuige de status van kroongetuige en kunnen de verklaringen uit de kluis en in het dossier worden gevoegd. De omstandigheid dat de verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] voorafgaand aan de toets door de rechter-commissaris zijn afgelegd, staat er niet aan in de weg dat de rechtmatigheid van de deal in volle omvang door de rechter-commissaris kan worden getoetst. Bovendien heeft de rechter-commissaris de inhoud van de verklaringen ook nodig om de betrouwbaarheid daarvan te kunnen beoordelen. Van een verkeerde volgorde of het illusoir zijn van de rechtmatigheidstoets na het afleggen van de (kluis)verklaringen, zoals door de verdediging is gesteld, is dan ook geen sprake. Het hof zal hieronder onder het kopje bewijsvoering nader ingaan op het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] en concluderen dat deze voor zover opgenomen als bewijsmiddel betrouwbaar zijn. Niet alleen vanwege de consistentie en de gedetailleerdheid ervan, maar ook door het gegeven dat de inhoud van deze verklaringen op veel punten wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen (getuigen en resultaten van forensisch onderzoek). De verhoren van [getuige 2] Ten aanzien van de verweren die zien op het horen van [getuige 2] bij de politie de dagen voor haar geplande getuigenverhoor bij de rechter-commissaris, verwijst het hof naar de overwegingen op pagina’s 5 tot en met 15 in het arrest van het hof d.d. 26 mei 2015 (20-001141-14, ECLI:NL:GHSHE:2015:1855), welke overwegingen als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Het hof kwam in dat arrest tot het oordeel dat het handelen van de officier van justitie op dit punt – hoewel onnodig en wellicht zelfs onzorgvuldig op het punt van het niet (volledig) informeren van de rechtbank, de verdediging en de rechter-commissaris – niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging jegens verdachte. Het hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen de verdediging in hoger beroep op dit punt heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dan resteert nog de bespreking van de verweren van de verdediging die strekken tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie c.q. bewijsuitsluiting nu in haar visie door de politie sturende vragen aan getuige [getuige 2] zijn gesteld c.q. zij door de politie onder ontoelaatbare druk is gezet om over de betrokkenheid van de verdachte te verklaren. Zoals hierna zal worden overwogen, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat door de verhorende verbalisanten zodanige druk op de getuige is uitgeoefend en/of zij de getuige zodanig hebben beïnvloed en/of aan haar sturende vragen hebben gesteld dat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof zal dit onderdeel van de verweren ten behoeve van de leesbaarheid bespreken onder het kopje bewijsvoering, waarin het hof nader zal ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] en andere getuigen. Het hof verwerpt mitsdien het tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer in al zijn onderdelen. Nu ook overigens niet is gebleken dat beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de strafvervolging. Vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde Uit het dossier volgt dat het schietincident waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, op 25 oktober 2012 kort voor 21.42 uur heeft plaatsgevonden. Het hof stelt vast dat de partner van [slachtoffer] te weten de heer [slachtoffer 2 / benadeelde partij] op dat moment (en ook in uren daarvoor) niet in zijn woning aan de [adres slachtoffers 1 en 2] te Venlo aanwezig was. Hij was immers die ochtend al met het vliegtuig naar Brazilië vertrokken. Naar het oordeel van het hof was er derhalve geen (aanmerkelijke) kans dat de schoten die met de vuurwapens (de revolver en de Skorpion) bij die woning zijn afgevuurd, [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zouden treffen en daarmee tot zijn dood zouden leiden. Dat betekent dat er geen sprake kan zijn van een strafbare poging om [slachtoffer 2 / benadeelde partij] van het leven te beroven en daarmee ook niet van een strafbare uitlokking daartoe. Anders dan de rechtbank in eerste aanleg en de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
  2. primair[kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo, bij de woning waar na te noemen [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en [slachtoffer] woonden, tezamen en in vereniging met elkander opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] hebben doodgeschoten, welk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 oktober 2012 in de gemeente [gemeente] opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk - die [kroongetuige / medeverdachte 1] te benaderen/spreken met de opdracht/vraag om een buitenlander te zoeken die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en - aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] te vragen om een persoon, genaamd [slachtoffer 2 / benadeelde partij] , dood te schieten en - door met die [kroongetuige / medeverdachte 1] af te spreken dat hij, verdachte, een aanzienlijk geldbedrag aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of aan/voor die [medeverdachte 2] zou geven waarvoor die [medeverdachte 2] die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en - een (automatisch) vuurwapen voor het plegen van dat strafbaar feit te bewaren en - een revolver aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] te geven;
  3. subsidiair[kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met elkander, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (op [slachtoffer 2 / benadeelde partij] ), opzettelijk een revolver en een (automatisch) pistool en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben gehad, welk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 oktober 2012 in de gemeente [gemeente] opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk - die [kroongetuige / medeverdachte 1] te benaderen/spreken met de opdracht/vraag om een buitenlander te zoeken die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en - aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] te vragen om een persoon, genaamd [slachtoffer 2 / benadeelde partij] , dood te schieten en - door met die [kroongetuige / medeverdachte 1] af te spreken dat hij, verdachte, een aanzienlijk geldbedrag aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of aan/voor die [medeverdachte 2] zou geven waarvoor die [medeverdachte 2] die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zou moeten doodschieten en - een (automatisch) vuurwapen voor het plegen van dat strafbaar feit te bewaren en - een revolver aan die [kroongetuige / medeverdachte 1] te geven; 3.hij in de periode van 17 augustus 2012 tot en met 25 oktober 2012 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , een wapen van categorie II onder 2, te weten een zogenaamde Skorpion, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen De verdediging heeft op gronden, als nader verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs en aangevoerd dat er op basis van de bewijsmiddelen in het dossier een alternatief scenario mogelijk is. Het hof verenigt zich grotendeels met de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven op pagina’s 5 tot en met 21 van het vonnis, en maakt die tot de zijne. Nu het hof echter op een aantal punten tot wijziging c.q. aanvulling van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen komt, zal het hof ten behoeve van de leesbaarheid de bewijsconstructie in zijn geheel in het arrest opnemen. De gewelddadige dood van [slachtoffer] Op donderdag 25 oktober 2012 kwam om 21.42 uur een melding bij de politie binnen. Die melding werd gedaan door de dan twaalfjarige [kind 1 slachtoffer] . Hij meldde dat zijn moeder gewond was geraakt. Ze lag thuis, aan de [adres slachtoffers 1 en 2] te Venlo, op de grond en zei niets meer. Ze liep naar buiten om de hond uit te laten, deed de deur open en toen viel ze ineens. [kind 1 slachtoffer] hoorde iets keihard knallen, vuurwerk ofzo, rond het huis, recht voor de deur. Zijn moeder lag binnen in de gang, net voor de deur. Op een vraag van de meldkamer of zijn moeder nog bewoog, antwoordde [kind 1 slachtoffer] dat ze een beetje met haar mond bewoog. Ze reageerde helemaal niet meer. [kind 1 slachtoffer] was op dat moment alleen thuis met zijn moeder en zijn negenjarige zusje [kind 2 slachtoffer] . Toen de eerste politieagenten ongeveer acht minuten na de melding ter plaatse kwamen, merkten zij op dat het op het perceel erg donker was, maar dat er een lamp boven de voordeur brandde. In de gang achter de voordeur troffen de politieagenten een gewonde vrouw aan – naar later bleek [slachtoffer] – die op haar rug lag. Verbalisant [verbalisant 1] voelde in haar hals en voelde geen hartslag meer. Er werd vervolgens een reanimatie gestart en [slachtoffer] werd overgebracht naar het ziekenhuis, maar de hulpverlening mocht niet meer baten: [slachtoffer] was op 39-jarige leeftijd overleden. De politieagenten die als eerste ter plaatse waren, zagen al vermoedelijke schotwonden bij [slachtoffer] en kogelgaten in en bij de voordeur, in een daarachter gelegen deur en in het stucwerk. Forensisch onderzoek Tijdens de sectie zijn in totaal negen huidperforaties aan het lichaam geconstateerd met het aspect van bij leven opgelopen schotverwondingen. Er waren doorschoten door de rechter bovenarm en de rechterhand, schotverwondingen aan vingers van de linkerhand, er was een onderhuids verlopende schotverwonding aan de borst rechts en er was een doorschot hoogstwaarschijnlijk van rechtsachter naar linksvoor vrijwel horizontaal door de romp verlopend, waarbij haar hart en beide longen geperforeerd werden. Daarnaast waren nog drie letsels zichtbaar zonder perforaties, zogenoemde schampschotletsels. Het overlijden is het gevolg geweest van massaal bloedverlies en van functieverlies van het hart en beide longen. De schotverwondingen aan de ledematen hebben aan het bloedverlies en daarmee het overlijden bijgedragen. De conclusie van de patholoog van het NFI luidt dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld (schotletsel) op het lichaam. In totaal zijn er zeventien kogelinslagen in de woning aangetroffen, waarvan dertien in en rond de voordeur. Daarnaast zijn er dertien patroonhulzen aangetroffen, alle van het kaliber 7,65 mm. Van dat kaliber zijn ook de aangetroffen kogels en kogeldelen, met uitzondering van één kogel die in de keuken is aangetroffen. Dit betreft een kogel van het kaliber .38 special of .357 magnum. De gebruikte wapens zijn nooit gevonden. Door het NFI is onderzoek gedaan aan de aangetroffen munitiedelen en op basis daarvan zijn uitspraken gedaan over de wapens die vermoedelijk door de schutter of schutters zijn gebruikt. De aangetroffen munitiedelen van het kaliber 7,65 mm zijn vermoedelijk verschoten met een automatisch werkend machinepistool van het merk Skorpion, kaliber 7,65 mm Browning. De systeemsporen in de kogels en de kogelmantel passen onder andere bij machinepistolen van dit model. Patronen van het kaliber .38 special of .357 magnum worden volgens het NFI doorgaans verschoten in revolvers van dit kaliber. De systeemsporen (het aantal, de richting en de breedte van de groeven) in de kogel passen onder andere bij revolvers van de merken Smith & Wesson, Ruger en Taurus. Onderzoekers hebben verder de schietlijnen in kaart gebracht aan de hand van de aangetroffen doorschoten en de daarmee corresponderende inschoten in muren, deuren en kozijnen van de woning. De forensisch onderzoekers van de politie concludeerden op basis van het sporenbeeld dat het aannemelijk is dat er vanuit diverse richtingen en hoogten richting het slachtoffer is geschoten, waarbij gezien het lijnenbeeld gesteld kan worden dat de schutter zich tijdens het schieten heeft verplaatst en dat er vanuit diverse hoogten, mogelijk knielend/gebukt of staand, op het slachtoffer is geschoten. Vanaf de [straat slachtoffers 1 en 2] gingen twee opritten naar de vrijstaande woning van [slachtoffer] en haar partner [slachtoffer 2 / benadeelde partij] . Een oprit liep naar de voorzijde (zuidzijde) van de woning en een oprit liep naar de achterzijde (noordzijde) van de woning. De achterzijde van de woning lag haaks op (hof: gelet op de overzichtsfoto van bovenaf op pagina 1021 leest het hof in plaats van “haaks op” verbeterd “parallel aan”) de snelweg A
  4. Aan de achterzijde was de achterdeur gelegen. [slachtoffer] is neergeschoten bij de achterdeur van de woning. Waar de als eerste ter plaatse gekomen verbalisanten in hun bevindingen dus spreken van de voordeur betreft dit de achteringang. Recht tegenover die achteringang stonden, op een afstand van ongeveer vijf meter, twee stenen penanten. Gelet op de aangetroffen kogelinslagen in de woning, de uitgezette schietlijnen, de aangetroffen hulzen en het letsel van het slachtoffer, is het volgens de politie zeer aannemelijk dat de eerste schoten zijn gelost vanaf bij de rechter penant/pilaar, gezien vanuit de nabijgelegen autosnelweg. Alle kogelpatronen zijn op één na verschoten uit één en hetzelfde wapen, een machinepistool van het merk Skorpion, kaliber 7.65 mm Browning. Het enkele projectiel van kaliber .38 Special/.357 Magnum, afgevuurd met de revolver, is hoogstwaarschijnlijk door de ruit van de keuken gegaan. Daar van het doorschot in de ruit van de keuken geen schietlijn kon worden vastgesteld, kon ook de plaats van de schutter (het hof begrijpt: de plaats waar het schot met de revolver is afgevuurd) niet worden vastgesteld. Tussenconclusie van het hof [slachtoffer] is op 25 oktober 2012 te Venlo gedood door verscheidene schotverwondingen, terwijl zij zich in de opening van de achterdeur van haar woning bevond. Zij is beschoten met vermoedelijk een automatisch werkend machinepistool van het merk Skorpion. De schutter met dit wapen stond binnen een afstand van vijf meter, ter hoogte van de penanten tegenover de achteringang van de woning. Gelet op de schietlijnen en de beperkte spreiding van de inslagen is met dit wapen in korte tijd een reeks kogels afgevuurd, waarbij de schutter tijdens het schieten van houding en plaats is gewisseld, beginnend bij het rechter penant (bezien vanuit de snelweg). Ook is er minstens één keer geschoten met een revolver van het kaliber .38 special of .357 magnum. Tactisch onderzoek De verklaringen van de partner van het slachtoffer, [slachtoffer 2 / benadeelde partij] In de nacht volgend op het doodschieten van [slachtoffer] gaf [slachtoffer 2 / benadeelde partij] in een telefoongesprek met de politie aan dat hij maar met één persoon problemen had en hij noemde de naam [naam verdachte] uit [plaats 1] . Hij wilde niet zeggen waar het meningsverschil over ging, maar het speelde al enkele maanden. Verder gaf hij aan dat de schutter [kroongetuige / medeverdachte 1] zou kunnen zijn, die voor [naam verdachte] zou werken. Op de vraag van de verbalisant waarom [slachtoffer 2 / benadeelde partij] deze [kroongetuige / medeverdachte 1] verdacht, antwoordde hij dat [slachtoffer] de avond ervoor tijdens het uitlaten van de hond een man had overlopen in de buurt van de woning. Die man was weggerend, in een zwarte Golf gestapt en hard weggereden. Hierbij had hij een zogenoemde varkensrug geraakt. [slachtoffer] had dit voorval aan [slachtoffer 2 / benadeelde partij] verteld waarbij ze zei dat ze in die man die ze had overlopen [kroongetuige / medeverdachte 1] meende te hebben herkend. Desgevraagd herhaalde [slachtoffer 2 / benadeelde partij] aan het einde van het gesprek dat hij alleen met [verdachte] problemen heeft en dat hij had gehoord dat hij bij [verdachte] bovenaan “het lijstje” stond. Op 27 oktober 2012 werd [slachtoffer 2 / benadeelde partij] voor het eerst door de politie gehoord. Hij verklaarde toen onder meer dat hij op donderdag 25 oktober 2012 rond 06.00 uur thuis was vertrokken naar Brazilië en pas op de dag ervoor spontaan had geboekt. Hij zat nog in het vliegtuig toen het gebeurd was. Hij had alleen tegen [slachtoffer] , zijn kinderen [kind 1 slachtoffer] en [kind 2 slachtoffer] en zijn moeder verteld dat hij naar Brazilië ging. Verder verklaarde hij dat [verdachte] en hij jarenlang vrienden van elkaar waren en dat de vriendschap zo’n vier maanden geleden beëindigd was. Er was een zakelijk conflict ontstaan tussen [verdachte] en [slachtoffer 2 / benadeelde partij] . Op 8 of 15 oktober 2012 had [verdachte] hem buiten bij zijn ( [slachtoffer 2 / benadeelde partij] ) huis gezegd dat hij het goed wilde maken, waarop [slachtoffer 2 / benadeelde partij] “nee” had gezegd. Hierna had [verdachte] zijn bedreigingen geuit: “Ik ruim je op”. Over [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaarde [slachtoffer 2 / benadeelde partij] dat hij een soort loopjongen voor [verdachte] was die een kamer van [naam verdachte] had gekregen en die wel eens bij hem, [slachtoffer 2 / benadeelde partij] , aan de deur was geweest. Op 6 november 2012 heeft [slachtoffer 2 / benadeelde partij] in een telefoongesprek met de politie verklaard dat [verdachte] zwaar aan de coke zat en dat hij, [slachtoffer 2 / benadeelde partij] , en andere mensen in de omgeving van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en [verdachte] tot de conclusie waren gekomen dat met [verdachte] niet meer te werken viel. [slachtoffer 2 / benadeelde partij] verklaarde dat hij dit [verdachte] recht in zijn gezicht had gezegd in het bijzijn van anderen en dat [verdachte] hem dit kwalijk nam. [verdachte] had zich in grote schulden gestoken om gezamenlijke “projecten” met [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en andere zakenpartners te kunnen financieren. In zijn verhoor d.d. 19 december 2012 lichtte [slachtoffer 2 / benadeelde partij] desgevraagd een en ander (nogmaals) toe. Ongeveer twee weken voor de herfstvakantie had [verdachte] hem thuis aan de [adres slachtoffers 1 en 2] bedreigd. [verdachte] stond voor de deur en had geprobeerd om [slachtoffer 2 / benadeelde partij] weer bij zijn zakelijke activiteiten te betrekken. [verdachte] had nog aangegeven dat het aan zijn cocaïnegebruik te wijten was, maar dat hij daarmee was gestopt. [slachtoffer 2 / benadeelde partij] had hem duidelijk te verstaan gegeven dat hij niets meer met [verdachte] te maken wilde hebben en dat hij bij zijn standpunt bleef. [verdachte] is toen weggegaan, waarbij hij op het laatst had gezegd: “Jou ruim ik op of jou laat ik opruimen.” [slachtoffer 2 / benadeelde partij] had daaruit begrepen dat [verdachte] hem wilde vermoorden of laten vermoorden. De verklaring van [kroongetuige / medeverdachte 1] ondersteund door overige bewijsmiddelen Dat er op zakelijk vlak onenigheid was tussen [verdachte] en [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en dat [verdachte] daarom van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] af wilde, heeft ook [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard. Hij heeft uiteindelijk – als kroongetuige – op 19 en 20 oktober 2017, aangevuld in zijn latere verhoor op 26 september 2018, verklaard over de aanleiding, de opdracht tot de moord op [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en de feitelijke uitvoering van die opdracht, die tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid. Zijn verklaringen worden op al deze onderdelen ondersteund door getuigenissen van anderen en daarnaast op verschillende punten ook door de resultaten van technisch onderzoek. - Over de aanleiding [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2 / benadeelde partij] van [verdachte] zijn geld wilde hebben, dat [slachtoffer 2 / benadeelde partij] het zat was en zijn geld opeiste. Het betrof een bedrag van € 600.000,00 tot € 650.000,
  5. Die geldkwestie speelde, omdat [verdachte] zakendeed door mensen te vragen om het door hen verdiende geld aan een drugstransport te investeren in een volgend transport. Hierdoor zouden ze na dat volgende transport weer meer geld verdienen. [verdachte] was echter buiten de transportlijn gezet door [slachtoffer 2 / benadeelde partij] , omdat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen voldeed en hierdoor ook [slachtoffer 2 / benadeelde partij] de mensen niet kon betalen. Daardoor waren mensen klaar met [verdachte] . De reden dat [verdachte] niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen, was dat er een partij van 50 en een partij van 80 kilo cocaïne verdwenen waren. Die hoeveelheden waren al meegegeven aan de afnemers, maar zij hadden hier nog niet voor betaald. [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaarde dat hij op verzoek van [verdachte] samen met [getuige 3] aanwezig is geweest bij een gesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer 2 / benadeelde partij] . Dat gesprek vond in juli 2012 plaats in het kantoor in de frituur van [verdachte] te [plaats 2] . Het was geen vriendelijk gesprek en [verdachte] had als voorzorgsmaatregel zelfs een revolver in een zak naast zich liggen. In dat gesprek had [slachtoffer 2 / benadeelde partij] tegen [verdachte] gezegd dat [verdachte] wat meer aan de mensen moest denken die voor hem door het vuur gingen, in plaats van aan zichzelf. Mensen in Brazilië zouden niet meer met [verdachte] willen werken. [slachtoffer 2 / benadeelde partij] had hem gezegd dat [verdachte] zich aan zijn afspraken moest houden en dat hij het zat was. [slachtoffer 2 / benadeelde partij] had zijn geld opgeëist. Het zou om € 600.000 tot € 650.000 gaan. [verdachte] had tegen [slachtoffer 2 / benadeelde partij] gezegd dat hij het geld niet had. [slachtoffer 2 / benadeelde partij] was vervolgens weggegaan. [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en [getuige 3] hebben in hun getuigenverklaringen ook verklaard over dit gesprek dat in de frituur van [verdachte] in [plaats 2] plaatsgevonden heeft. [getuige 3] heeft verklaard dat [naam verdachte] en [slachtoffer 2 / benadeelde partij] daar met elkaar in het kantoortje hebben gesproken, dat er een meningsverschil was over geld en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] er ook was. Volgens [slachtoffer 2 / benadeelde partij] was er een zakelijk conflict en was hij boos omdat [verdachte] zich niet gedroeg als zakenpartner en vriend. [verdachte] had daar in de frituur twee mannen bij zich, waaronder [kroongetuige / medeverdachte 1] , aldus [slachtoffer 2 / benadeelde partij] . Ook [getuige 4] heeft verklaard dat er in die periode sprake was van een zakelijk conflict tussen [verdachte] en [slachtoffer 2 / benadeelde partij] . Hij heeft op 12 november 2012 verklaard dat [verdachte] en [slachtoffer 2 / benadeelde partij] samen in de cocaïnehandel vanuit Brazilië zaten. [getuige 4] had na de crematie van [slachtoffer] van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] gehoord dat [verdachte] 4 maanden daarvoor uit de coke-organisatie was geschopt en [slachtoffer 2 / benadeelde partij] was de enige geweest die dit [verdachte] recht in zijn gezicht had verteld en dat zij niets meer met hem, [verdachte] , te maken wilden hebben. Het eigen cocaïnegebruik van [verdachte] en zijn manier van zaken doen werd gezien als gevaar voor de eigen organisatie. [verdachte] financierde de transporten namelijk met het geld van anderen. Ook noemde [getuige 4] een bedrag van 6 ton dat [slachtoffer 2 / benadeelde partij] nog van [verdachte] te goed zou hebben gehad. Het door [getuige 4] omschreven zakelijke conflict komt overeen met de verklaring van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en [kroongetuige / medeverdachte 1] en is ook niet strijdig met wat [verdachte] zelf heeft verklaard. [verdachte] heeft zelf bevestigd dat er een gesprek met een boze [slachtoffer 2 / benadeelde partij] in (het kantoorgedeelte van) de frituur heeft plaatsgevonden waarbij [kroongetuige / medeverdachte 1] en [getuige 3] aanwezig waren. [verdachte] heeft meermalen verklaard dat in die periode in 2012 onenigheid was ontstaan tussen [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en hem. Ter terechtzitting in hoger beroep bevestigde [verdachte] dat hij [slachtoffer 2 / benadeelde partij] een bedrag van € 600.000 schuldig was. Tijdens het gesprek in de frituur is daarover gesproken. Ook heeft [verdachte] bevestigd dat [getuige 3] en hij na dit frituurgesprek, een of twee weken voor de moord, bij [slachtoffer 2 / benadeelde partij] zijn geweest om te praten. Hij verklaarde dat ze toen hebben gesproken ‘om de ruzie bij te leggen’ en dat hij toen heeft gevraagd aan [slachtoffer 2 / benadeelde partij] ‘of hij er nog over wilde nadenken’ en dat [slachtoffer 2 / benadeelde partij] hierop afwijzend reageerde. [slachtoffer 2 / benadeelde partij] wilde het niet bijleggen. - Over de opdracht [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] hem enige tijd na het gesprek in de frituur heeft benaderd met de vraag of hij iemand uit het buitenland kon vinden die [slachtoffer 2 / benadeelde partij] voor een bedrag van € 50.000,00 met een vuurwapen wilde opruimen. Voor [kroongetuige / medeverdachte 1] was duidelijk dat [verdachte] met ‘opruimen’ het doden van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] bedoelde. Hij heeft toen tegen [verdachte] gezegd dat hij wel iemand wist uit de omgeving van zijn toenmalige vriendin [getuige 2] . Tijdens het gesprek is verder besproken dat [kroongetuige / medeverdachte 1] [verdachte] op de hoogte zou stellen als er nog spullen nodig waren, zoals vuurwapens. Dat gesprek heeft in juli 2012 plaatsgevonden in de keuken van het appartement waar [kroongetuige / medeverdachte 1] net met [getuige 2] was ingetrokken. Het appartement maakte deel uit van de woning van [verdachte] , gelegen aan de [adres verdachte] in [plaats 1] , gemeente [gemeente] . [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] [slachtoffer 2 / benadeelde partij] uit de weg wilde ruimen omdat [slachtoffer 2 / benadeelde partij] de transportlijn vanuit Brazilië had overgenomen. [verdachte] werd niet meer door [slachtoffer 2 / benadeelde partij] bij de transporten betrokken en stond zo dus buitenspel. Als [slachtoffer 2 / benadeelde partij] uit de weg was geruimd, kon [verdachte] de lijn weer overnemen. [verdachte] heeft tijdens dat gesprek en ook daarna nog herhaald dat “de deur in Brazilië voor ons weer opengaat als [slachtoffer 2 / benadeelde partij] er niet meer is”. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat [getuige 2] in het appartement aanwezig was toen [verdachte] kwam en dat [verdachte] toen aan [getuige 2] heeft gevraagd om even weg te gaan, omdat hij een gesprek wilde met [kroongetuige / medeverdachte 1] . Hieraan heeft zij gehoor gegeven. Na het gesprek heeft zij nog aan [kroongetuige / medeverdachte 1] gevraagd wat [verdachte] wilde. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft tegen haar toen alleen verteld dat hij een buitenlander naar Nederland moest laten komen om de problemen van [verdachte] op te lossen. [getuige 2] heeft op haar beurt verklaard dat zij begin of half augustus 2012 in de woning van [naam verdachte] een keer is weggestuurd door [kroongetuige / medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij moest de kamer verlaten en de deur dichtdoen. [getuige 2] heeft verklaard dat zij vervolgens in een naastgelegen ruimte de was is gaan ophangen en dat zij toen een en ander heeft opgevangen van het gesprek tussen [kroongetuige / medeverdachte 1] en [verdachte] . Ze werd nieuwsgierig en luisterde mee. Overigens blijkt uit nader onderzoek door de politie dat dit akoestisch gezien ook daadwerkelijk mogelijk is. [getuige 2] heeft verklaard dat zij hoorde dat gesproken werd over ‘iemand te vinden wie dat zou doen’, ‘ [voornaam verdachte] moest een persoon hebben uit het buienland, hij kon dat doen en dan vertrekt. Dan kan niemand hem vinden’. Toen de politie [getuige 2] nogmaals vroeg wat zij precies had gehoord tijdens het gesprek, antwoordde zij ‘ [voornaam verdachte] had problemen met die kameraad voor uhh en voor hij wil iets slechts voor hem terug doen en dat was iets over een groot bedrag, er was iets fout gegaan met deze kameraad en het beste is als iemand komt uit het buitenland voor dat werk voor dat schieten en dan (…) kan die hem terugsturen en dan kan hem (onverstaanbaar) vinden’.’ Het eerste wat hij (hof, [kroongetuige / medeverdachte 1] ) zei was dat ik ga dat niet zelf maken maar hij had iemand in de bedoeling die kan het wel doen voor [voornaam verdachte] ’. In een later verhoor heeft [getuige 2] nog verklaard dat [naam verdachte] tijdens het gesprek aan [kroongetuige / medeverdachte 1] had aangeboden om iets te doen, dat [kroongetuige / medeverdachte 1] dit had geweigerd en dat [verdachte] toen aan [kroongetuige / medeverdachte 1] vroeg of hij een buitenlander zou kunnen vinden om naar Nederland te komen. [kroongetuige / medeverdachte 1] antwoordde hierop dat hij al iemand op het oog had. Later heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] tegen haar gezegd dat hij daarmee [medeverdachte 2] bedoelde. Volgens [getuige 2] was er in ieder geval door [verdachte] gesproken over schieten en ook het woord ‘wapen’ is gevallen. [getuige 5] heeft verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] voor de moord in dezelfde week bij haar en [getuige 6] thuis is geweest en dat hij toen heeft gezegd dat ‘ [voornaam verdachte] hem opgeruimd wilde hebben’, ‘dat [voornaam verdachte] hem geld had geboden om die vent van kant te maken. Of [getuige 6] mee wilde doen’, ‘ [voornaam verdachte] was het van plan, hij moest het opknappen’, 'want [kroongetuige / medeverdachte 1] was het loopjongetje van [voornaam verdachte] ’. Dan had [verdachte] in Brazilië weer de volle macht over het drugskartel, zo vertelde [kroongetuige / medeverdachte 1] haar. [getuige 5] verklaarde dat [kroongetuige / medeverdachte 1] eerst ‘zou gaan kijken hoe het allemaal daar ineen zat’ (het hof begrijpt: een voorverkenning doen) en had gevraagd of [getuige 6] mee wilde doen. Toen aan [getuige 6] werd voorgehouden dat [getuige 5] had verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] had gezegd dat er een vent moest worden omgelegd, dat [verdachte] daarvoor geld had aangeboden en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] aan [getuige 6] had gevraagd om mee te gaan, antwoordde [getuige 6] : “Dat heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] inderdaad gezegd.” - Over de uitvoering van de opdracht: de voorbereiding Het ronselen van de schutter [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij bij het aanvaarden van de opdracht van [verdachte] al meteen dacht aan de stiefvader van [getuige 2] : [medeverdachte 2] , door [kroongetuige / medeverdachte 1] ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’ genoemd. [medeverdachte 2] kwam bij hem op, omdat hij wist dat die wel wat geld kon gebruiken. Hij wilde polsen hoe [medeverdachte 2] erin zou staan om iemand voor geld te doden. Hij heeft [medeverdachte 2] bij verschillende gelegenheden in Letland benaderd. Tijdens het eerste gesprek, eind juli/begin augustus 2012, heeft hij met [medeverdachte 2] besproken of deze het leuk zou vinden om naar Nederland te komen. Ongeveer een week later is [kroongetuige / medeverdachte 1] opnieuw naar Letland gevlogen en heeft hij met [medeverdachte 2] gesprekken gevoerd of hij in Nederland iets wilde verdienen. [kroongetuige / medeverdachte 1] had hem verteld dat hij bij een autobedrijfje wat aan auto’s kon sleutelen. Die communicatie verliep met handen en voeten. [medeverdachte 2] sprak geen Engels. [kroongetuige / medeverdachte 1] kende slechts een aantal woorden Russisch en als [getuige 2] aanwezig was, dan tolkte zij. Tussen die eerste twee gesprekken met [medeverdachte 2] heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] aan [verdachte] laten weten dat hij wilde aftasten hoe [medeverdachte 2] in elkaar zat. [verdachte] heeft toen gezegd dat [kroongetuige / medeverdachte 1] het rustig aan moest doen en het goed moest aanpakken. Pas toen hij voor de derde keer in Letland was, heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] [medeverdachte 2] in diens garage over de opdracht verteld, zo heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard. [kroongetuige / medeverdachte 1] had een briefje gemaakt en daarop € 40.000,00 geschreven. Dit briefje had hij naar [medeverdachte 2] geschoven en met handen en voeten duidelijk gemaakt dat hij naar Nederland moest komen om iemand dood te maken. Hij heeft met zijn handen een schietende beweging gemaakt en het Russische woord voor man genoemd. Ook heeft hij nog met zijn handen een snijbeweging langs zijn keel gemaakt. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard dat hij, om duidelijk te maken dat het om een man ging en niet om een vrouw, zijn eigen geslachtsdelen heeft beetgepakt en vervolgens borsten heeft uitgebeeld, waarna hij met zijn vinger van links naar rechts heeft bewogen. [medeverdachte 2] heeft daarop gezegd: “da da” oftewel: “is goed”. [kroongetuige / medeverdachte 1] is daarna weer terug naar Nederland gevlogen. [verdachte] bleek op dat moment naar Brazilië te zijn. Na terugkomst heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] [verdachte] op de hoogte gebracht, waarna [verdachte] desgevraagd € 4.500,00 à € 5.000,00 aan [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft gegeven om een wapen te betalen en vliegtickets voor de reis van Letland naar Nederland te regelen. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij vervolgens met [getuige 2] en [medeverdachte 2] naar Riga is gereden om daar een nieuw paspoort voor [medeverdachte 2] te bestellen. Hij heeft [getuige 2] geld gegeven om (vlieg)tickets voor [medeverdachte 2] te kopen en is alleen teruggevlogen. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] haar geld heeft gegeven om tickets voor [medeverdachte 2] te kopen en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] toen zelf weer is teruggegaan. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij vervolgens [getuige 7] heeft benaderd om tegen betaling [medeverdachte 2] in huis te nemen. [getuige 7] heeft bevestigd dat zij inderdaad [medeverdachte 2] gehuisvest heeft op verzoek van [kroongetuige / medeverdachte 1] en ook [medeverdachte 2] zelf heeft over het verblijf bij [getuige 7] verklaard. Het wapen [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op het moment dat [verdachte] hem geld gaf voor een wapen, hij al over een wapen beschikte. Dit wapen, een Skorpion, was hem aangeboden tijdens een drugstransactie in Maastricht met een Pool, genaamd [naam persoon 1] . In ruil voor het wapen zou [kroongetuige / medeverdachte 1] dan aan [naam persoon 1] heroïne leveren. Bij deze transactie was volgens [kroongetuige / medeverdachte 1] ook een vriend van hem aanwezig, genaamd [getuige 10] . [getuige 10] heeft dit onderdeel van de verklaring van [kroongetuige / medeverdachte 1] bevestigd. [getuige 10] heeft verklaard dat hij ergens in juli of augustus 2012 samen met [kroongetuige / medeverdachte 1] naar Maastricht is gereden. [kroongetuige / medeverdachte 1] had hem verteld dat hij naar een Pool ging met wie hij zakendeed. Bij een tankstation in Maastricht stapte [kroongetuige / medeverdachte 1] uit de auto en had hij contact met twee mannen. [getuige 10] zag dat [kroongetuige / medeverdachte 1] een wapen meekreeg, een soort bruin/zwarte baby-uzi. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft het wapen in een kast in zijn appartement gelegd, maar daar is het gevonden door [getuige 2] . Daarop is het wapen in bewaring gegeven bij [verdachte] , zo heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard. Deze gang van zaken blijkt ook uit de verklaring van [getuige 2] . Verbalisanten hebben haar een foto van een Skorpion getoond, waarna zij verklaarde dat dit wapen leek op het wapen dat in hun appartement in het huis van [verdachte] had gelegen. ‘Als hij uit elkaar gehaald kan worden, is het dezelfde’, ‘Zo eentje als op de foto van net maar dan zonder demper’. Ze had het wapen in hun appartement in de kast gevonden. [kroongetuige / medeverdachte 1] had het toen aan [naam verdachte] gegeven. [getuige 2] heeft gezien dat [verdachte] het wapen in- en uit elkaar haalde. Ook de getuige [getuige 8] heeft verklaard dat hij de Skorpion ongeveer twee maanden voor de moord in de slaapkamer van [kroongetuige / medeverdachte 1] in de villa in [plaats 1] (het hof begrijpt: het appartement van [kroongetuige / medeverdachte 1] in de villa van [verdachte] ) heeft gezien. De voorverkenning [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij twee personen benaderd heeft om [medeverdachte 2] naar de woning van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] te brengen. Dat wilde hij namelijk zelf in eerste instantie niet doen. Achtereenvolgens heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] , zo heeft hij verklaard, [getuige 6] en [getuige 8] benaderd voor de rol van chauffeur. [getuige 6] wilde eerst op voorverkenning, maar die voorverkenning is er niet van gekomen omdat [getuige 6] en [kroongetuige / medeverdachte 1] onderweg naar Venlo werden aangehouden vanwege bellen achter het stuur. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft [getuige 6] bevestigd dat hij door [kroongetuige / medeverdachte 1] is meegevraagd naar Venlo. Ook heeft hij het verhaal over de aanhouding bevestigd. Die (reden van) aanhouding van [kroongetuige / medeverdachte 1] als bestuurder en [getuige 6] als bijrijder (op 12 september 2012) blijkt ook uit politiegegevens. [getuige 6] bedankte uiteindelijk voor de opdracht, zo heeft ook diens partner [getuige 5] verklaard. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij op 24 oktober 2012 in de avond woorden met [verdachte] heeft gekregen. [verdachte] vond het namelijk te lang duren en wilde dat er eindelijk actie zou worden ondernomen. [kroongetuige / medeverdachte 1] haalde vervolgens diezelfde avond nog [getuige 8] op en vroeg hem als chauffeur te fungeren bij de uitvoering van de moordopdracht. [getuige 8] weigerde volgens [kroongetuige / medeverdachte 1] echter om betrokken te raken, toen hij tijdens de voorverkenning met [kroongetuige / medeverdachte 1] de woning van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] herkende. Door de druk die [verdachte] eerder die avond had gezet op [kroongetuige / medeverdachte 1] om actie te ondernemen, besloot [kroongetuige / medeverdachte 1] na de weigering van [getuige 8] om zelf uit te stappen bij de woning van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] om te kijken of de bus van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] op de oprit stond. [kroongetuige / medeverdachte 1] werd vervolgens overlopen door [slachtoffer] . Hij kende [slachtoffer] , omdat hij haar verschillende keren had gezien als hij een boodschap van [verdachte] aan [slachtoffer 2 / benadeelde partij] moest overbrengen. Tijdens het overhaast wegrijden, raakte [kroongetuige / medeverdachte 1] een varkensrug. Dit vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 5] dat [kroongetuige / medeverdachte 1] de volgende dag bij haar en [getuige 6] kwam en vertelde dat hij daar de situatie was gaan bekijken omdat [naam verdachte] hem de opdracht had gegeven om die man om te leggen, maar er was iemand gekomen met een linke hond en toen is hij op de vlucht geslagen. Hij is in de auto gesprongen en heeft die aanrijding gehad. Hij vertelde toen dat hij terug zou gaan, zeggend ‘en dan is hij voor mij’. De verklaring van [kroongetuige / medeverdachte 1] vindt op dit punt tevens steun in de hiervoor weergegeven verklaring van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] en in het technisch onderzoek op de plaats delict in de nacht van 26 oktober 2012 waaruit bleek dat voorbij de opritten naar het perceel [straat slachtoffers 1 en 2] nummer 18 een zogenaamde varkensrug omver lag met daarnaast in de grond een bandenspoor Ook [getuige 8] heeft verklaard dat hij met [kroongetuige / medeverdachte 1] bij de woning van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] is geweest en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] daar door [slachtoffer] is overlopen. Toen ze met de auto achteruitreden, raakte [kroongetuige / medeverdachte 1] een varkensrug, waardoor de auto schade opliep. - Over de uitvoering van de opdracht: het schietincident [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een dag na de voorverkenning, 25 oktober 2012, had besloten dat het die dag moest gaan gebeuren, mede door de ruzie met [verdachte] van de dag ervoor. Hij haalde [medeverdachte 2] op bij [getuige 7] en reed rond 17.00/18.00 met hem naar de woning van [verdachte] om de Skorpion op te halen. Door [verdachte] wordt, zo heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard, naast de tas met de Skorpion ook een revolver ter beschikking gesteld. De Skorpion en bijbehorende munitie worden door [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schoongemaakt in de badkamer van de woning van [verdachte] . Bij die schoonmaak worden handschoenen gedragen. Het hof merkt evenals de rechtbank in dat kader op dat er inderdaad geen biologische sporen zijn aangetroffen op de hulzen, kogels en kogeldelen op de plaats delict. In de badkamer heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] nog een keer duidelijk gemaakt aan [medeverdachte 2] dat het die dag ging gebeuren. Hij wees naar de grond, daarmee bedoelde hij vandaag, en maakte een schietgebaar. Alvorens [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de [straat slachtoffers 1 en 2] in Venlo rijden, hebben ze hun mobiele telefoons uitgezet en deze die in de brievenbus bij [getuige 7] gedeponeerd, zo heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard. Uit de telefoongegevens blijkt dat de telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 2] zich op 25 oktober 2012 gedurende de dag hoofdzakelijk heeft opgehouden in een geografisch gebied te Venlo waarin de woning van [getuige 7] is gelegen (het hof begrijpt telkens: bij gebruik van de telefoon een cell-id (antenne van een zendmast) heeft aangestraald die een gebied bereikt waarin de betreffende woning is gelegen). De telefoon in gebruik bij [kroongetuige / medeverdachte 1] bevond zich om 17.07 uur ook in dat gebied. Tussen 18.08 uur en 19.54 uur bevond de telefoon van [kroongetuige / medeverdachte 1] zich in een geografisch gebied waarin de woning van [verdachte] is gelegen. Ook de telefoon van [medeverdachte 2] maakte om 20.08 uur (de eerste registratie sinds 16.15 uur) contact met een cell-id die het gebied kan bereiken waarin de woning van [verdachte] is gelegen. [getuige 7] heeft verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die avond rond half zes bij haar zijn vertrokken. Ze heeft die avond nog telefonisch contact gehad met [kroongetuige / medeverdachte 1] , omdat ze niet op [medeverdachte 2] en hem wilde wachten met het eten. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft toen gezegd dat zij wat later kwamen. Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 oktober 2012 aan het eind van de middag samen bij [getuige 7] zijn geweest en van daaruit samen naar de woning van [verdachte] zijn gegaan, waar zij beiden omstreeks 20.00 waren. Verder blijkt uit de telefoongegevens van het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ) dat zijn telefoon zich die dag tussen 18.00 uur en 21.36 uur in een geografisch gebied bevond waarin zijn eigen woning aan de [adres verdachte] te [plaats 1] is gelegen. Tussen 19.54 uur en 23.30 uur heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] geen telefonische contacten gehad, hetgeen opvallend is omdat er in de twee weken daarvoor tussen die tijdstippen wel veel telefoonregistraties waren. Hieruit kan worden afgeleid dat [kroongetuige / medeverdachte 1] zijn telefoon toen kennelijk heeft uitgezet. Na het telefonische contact tussen de telefoon van [medeverdachte 2] met [getuige 7] om 20.08 uur zijn er geen geregistreerde contacten meer met de telefoon van [medeverdachte 2] . Dat er toen geen telefonisch contact is geweest met de telefoon van [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] past naar het oordeel van het hof in de verklaring van [kroongetuige / medeverdachte 1] dat die beide telefoons voordat hij en [medeverdachte 2] die avond naar de [straat slachtoffers 1 en 2] in Venlo zijn afgereisd in de brievenbus van de woning van [getuige 7] zijn gegooid. [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaarde op 20 oktober 2017 dat als [slachtoffer 2 / benadeelde partij] thuis was, de Vito bus dan op de oprit zou staan. [kroongetuige / medeverdachte 1] zou [slachtoffer 2 / benadeelde partij] aanwijzen zodat hij zou weten om welke persoon het zou gaan en dan zou [bijnaam medeverdachte 2] de klus klaren. Op 26 september 2018 verklaarde [kroongetuige / medeverdachte 1] dat [bijnaam medeverdachte 2] niet wist wie hij moest doodschieten: “De bedoeling was dat als de bus van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] daar zou staan dat (..) ik had me voorgenomen dat ik [bijnaam medeverdachte 2] , als [slachtoffer 2 / benadeelde partij] thuis zou zijn, om hem [slachtoffer 2 / benadeelde partij] aan te wijzen, zodat [bijnaam medeverdachte 2] wist op wie hij moest schieten. Maar [slachtoffer 2 / benadeelde partij] was er niet.” Ter terechtzitting in eerste aanleg op 3 oktober 2019: “Ik wist niet of [medeverdachte 2] een goede schutter was” (p-v terechtzitting pagina 16). En: “Nee ik kon niet met hem (hof, [medeverdachte 2] ) communiceren” (p-v terechtzitting pagina 19), “Als [slachtoffer 2 / benadeelde partij] er was zou ik hem aanwijzen en dan zou ik [medeverdachte 2] zijn ding laten doen. Ik had tijdens de autorit van [getuige 7] naar de villa uitgelegd dat het die dag ging gebeuren. Ik heb hem dat in de badkamer van de villa ook nog eens verteld. Ik zou [slachtoffer 2 / benadeelde partij] aanwijzen aan [medeverdachte 2] . Hoe hij het ging doen, wist ik niet. Het leek mij logisch dat (…) als [slachtoffer] daar liep en [medeverdachte 2] had dat gezien, dat hij dan niet zou schieten. U vraagt mij of wij dat hadden afgesproken. Ik kon niet met hem communiceren. Ik was de taal niet machtig” (p-v terechtzitting pagina 26). Met betrekking tot het schietincident zelf heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] het volgende verklaard. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft de auto in een doodlopend straatje geparkeerd tussen het voetbalveld en een aldaar gelegen tuindersbedrijf. Via een pad tussen de autosnelweg en het voetbalveld zijn ze in het achterste gedeelte van de tuin van de familie [slachtoffer 2 / benadeelde partij] gekomen. Het was er donker. [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] liepen vervolgens samen naar de woning. Ter hoogte van de pilaren (hof, de “stenen penanten” uit het forensisch onderzoek) heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] [medeverdachte 2] duidelijk gemaakt dat hij daar moest wachten en wel bij de meest rechtse pilaar kijkend naar het huis. [kroongetuige / medeverdachte 1] deed dat door naar de grond te wijzen en met zijn hand maakte hij duidelijk “wachten”. Vervolgens maakte hij met zijn arm een draaiende beweging in een cirkel en wees hij met zijn wijsvinger en middelvinger naar zijn ogen, om aan te geven dat hij om de woning zou lopen om te gaan kijken. [medeverdachte 2] is vervolgens daar ter hoogte van de rechterpilaar gaan zitten. [medeverdachte 2] had de Skorpion bij zich en [kroongetuige / medeverdachte 1] droeg de revolver achter zijn broeksband. [kroongetuige / medeverdachte 1] is toen naar de andere kant van de woning gelopen. De bus van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] stond namelijk niet op de oprit en dat zou betekenen dat [slachtoffer 2 / benadeelde partij] niet thuis zou zijn. [kroongetuige / medeverdachte 1] wilde zich ervan vergewissen dat de bus van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] niet aan de andere kant van de woning stond. Omdat [kroongetuige / medeverdachte 1] ook daar niets zag, is hij dezelfde weg weer terug gelopen, over de tweede oprit. Tijdens het teruglopen wenkte [kroongetuige / medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] , een soort van ‘kom hier’ beweging, en riep hem, ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’, in de veronderstelling dat hij achter hem aan zou komen. Toen hij een boom/plant/struik met een plantenbak passeerde, riep hij nog een keer en zwaaide hij nog een keer met zijn hand en liep door. Hij zwaaide en riep in de richting ‘waar hij bij die pilaar’ (het hof begrijpt: in de richting van de stenen penant waar [kroongetuige / medeverdachte 1] [medeverdachte 2] eerder had gepositioneerd). [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] niet kon zien en niet wist of [medeverdachte 2] hem gezien had. Hij heeft ook geen reactie van [medeverdachte 2] gehoord. Op het moment dat hij [medeverdachte 2] voor de tweede keer riep en wenkte, keek hij richting de snelweg en hoorde hij dat er achter hem werd geschoten. Hij schrok, dacht dat er mogelijk vanuit de woning op hem en [medeverdachte 2] werd geschoten, draaide zich om en begon zelf ook te schieten met de revolver. Die heeft hij, zonder concreet ergens op te richten, naar eigen zeggen leeggeschoten. Hij rende terug naar de auto en wachtte daar totdat [medeverdachte 2] ook weer in zou stappen. Die vertelde dat hij had geschoten en sprak van een vrouw en een hond. [kroongetuige / medeverdachte 1] verifieerde dit nog door met zijn handen de welving van borsten na te bootsen. [kroongetuige / medeverdachte 1] reed vervolgens samen met [medeverdachte 2] weg in de richting van Duitsland. Onderweg worden de handschoenen van [medeverdachte 2] , de hulzen van de revolver en het magazijn van de Skorpion weggegooid. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij tijdens de autorit boos is geworden op [medeverdachte 2] , omdat het helemaal niet de bedoeling was om op de vrouw te schieten. Uiteindelijk is [kroongetuige / medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] naar [getuige 6] gereden. Daar heeft hij van alles geroepen en aan [getuige 6] en [getuige 5] verteld dat er geschoten was. De Skorpion heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] bij [getuige 6] achter gelaten. Ook [getuige 6] en diens partner [getuige 5] hebben verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (“ [bijnaam medeverdachte 2] ”) die avond na de moord bij hen thuis zijn geweest. [getuige 5] heeft verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] stuiterend binnenkwam, echt heel druk en helemaal in paniek was. Volgens [getuige 6] en [getuige 5] zou hij hebben gezegd: “de verkeerde is neergeschoten”, “Het was een vrouw” en dat het “gigantisch is fout gegaan”. Ook heeft [getuige 6] verklaard op de vraag wat [kroongetuige / medeverdachte 1] hem heeft verteld over waarom die moord is gebeurd, dat [kroongetuige / medeverdachte 1] hem had gezegd ‘dat dit via [voornaam verdachte] was’. [getuige 6] heeft verder verklaard dat hij het wapen inderdaad in huis heeft gehad en ook [getuige 5] heeft verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] het wapen heeft achtergelaten bij [getuige 6] . [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij na het bezoek aan [getuige 6] en [getuige 5] met [medeverdachte 2] naar [getuige 7] is gereden. Hij wilde de revolver in de keuken bij [getuige 7] verstoppen, maar [getuige 7] wilde dat niet. Deze gang van zaken vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 7] . Vervolgens heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard dat hij [medeverdachte 2] bij [getuige 7] heeft achtergelaten en is hij zelf naar [getuige 9] gereden waar hij de revolver voor een nacht heeft achtergelaten. [getuige 9] heeft verklaard dat hij ermee instemde om de revolver een nachtje voor [kroongetuige / medeverdachte 1] te bewaren. Zoals hiervoor al is vermeld, zijn er op 25 oktober 2012 tussen 19.54 en 23.30 uur geen telefoonregistraties geweest van de telefoon van [kroongetuige / medeverdachte 1] . De eerste registratie na de moord, om 23.30 uur, betreft een uitgaand sms-bericht van [kroongetuige / medeverdachte 1] aan [verdachte] . [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft naar eigen zeggen nog wat rondgereden alvorens hij naar de woning van [getuige 7] is teruggekeerd, waar hij heeft geslapen. In de ochtend is hij naar zijn moeder gereden en daar hoorde hij pas dat ze de vrouw van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] niet alleen hadden neergeschoten, maar dat zij doodgeschoten was. Vervolgens heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] de revolver opgehaald bij [getuige 9] en is hij naar de woning van [verdachte] gereden. De revolver heeft hij bij de woning van [verdachte] in de Maas gegooid. [kroongetuige / medeverdachte 1] is daarna de woning van [verdachte] binnengegaan en heeft [verdachte] verteld dat [medeverdachte 2] de vrouw had doodgeschoten. [verdachte] reageerde door te gebaren dat [kroongetuige / medeverdachte 1] stil moest zijn en vroeg hem of [kroongetuige / medeverdachte 1] nog iets nodig had. [kroongetuige / medeverdachte 1] vraagt hem dan om geld. In de tijd dat de partner van [verdachte] een geldbedrag van € 1.000,00 of € 1.500,00 ophaalt bij de frituur, frist [kroongetuige / medeverdachte 1] zich op en pakt zijn spullen. Dat [kroongetuige / medeverdachte 1] toen [verdachte] heeft bezocht, is door [verdachte] bevestigd. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij daarna [medeverdachte 2] met diens spullen heeft opgehaald en dat zij, na een bezoek aan [getuige 6] , samen naar Letland zijn gereden. Deze reis wordt bevestigd door [medeverdachte 2] en [getuige 2]. [getuige 2] vermoedde, zo heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard, hun betrokkenheid, maar werd in die vermoedens niet door hem bevestigd. Steeds als ze hem ernaar vroeg, zegt [kroongetuige / medeverdachte 1] niets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben. [getuige 2] heeft ook verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] haar nooit iets heeft verteld over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] , maar dat [medeverdachte 2] haar later wel in een stomdronken bui (hij was volgens [getuige 2] ‘kutzat’) heeft verteld dat hij de verkeerde persoon heeft doodgeschoten. ‘Toen wij zijn opgepakt met die zaak (…) ik was twee dagen hier gezeten (…) toen ik naar huis kom, toen heb ik gesproken met [medeverdachte 2] over deze zaak en hij had teveel gedronken (…) Toen heb ik gevraagd wat hij heeft gedaan toch in Nederland. (…) Toen ik werd vrijgelaten ergens eind november (hof: 2012) heeft hij dat gezegd (…) Hij was kutzat en hij was aan het huilen (…) toen hij mij dat vertelde. (…) (onverstaanbaar) iemand dood maken, maar daar was iets misgegaan. Heeft die die persoon of verkeerde persoon geschoten (…) ongeveer 12, 12 keer (…) daar was een meisje dat was met de hond aan het lopen. (…) Bij die voordeur (…) Ja een vrouw. (…) Omdat hij (hof, [medeverdachte 2] ) begon te schieten, is er iets bij hen misgegaan. Er was iets met de hond. Hij zat dronken te huilen omdat hij een vrouw zou hebben vermoord. Hij zou haar hebben doodgeschoten’. [medeverdachte 2] heeft, na in eerste instantie bij de politie telkens te hebben ontkend iets met de moord te maken te hebben, na het naar buiten komen van de kluisverklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] op 27 augustus 2019, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep zijn betrokkenheid bij de moord erkend. Hij heeft verklaard dat hij op 25 oktober 2012 door [kroongetuige / medeverdachte 1] is opgehaald bij [getuige 7] , dat zij samen naar de woning aan de [adres slachtoffers 1 en 2] zijn gegaan, dat [kroongetuige / medeverdachte 1] hem een wapen heeft gegeven en dat zij daar allebei hebben geschoten en dat zij schuldig zijn aan de moord op [slachtoffer] . Ook heeft hij verklaard over de aanwezigheid van twee wapens: een automatisch wapen en een revolver. Bewijsoverwegingen De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] - Het verloop van het eerste verhoor Op 21 maart 2013 is [getuige 2] in Jelgava (Letland) voor het eerst als getuige gehoord ter uitvoering van een rechtshulpverzoek. De verdediging hangt haar verweer met name aan het verloop van dit verhoor op. Aan het begin van dit verhoor is haar voorgehouden dat zij was opgeroepen om een getuigenverklaring af te leggen in de zaak van de moord op [slachtoffer] in oktober 2012, de vrouw van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] , waarin [kroongetuige / medeverdachte 1] (hof: [kroongetuige / medeverdachte 1] ) verdachte was. Op dat moment antwoordde zij nog dat dit haar niks zei, maar al snel (toen het ging over hoe zij haar toenmalige partner [kroongetuige / medeverdachte 1] had leren kennen en waar zij in Nederland hebben verbleven) verklaarde zij (uit zichzelf) over [naam verdachte] . Zij verklaarde dat zij samen met [kroongetuige / medeverdachte 1] aan de [adres verdachte] te [plaats 1] had gewoond in een groot huis van de vriend van [kroongetuige / medeverdachte 1] , [naam verdachte] (dossierpagina 2484-2485). Enige tijd later in het verhoor sprak [getuige 2] uit eigen initiatief over haar stiefvader, [medeverdachte 2] (dossierpagina 2497 e.v.). [getuige 2] verklaarde toen met name over de reis naar en het verblijf in Nederland van [medeverdachte 2] en de drugsactiviteiten van [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] was drie dagen eerder, op 18 maart 2013, door de politie als verdachte van de moord aangemerkt (dossierpagina 6014). Op de latere vraag aan [getuige 2] wat zij over de moord op [slachtoffer] wist, antwoordde zij ‘Ik heb dat wel gelezen op Panorama of zoiets’, maar toen de verbalisant opmerkte dat zij meer wist, verklaarde [getuige 2] ‘Ik denk dat u het over dit onderwerp beter met [medeverdachte 2] kunt hebben. Hij weet heel zeker meer dan ik’ (…) Hoe lang ik heb geprobeerd [kroongetuige / medeverdachte 1] zo ver te krijgen dat hij mij het zou vertellen, hij bleef zeggen dat hij er niets mee te maken heeft’. Zij verklaarde: ‘Er stond een artikel in de Panorama. (…) Als je dit leest dan komen veel dingen je bekend voor. (…) Ik heb een paar ervaringen gehad met rechtszittingen en strafzaken. Het enige wat ik heb begrepen is dat ik me er beter niet mee moet bemoeien. (…) U vraagt mij met welke zaak. Met deze zaak. (…) De politie moet helpen maar hier was het andersom. Ik wil me niet met deze zaak bemoeien.’ (dossierpagina 14766-14767). ‘Alles wat ik weet, heb ik ergens gehoord (cursivering hof), iets gelezen’. (Op de vraag van wie zij de informatie heeft die ze weet): ‘Beetje van [kroongetuige / medeverdachte 1] , beetje van mijn stiefvader of uhh ja als je de Panorama leest dan staat daar al heel veel’ (dossierpagina 14767-14768). Nadat een van de Nederlandse verbalisanten aangaf dat hij dit werk al 30 jaar deed en dat hij aan [getuige 2] zag dat zij het wist, antwoordde zij: ‘Misschien wel, misschien niet, ik kan het niet voor 100% zeggen. (…) Vorige week was [medeverdachte 2] (…) thuisgekomen kutzat en hij was proberen mij kapot te snijden voor ik zeg niets tegen de politie. Dus eigenlijk ik wil niets te maken hebben met die zaak (…) [medeverdachte 2] is slechts de helft van het ellende.’ (dossierpagina 14768). Hierna werd (op verzoek van [getuige 2] ) een rookpauze ingelast waar mogelijk de Letse verbalisant [verbalisant 2] met haar is meegegaan, want hij is niet betrokken bij het onderonsje tussen de Nederlandse verbalisanten tijdens de pauze (dossierpagina 14769-14770). Nadat het verhoor werd hervat, begon verbalisant [verbalisant 2] met 'Zij is bang voor [medeverdachte 2] '. Toen een van de Nederlandse verbalisanten vroeg wat [medeverdachte 2] haar, haar moeder en anderen aan zou kunnen doen, antwoordde [getuige 2] met: "Dezelfde als met [slachtoffer] " (dossierpagina 14770). Enige tijd later verklaarde [getuige 2] dat [medeverdachte 2] dat over het kapot snijden had gezegd ‘Omdat hij is bang dat ik kan iets vertellen’ (dossierpagina 14771). Hier werd vervolgens door de verbalisanten op doorgevraagd: ‘Waarom is hij bang dat jij iets kunt vertellen? Als hij niets gedaan heeft hoeft hij niet bang te zijn dat jij iets kunt vertellen tegen de politie. Ik wil alleen weten wat hij gedaan heeft op 25 oktober in Venlo. Hoe weet jij dat? Wie heeft je dat verteld?’ [getuige 2] antwoordde (twee keer): ‘Hijzelf’. (dossierpagina 14771) Even later vroeg de verbalisant wat [medeverdachte 2] haar had verteld. Hierop volgde een stilte, waarop de verbalisant zei: ‘Gooi het eruit meisje. (stilte huilend) Doe het voor jezelf maar doe het ook voor de moeder van die 2 kinderen’. Hierop volgde weer een stilte waarbij [getuige 2] huilde en vroeg “En op de rechtbank kan hij dan zien dat het mijn verklaring is”, waarop de verbalisant zei “Ja [getuige 2] dat is zo. Dat kan hij.” De verbalisanten hebben hierop (indringend) doorgevraagd over wat [medeverdachte 2] haar had verteld, waarbij ook ander bewijsmateriaal werd voorgehouden (dossierpagina 14772). [getuige 2] antwoordde uiteindelijk: ‘En de belangrijkste persoon in de hele zaak is nog steeds buiten. (…) In de Panorama staat verkeerd de naam geschreven. [naam] .’ Vraag verbalisant M: ‘Hoe heet die met de achternaam?’. Antwoord [getuige 2] : ‘ [naam verdachte] . [slachtoffer] was die vrouw van die compagnon van hem.’ (dossierpagina 14772). Even later heeft [getuige 2] uiteindelijk de voor het bewijs gebezigde verklaringen afgelegd, te weten – kort gezegd – dat
(1)zij van [medeverdachte 2] heeft gehoord dat hij een vrouw heeft doodgeschoten, dat het mis was gegaan en hij de verkeerde persoon had doodgeschoten (dossierpagina 14773, 14774 en 14778-14779) en
(2)dat zij in de woning van [verdachte] in [plaats 1] vanuit de badkamer heeft gehoord dat [verdachte] aan [kroongetuige / medeverdachte 1] de opdracht had gegeven om iemand uit het buitenland te vinden om een moord te plegen (dossierpagina 14775 tot en met 14777). - Oordeel over de betrouwbaarheid Uit de inhoud en het verloop van het verhoor (in het bijzonder uit de hiervoor weergegeven passages) leidt het hof af dat de getuige [getuige 2] aanvankelijk onwelwillend stond tegenover het afleggen van een verklaring (over de moord), omdat zij bang was voor de gevolgen en aangaf dat zij niets met de zaak te maken wilde hebben, terwijl uit het dossier en het verhoor blijkt dat zij nauwe relaties en banden had met direct betrokkenen in de onderhavige strafzaak. Verder deed zij verschillende uitlatingen in het verhoor die erop neerkwamen dat zij ook zelf informatie had over de zaak. Zij verklaarde immers onder meer dingen te weten die zij had gehoord van [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , dat [medeverdachte 2] meer wist van de moord en dat [medeverdachte 2] haar – zo begrijpt het hof – had bedreigd met de dood wanneer zij zou gaan verklaren. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat het, mede gezien de aard en ernst van de strafzaak, logisch en aanvaardbaar is dat de verbalisanten de getuige indringend hebben ondervraagd en daarbij enige mate van druk hebben uitgeoefend en opmerkten dat zij aan haar zagen dat ze meer over de moord wist. Naar het oordeel van het hof is echter niet gebleken dat er door de verhorende verbalisanten sturende vragen zijn gesteld of grote psychische, bedreigende, ongeoorloofde druk op de getuige is uitgeoefend waardoor de conclusie zou moeten luiden dat haar verklaring niet in vrijheid is afgelegd. Zoals hierboven al is vermeld, heeft de getuige bepaalde belangrijke informatie die erop duidde dat zij meer van de zaak wist, reeds verklaard voordat de verbalisanten hierop doorvroegen, zoals ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte 2] (dossierpagina. 14766) en [verdachte] (dossierpagina 14772) bij de moord. Dat de verbalisanten haar vervolgens stevig aan de tand hebben gevoeld, namen hebben genoemd en zelfs deels hun visie op de zaak hebben medegedeeld, is in de gegeven omstandigheden niet onoorbaar. Zij hebben haar correct voorgelicht wat met haar verklaring zou gebeuren. Ook de omstandigheid dat aan [getuige 2] is voorgelegd dat de politie haar na het afleggen van een volledige verklaring, wat een halfuur zou duren, zou laten gaan, brengt nog niet mee dat de verklaring niet in vrijheid is afgelegd. Ook acht het hof niet aannemelijk geworden dat tijdens de rookpauze, die plaatshad kort voor de voor het bewijs gebezigde verklaringen, ontoelaatbare druk door de Letse verbalisant [verbalisant 2] is uitgeoefend. De enkele omstandigheid dat deze verbalisant na de pauze aangaf dat [getuige 2] bang voor [medeverdachte 2] was, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof merkt op dat [getuige 2] al eerder in het verhoor had verklaard over bedreigingen door [medeverdachte 2] aan haar adres als zij met de politie zou praten (dossierpagina 14768). Dat er dan wordt doorgevraagd over mogelijke sluimerende angsten bij [getuige 2] om te verklaren over de zaak, is niet verwonderlijk en niet ongeoorloofd. Het moment dat [getuige 2] begint te verklaren, vindt overigens pas enige tijd later plaats (dossierpagina 14772 en verder). Ook voor de suggestie van de verdediging (pleitnota 1 nr. 83: “indruk”, “vermoeden”) dat [getuige 2] in een pauze tijdens het verhoor van 6 november 2013 mogelijk door een verhoorder is beïnvloed waaraan de omslag in haar verklaring zou zijn te wijten, is geen enkele aanwijzing. Het hof overweegt in dit kader voorts dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 2] over hetgeen [medeverdachte 2] tegen haar had gezegd – nadat zij al had verteld dát zij via [medeverdachte 2] informatie had over de moord – uiteindelijk tot stand is gekomen na open vragen van de politie (“Wat heeft [medeverdachte 2] jou nou verteld wat daar is gebeurd 25 oktober ’s-avonds?, Waarom?, Wat zei hij toen?, En wat vertelde hij jou dan? Wat was er gebeurd?, Welk wapen heeft hij daarbij gebruikt, wat heeft hij daarover verteld?, Heeft hij gezegd hoe vaak hij geschoten heeft?” dossierpagina 14773-14774). [getuige 2] heeft hierna zelfs uit eigen beweging, zonder dat daar (specifiek) naar werd gevraagd, verklaard over de opdracht die [verdachte] in diens villa aan [kroongetuige / medeverdachte 1] zou hebben gegeven (dossierpagina. 14775). De vragen van de verbalisanten zagen immers op de betrokkenheid van [kroongetuige / medeverdachte 1] en wat zij daarover wist, waarop [getuige 2] uit zichzelf begon te verklaren over het keukengesprek dat zij vanuit de badkamer had gehoord tussen [kroongetuige / medeverdachte 1] en [verdachte] Anders dan de verdediging heeft gesteld, is het hof van oordeel dat de vraag die de verhoorder na de verklaring van [getuige 2] over het litigieuze gesprek tussen [verdachte] en [kroongetuige / medeverdachte 1] stelde, niet kan worden aangemerkt als een sturende/suggestieve vraag waarbij woorden in de mond van de getuige zijn gelegd. [getuige 2] had even daarvoor – spontaan – verklaard dat er voor de moord gesprekken waren geweest over het vinden van iemand “wie dat zou doen”, dat zij had gehoord dat [verdachte] een persoon uit het buitenland moest hebben ‘hij kon dat doen en dan vertrekt, dan kan niemand hem vinden’. De vragen die volgden (“En hoe weet jij dat”, “In welke keuken” en “Dus als ik jou goed begrijp (…) niet te vinden is?”) zijn naar het oordeel van het hof niets meer dan logische verduidelijkingsvragen waarin achtereenvolgens werd gevraagd naar de bron van haar wetenschap, naar een nadere specificatie van het gegeven antwoord en waarin de op de vragen volgende antwoorden van [getuige 2] zo concreet mogelijk werd samengevat. [getuige 2] antwoordde bevestigend op de gegeven samenvatting. Het voorgaande heeft naar het oordeel van het hof ook te gelden voor de politieverhoren van [getuige 2] in Nederland d.d. 5 en 6 november 2013, waarin zij haar verklaring van 21 maart 2013 heeft bevestigd en een en ander nader (en uitvoeriger) heeft toegelicht. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat tijdens die verhoren sprake is geweest van ongeoorloofde druk of beïnvloeding van de getuige door de verhoorders, en dat deze druk [getuige 2] heeft gebracht tot uitlatingen die niet waar zouden zijn. Ook in de aangehaalde passage van het verhoor van 6 november 2013 in pleitnota nr. 87 zijn de relevante dikgedrukte passages te kenschetsen als een samenvatting van een eerder antwoord en/of een open vraag en niet als suggestieve sturende nuances zoals de verdediging beweert: “Je noemt nou expliciet het woord dat ie moest komen voor die moord, zeg je. Voor die moord. Waar baseer jij dit op”; “Maar wat heb jij daar dan expliciet gehoord? Wat is daar dan gezegd” (betrof een vraag over haar eerder afgelegde badkamerverhaal) etc. Het hof merkt, net als de rechtbank (p. 5 vonnis), nog op dat [getuige 2] op 11 juli 2017 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij zich tijdens de verhoren d.d. 21 maart 2013 en 5 en 6 november 2013 niet onder druk gezet voelde door de politie, dat ze daar naar waarheid heeft verklaard en dat de verhoren in november 2013 veel beter gingen dan het verhoor van 11 juli 2017 (waar de verdediging wel bij aanwezig was), omdat de sfeer toen niet zo gespannen was. Ook de duur van de verhoren in Letland d.d. 21 maart 2013 en Nederland d.d. 5 en 6 november 2013, is naar het oordeel van het hof niet als ongeoorloofd lang te beschouwen. Dat de verhoren lang hebben geduurd is op zichzelf juist, maar dit kan ook worden verklaard door de omvang en complexiteit van de zaak en het belang van de waarheidsvinding met betrekking tot de zeer ernstige feiten waarover [getuige 2] werd verhoord. Door de verdediging is overigens op geen enkele wijze onderbouwd – anders dan door in zijn algemeenheid te verwijzen naar literatuur over risico’s die kleven aan lange verhoren en door te benoemen dat op 6 november 2013 is besproken dat verbalisanten en getuige moe waren van het lange verhoor van de dag ervoor (punten 90 en 92 pleitnota 1) – waarom om die reden sprake is geweest van beïnvloeding van de getuige. Veeleer blijkt uit de verklaringen dat de verbalisanten op een zorgvuldige wijze stap voor stap tot in detail hebben doorgevraagd naar wat er zich op de verschillende momenten precies heeft afgespeeld en wat [getuige 2] zich daarvan kon herinneren. Zij is correct voorgelicht over dat haar verklaring bekend zou worden bij de personen waarover ze zou verklaren en er zijn steeds rustpauzes ingelast. Daarbij komt dat [getuige 2] op alle vragen consistent en gedetailleerd antwoord heeft gegeven, in het bijzonder ten aanzien van de voor het bewijs gebezigde verklaringen. Zij is meermalen langdurig verhoord, maar is nergens op teruggekomen, ook niet tijdens het verhoor door de rechter-commissaris op 11 juli 2017. - Beïnvloeding door [kroongetuige / medeverdachte 1] en/of het artikel in Panorama? Het hof is voorts van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2] – zowel met betrekking tot de uitspraken van [medeverdachte 2] als het ‘keuken/badkamerverhaal’ – een authentieke indruk maken, waarbij zij details naar voren bracht die tot dat moment nog door niemand anders waren verklaard of op een andere manier uit het onderzoek waren gebleken en ook niet in het artikel van de Panorama stonden. Geen beïnvloeding door [kroongetuige / medeverdachte 1] Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de verklaring van [getuige 2] door beïnvloeding van [kroongetuige / medeverdachte 1] tot stand is gekomen. Het hof stelt, net als de rechtbank, vast dat de verklaringen van [getuige 2] en [kroongetuige / medeverdachte 1] (op wezenlijke onderdelen) op elkaar aansluiten, maar niet één-op-één gelijkluidend zijn. Deze verschillen in hun verklaringen zijn naar het oordeel van het hof niet onlogisch, omdat ze ieder vanuit hun eigen perspectief en vanuit hun eigen herinnering over de situatie hebben verklaard. Het feit dat de verklaringen van [getuige 2] en [kroongetuige / medeverdachte 1] op een aantal onderdelen verschillen, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof eerder de conclusie dat deze niet op elkaar zijn afgestemd, dan de conclusie dat de verklaring van [getuige 2] daardoor onbetrouwbaar is. Voorts overweegt het hof dat de verklaring van [getuige 2] niet alleen steun vindt in de verklaring van [kroongetuige / medeverdachte 1] maar ook in andere hiervoor gebezigde bewijsmiddelen (bijvoorbeeld met betrekking tot het wapen in de verklaring van [getuige 8] en met betrekking tot het ‘keuken-/badkamerverhaal’ in de daadwerkelijke komst van haar stiefvader [medeverdachte 2] naar Nederland en zijn uit andere verklaringen blijkende betrokkenheid bij de moord). Het hof zal hieronder nog ingaan op een drietal door de verdediging opgeworpen argumenten die erop zouden wijzen dat [getuige 2] met betrekking tot haar ‘badkamer/keukenverhaal’ is beïnvloed door [kroongetuige / medeverdachte 1] . Ten aanzien van de door de verdediging opgeworpen stelling dat [getuige 2] heeft verklaard dat zij tijdens het ‘keuken-/badkamerverhaal’ heeft gehoord dat [verdachte] iemand uit het buitenland wilde halen om iemand te schieten, terwijl volgens [kroongetuige / medeverdachte 1] het woord schieten niet is gevallen, overweegt het hof dat [kroongetuige / medeverdachte 1] op 20 oktober 2017 zelf heeft verklaard dat [verdachte] en hij reeds in het eerste gesprek (hof: het keuken-/badkamergesprek) erover hadden gesproken dat [slachtoffer 2 / benadeelde partij] met een vuurwapen moest worden opgeruimd (dossierpagina 14362). Daarmee is zijn verklaring naar het oordeel van het hof op dit punt niet strijdig met die van [getuige 2] . Voorts acht het hof niet aannemelijk geworden dat [getuige 2] niet kan hebben gehoord wat [verdachte] tegen [kroongetuige / medeverdachte 1] zou hebben gezegd, omdat zij geen (Limburgs) dialect kon verstaan, zoals door de verdediging is aangevoerd. Zo sprak [getuige 2] tijdens het verhoor van 21 maart 2013 in de Nederlandse taal met de Nederlandse verbalisanten, waarvan zij aangaf dat zij dit voldoende sprak en begreep (dossierpagina 14748). Verder verklaarde zij dat tijdens het ‘keuken-/badkamergesprek’ Nederlands werd gesproken, ‘gewoon op Limburgs niet met die hoge accent van Amsterdam of zo, net als ik dat hebben ze mij geleerd’. [getuige 2] verklaarde dat zij van ‘echt Nederlands’ niets begreep, maar wel begreep waar het gesprek tussen [verdachte] en [kroongetuige / medeverdachte 1] over ging, want zo sprak zij altijd. Een van de Nederlandse verbalisanten merkte vervolgens op dat [getuige 2] op dat moment ook een beetje dialect sprak (dossierpagina 14779). De enkele omstandigheid dat zij ruim 4 jaren later bij haar verhoor bij de rechter-commissaris (toen zij al geruime tijd niet meer in Nederland woonde), op enkele vragen die de raadsman mr. [raadsman] in (zijn) Limburgse dialect stelde, aangaf dat zij dit slechts gedeeltelijk kon verstaan, maakt nog niet dat zij het gesprek tussen [verdachte] en [kroongetuige / medeverdachte 1] in 2012 niet kan hebben verstaan. Het hof merkt overigens op dat [getuige 2] ook tijdens dat verhoor (op verzoek van de rechter-commissaris) Nederlands heeft gesproken. Evenmin is aannemelijk geworden dat [getuige 2] het gesprek feitelijk niet kan hebben verstaan omdat de keukendeur dicht was en zij in de badkamer wasjes aan het draaien was. Dat de wasmachine aanstond blijkt nergens uit. [getuige 2] heeft daarover verklaard dat zij bezig was met het ophangen van de natte was en van de wasmachine richting de badkamer liep om daar de was op de radiator te hangen. Ze liep op en neer. De keukendeur was dicht, maar de badkamerdeur was open. Toen zij buiten (het hof begrijpt: buiten de badkamer) stond, hoorde zij het gesprek, werd nieuwsgierig en begon mee te luisteren. (dossierpagina 10107-10108). Verder heeft [kroongetuige / medeverdachte 1] verklaard dat er tijdens het gesprek met [verdachte] geen apparaten aanstonden (dossierpagina 14451). Geen beïnvloeding door het artikel in Panorama Tot slot acht het hof niet aannemelijk geworden dat [getuige 2] haar wetenschap over de zaak heeft gebaseerd op het artikel in de Panorama. Weliswaar heeft [getuige 2] aanvankelijk op de vraag wat zij wist over de moord verklaard dat zij dat had gelezen in de Panorama ‘of zoiets’, maar toen de verbalisant opmerkte dat zij meer wist, verklaarde [getuige 2] “Ik denk dat u het over dit onderwerp beter met [medeverdachte 2] kunt hebben. Hij weet heel zeker meer dan ik (…) Hoe lang ik heb geprobeerd [kroongetuige / medeverdachte 1] zo ver te krijgen dat hij mij het zou vertellen, hij bleef zeggen dat hij er niets mee te maken heeft.” Verder verklaarde zij: ‘Er stond een artikel in de Panorama. (…) Als je dit leest dan komen veel dingen je bekend voor” en “Alles wat ik weet, heb ik ergens gehoord (cursivering hof), iets gelezen.”. Op de vraag van wie zij de informatie heeft die ze weet: ‘Beetje van [kroongetuige / medeverdachte 1] , beetje van mijn stiefvader of uhh ja als je de Panorama leest dan staat daar al heel veel’ (zie hierboven). Hieruit, en uit de authentieke verklaringen die zij heeft afgelegd met informatie die niet in de Panorama heeft gestaan, kan worden afgeleid dat [getuige 2] hetgeen zij uit eigen wetenschap wist (van [medeverdachte 2] , van het zelf gehoorde ‘keuken/badkamergesprek’, van wat zij zelf in het appartement had gezien), heeft gecombineerd met informatie die ze later in de Panorama las. Zo verklaarde [getuige 2] op een vraag wie erbij was toen [medeverdachte 2] [slachtoffer] had doodgeschoten, dat [medeverdachte 2] dat niet tegen haar had gezegd, maar dat zij vermoedde dat het [kroongetuige / medeverdachte 1] was. Dit dacht zij omdat [kroongetuige / medeverdachte 1] zijn auto niet wilde laten zien en per se wilde dat de auto een andere kleur kreeg, en zij in de Panorama had gelezen dat een dag voor de moord een auto schade had gereden aan een steen (dossierpagina 14774). [getuige 2] koppelde daar dus hetgeen [kroongetuige / medeverdachte 1] haar had verteld aan hetgeen zij in de Panorama had gelezen. En nog iets later verklaarde [getuige 2] dat zij het gesprek met [medeverdachte 2] had gehad vóórdat de Panorama uitkwam en dat toen zij de Panorama las het net zoiets was als een puzzel (dossierpagina 14787). - Conclusie Op grond van de in onderlinge samenhang te beschouwen feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de gang van zaken tijdens de verhoren van de getuige [getuige 2] geen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert. Het hof verwerpt daarom het in dit kader gevoerde verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie c.q. bewijsuitsluiting. Voorts twijfelt het hof, gelet op het hiervoor overwogene en de overige hiervoor genoemde bewijsmiddelen, niet aan de betrouwbaarheid van de genoemde verklaringen van [getuige 2] . Het hof acht deze bruikbaar en bezigt deze tot het bewijs. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] - De verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] zijn gedetailleerd en in de kern consistent Aan de kroongetuige [kroongetuige / medeverdachte 1] is bij het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst duidelijk gemaakt dat hij naar waarheid moest verklaren. Als hij dit niet zou doen, kon het openbaar ministerie de overeenkomst ontbinden (1.4 en 4.1 van de overeenkomst). Voor [kroongetuige / medeverdachte 1] stond daarmee van het begin af aan veel op het spel. De eerste belangrijke toets van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen vond plaats bij de beoordeling van de kluisverklaringen die door [kroongetuige / medeverdachte 1] op 19 en 20 oktober 2017 waren afgelegd, eerst door de politie en vervolgens door de rechter-commissaris. Vervolgens is [kroongetuige / medeverdachte 1] daarna nog diverse malen verhoord door de politie en – waarvan meerdere keren in aanwezigheid van de verdediging – door de rechter-commissaris, de rechtbank en het hof. Deze reeks verhoren duurde tot 6 oktober 2022 toen zijn laatste verhoor bij het hof in dit strafproces plaatsvond. Daarnaast zijn verschillende onderzoekshandelingen verricht, zoals verificatieonderzoeken, (nadere) verhoren van andere getuigen en toevoeging aan het dossier van aanvullende processen-verbaal. In de verhoren van [kroongetuige / medeverdachte 1] is hij geconfronteerd met de vragen die de resultaten van deze onderzoekshandelingen opriepen en is hij hierover (onder meer door de verdediging) zo nodig nader ondervraagd. Het hof is van oordeel dat [kroongetuige / medeverdachte 1] zeer uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Hij heeft niet alleen met betrekking tot het dodelijke schietincident verklaard, maar ook uitvoerig omtrent de periode die daaraan voorafging en die daarop volgde. De verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] bevatten weliswaar op onderdelen enkele kleine discrepanties, doch het hof is van oordeel dat de verklaringen in grote mate en op wezenlijke onderdelen met elkaar overeenkomen. De discrepanties doen geen afbreuk aan de kern van zijn verklaringen. Hoewel de politie, de rechtbank, het openbaar ministerie en de verdediging [kroongetuige / medeverdachte 1] op verschillende momenten kritisch hebben ondervraagd, is deze kern van de verklaringen in de loop der tijd niet gewijzigd. [kroongetuige / medeverdachte 1] is ook ter terechtzitting van het hof van 6 oktober 2022 indringend bevraagd over hetgeen hij eerder had verklaard. Hij is toen – niet alleen op hoofdlijnen maar ook op allerlei essentiële detailpunten – bij zijn uitgebreide eerdere verklaringen gebleven. [kroongetuige / medeverdachte 1] schroomde er toen overigens, bijna 5 jaren na zijn kluisverklaringen en bijna tien jaren na het tenlastegelegde, niet voor om ook aan te geven als hij iets niet meer (zeker) wist en heeft op het hof een betrouwbare indruk gemaakt. Niet alleen omdat zijn verklaringen in de kern consistent zijn gebleven en gedetailleerd zijn door het noemen van data, tijdstippen, persoonsnamen, plaatsnamen, tekeningen en uitvoerige omschrijvingen van gebeurtenissen, maar ook omdat deze op belangrijke onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen, zowel voor wat betreft zijn eigen rol, als de rol van [medeverdachte 2] en [verdachte] . - De verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] vinden bevestiging in andere bewijsmiddelen Door de getuigenverklaring van [getuige 5] Zo heeft [getuige 5] reeds op 26 februari 2013 verklaard dat zij met betrekking tot de moord het een en ander van [getuige 6] , [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gehoord. Deze verklaring maakt op het hof, gelet op de gedetailleerdheid, inhoud en de grote aarzelingen die zij had bij het afleggen ervan, een authentieke indruk. In eerste instantie verklaarde [getuige 5] dat wat zij over de zaak wist uit de Panorama kwam, maar dat ze verder niets van de moord wist of wie er iets mee te maken had, maar na enige tijd liet zij ineens los: ‘Ga naar [kroongetuige / medeverdachte 1] ! [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft het gedaan! Ga! Maar je weet het niet van mij!’ Toen de verbalisant vroeg waar [getuige 5] dit op baseerde verklaarde zij: ‘Omdat hij gevlucht is. (…) Wat ben ik stom hè.’ (dossierpagina 6662). [getuige 5] gaf vervolgens meerdere keren te kennen dat zij bang was dat zij door te verklaren haar partner [getuige 6] erbij betrok en/of hun relatie op het spel zette: ‘ [getuige 6] wil nooit meer iets met me te maken hebben nou’ (dossierpagina 6662) ‘Jong, dit kost mij mijn dood’ (dossierpagina 6663) ‘Ik ben zo bang dat ik [getuige 6] de bajes in lul. Omdat [getuige 6] wat anders gaat vertellen’ (dossierpagina 6664) ‘Wat denk je hoe het dadelijk met mij gaat als [getuige 6] erachter komt dat [ik] jullie verteld heb dat [kroongetuige / medeverdachte 1] die moord heeft gepleegd. Denk je dat [getuige 6] zegt goed zo meisje, dat heb je goed gedaan. [getuige 6] zegt: [getuige 5] flikker maar op. Ik heb jou niet meer nodig’ (dossierpagina 6665) ‘Het kost me wel mijn kop’ (dossierpagina 6665) ‘Dit gaat mijn relatie kosten. Mijn alles’ (dossierpagina 6665) ‘Ik vind het echt niet leuk om zijn kameraad te verlinken maar ik ga dit niet voor de rest van mijn leven meeslepen’ (dossierpagina 6667) Niettegenstaande deze aarzelingen en angsten heeft [getuige 5] zeer uitvoerig verklaard over een gesprek dat [kroongetuige / medeverdachte 1] voorafgaand aan de moord, in dezelfde week, bij [getuige 6] en haar thuis met hen voerde en waarbij hij – kort gezegd – had verteld dat hij de opdracht had gehad van [verdachte] om iemand op te ruimen en dat [verdachte] hem daarvoor geld had geboden. “ [getuige 5] : Schei uit met zoeken. Ga naar [voornaam verdachte] . Hij is de opdrachtgever. [kroongetuige / medeverdachte 1] is de pleger. (…) [voornaam verdachte] wilde die vent opgeruimd hebben. Want die had hem voor miljoenen opgelicht. V: Hoe kom je daarbij?A: [kroongetuige / medeverdachte 1] vertelt dat. Wil je hebben dat ik eerlijk ben. [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft bij mij thuis verteld dat [voornaam verdachte] voor miljoenen is opgelicht in Brazilië. En dat toen [voornaam verdachte] zelf in de knoop zat, die vraagt van haal mij eruit. Heeft die ene lul gezegd, ja ik weet niet hoe hij heet, ik doe het niet en toen heeft [voornaam verdachte] [kroongetuige / medeverdachte 1] net zo lang op liggen jennen van luister doe dat en dan krijg je zoveel geld van mij, knal hem af. En toevallig liep die vrouw daar en…” (dossierpagina 6664). [getuige 5] verklaarde over het motief van de moord zoals zij dat van [kroongetuige / medeverdachte 1] had gehoord (een geldelijk conflict, dossierpagina 6664, en ‘dan had [voornaam verdachte] in Brazilië weer de volle macht over het drugskartel’, dossierpagina 6682). Verder heeft [getuige 5] verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] aan [getuige 6] had gevraagd om mee te gaan op een voorverkenning en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] op de dag van de moord bij haar langs was geweest en had verteld dat hij de dag ervoor (24 oktober 2012) ‘daar’ was geweest (hof: [adres slachtoffers 1 en 2] Venlo) en toen was gesnapt en bij de vlucht tegen een hondsrug (het hof begrijpt: een varkensrug) was aangereden (dossierpagina 6666). Op 26 februari 2013 heeft zij uitgebreid beschreven dat [kroongetuige / medeverdachte 1] en een Rus die ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’ werd genoemd die avond van 25 oktober 2012 laat in paniek bij [getuige 6] en haar thuis langskwamen en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] toen zelf heeft verteld dat zojuist de verkeerde was neergeschoten, een vrouw in plaats van een man, terwijl [medeverdachte 2] op de bank zat met zijn hoofd naar beneden en niemand aan durfde te kijken. Ook heeft zij verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] het wapen (zij spreekt over een uzi) bij [getuige 6] heeft achtergelaten na de moord. Dit zijn allemaal punten waarover [kroongetuige / medeverdachte 1] als kroongetuige ook heeft verklaard, waarbij het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van belang vindt dat ook deze verklaringen niet één op één gelijkluidend zijn, maar wel in de kern elkaar ondersteunen. [getuige 5] is later (25 januari 2017) bij de rechter-commissaris gehoord en is toen bij haar verklaring gebleven. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [getuige 5] haar wetenschap over de moord aan de Panorama heeft ontleend of haar verklaring daarop heeft afgestemd. Weliswaar heeft zij in haar verhoor aanvankelijk wel die indruk gegeven, maar dit kan worden verklaard door het feit dat [getuige 5] (de kameraad van) haar partner [getuige 6] niet wilde belasten om haar relatie met [getuige 6] te behouden. Uiteindelijk, toen zij is gaan verklaren over wat zij had gehoord, heeft zij expliciet aangegeven dat zij haar informatie niet uit de Panorama had, daarbij benoemend welke onderdelen van haar verklaring (de door haar beschreven rollen van [kroongetuige / medeverdachte 1] en van [naam verdachte] ) niet in de Panorama zijn terug te vinden (dossierpagina 6669). Het hof onderschrijft dat laatste: veel details uit de verklaringen van [getuige 5] stonden niet in de Panorama (dossierpagina 4110-4113). Als ander voorbeeld noemt het hof dat in het artikel van de Panorama als het waarschijnlijke motief voor de moord wordt genoemd dat [slachtoffer] zou zijn vermoord om haar partner [slachtoffer 2 / benadeelde partij] ‘te treffen’ of om haar als ‘liefdesrivale’ uit te schakelen, terwijl [getuige 5] heeft verklaard dat volgens [kroongetuige / medeverdachte 1] de verkeerde was doodgeschoten. Gelet op het voorgaande twijfelt het hof niet aan de betrouwbaarheid van voormelde verklaring van [getuige 5] en bevestigt deze aldus de betrouwbaarheid van de overeenkomstige verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] . Door de getuigenverklaring van [getuige 6] Voorts overweegt het hof dat de verklaring van [kroongetuige / medeverdachte 1] en [getuige 5] steun vindt in de verklaring van [getuige 6] . Het hof stelt voorop dat [getuige 6] zeer wisselend heeft verklaard en dat zijn verklaringen de indruk wekken dat hij niet het achterste van zijn tong heeft willen laten zien, mogelijk om zichzelf uit de wind te houden. Het hof stelt echter vast dat [getuige 6] de verklaring van [getuige 5] op een aantal onderdelen heeft bevestigd, namelijk dat [kroongetuige / medeverdachte 1] hem (in een eerder stadium) heeft gevraagd om mee te gaan, dat [kroongetuige / medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ( [bijnaam medeverdachte 2] ) in de avond van de moord bij [getuige 5] en hem thuis zijn geweest en dat [kroongetuige / medeverdachte 1] had gezegd dat hij daar (hof: [adres slachtoffers 1 en 2] Venlo) met [bijnaam medeverdachte 2] was geweest, dat het gigantisch fout was gegaan en dat de verkeerde ‘aanwezig was’. Ook heeft [getuige 6] verklaard dat [kroongetuige / medeverdachte 1] hem heeft gezegd ‘dat dit via [voornaam verdachte] was’. Tot slot heeft hij bevestigd dat hij na de moord een automatisch wapen van [kroongetuige / medeverdachte 1] in huis heeft gehad. Op die onderdelen acht het hof de verklaring van [getuige 6] betrouwbaar en bevestigt deze aldus de betrouwbaarheid van de overeenkomstige verklaringen van [kroongetuige / medeverdachte 1] . Door de getuigenverklaring van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] heeft direct na het dodelijke schietincident tegen de politie verteld dat hij een zakelijk conflict had met [verdachte] en dat [verdachte] hem kort voor de moord had bedreigd met de dood (hij nam net als [getuige 5] en [kroongetuige / medeverdachte 1] het woord ‘opruimen’ in de mond). Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om aan de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 2 / benadeelde partij] te twijfelen. Over dat zakelijke conflict is reeds in 2012/2013 door verscheidene personen verklaard – zoals [getuige 4] , [getuige 5] (de auditu van [kroongetuige / medeverdachte 1] ) en [getuige 3] . [kroongetuige / medeverdachte 1] heeft over dit conflict, dat volgens hem heeft geleid tot de moordopdracht, als kroongetuige uitvoeriger verklaard. Hij heeft daarbij allerlei details genoemd die tot dat moment niet bij de politie bekend waren en wa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.