Parketnummer : 20-002902-21 Uitspraak : 28 november 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 6 december 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-157806-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Door de raadsvrouw van de verdachte is vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden, in die zin dat de bewijsvoering en de bewijsoverweging worden aangevuld en verbeterd, behoudens de opgelegde straf. Bijgevolg zullen de overwegingen van de politierechter, voor zover deze betrekking hebben op de strafoplegging in zijn geheel worden vervangen op de wijze als hierna vermeld. Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de politierechter zijn gegrond vervangen door de hierna opgenomen artikelen. Mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, is het hof van oordeel dat de bewijsvoering de navolgende verbetering en aanvulling behoeft. I. Het hof schrapt uit de door de politierechter gebezigde bewijsvoering het bewijsmiddel ‘het ambtsedig proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, opgenomen als pagina 9 in het proces-verbaal nr. PL2000-2019091875 van de Eenheid Zeeland-West-Brabant, District Zeeland, Basisteam Walcheren’, zoals weergegeven op pagina 3 van het vonnis. II. Het hof vult het bewijsmiddel ‘het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 3 in het proces-verbaal nr. PL2000-2019091875 van de Eenheid Zeeland-West-Brabant, District Zeeland, Basisteam Walcheren’, zoals weergegeven op pagina 2 van het vonnis aan door voor: ‘Ik deelde hem mede dat ik het idee had (…)’ het navolgende in te voegen: Hierop vroeg ik de persoon naar zijn identiteitskaart. Ik zag dat hij uit zijn schoudertas zijn identiteitskaart pakte en ik zag dat de persoon bleek te zijn: [verdachte] , [verdachte] , geboren [geboortedag] 2000. BSN nummer [BSN nummer] . III. Het hof ziet aanleiding om het bewijsmiddel ‘het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen als pagina 7 in het proces-verbaal nr. PL2000-2019091875 van de Eenheid Zeeland-West-Brabant, District Zeeland, Basisteam Walcheren’, zoals weergegeven op pagina 2-3 van het vonnis, aan te vullen en te verbeteren. Omwille van de leesbaarheid wordt het bewijsmiddel evenwel in zijn geheel vervangen in dier voege als hierna vermeld. Op zondag 21 april 2019 werd een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid verdovende middelen welke aan mij ter beschikking werden gesteld (…). Deze partij was in beslag genomen onder de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] en wonende [adres 2] . De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit: nettogewicht 9,9 gram op cocaïne gelijkend substantie verpakt in een transparant plastic zakje/folie nettogewicht 3,7 gram op heroïne gelijkend substantie verpakt in een transparant plastic zakje/folie SPORENLIJST : SIN : AAJD6268NL Monster : Monster uit 9,9 gram vermoedelijk Cocaïne SPORENLIJST : SIN : AAJD6508NL Monster : Totaalpartij 3,7 gram vermoedelijk Heroïne De genoemde bemonstering is, voorzien van de vereiste Spoor Identificatie Nummer, via Team Forensische Opsporing verzonden aan het Nederlands Forensisch Instituut waarbij is verzocht onderzoek in te stellen naar de aard en samenstelling hiervan. IV. Het hof ziet aanleiding om een extra bewijsmiddel op te nemen en voegt toe: - Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 april 2019, inhoudende als verklaring van de verdachte, p. 29: ‘Ik heb mijn sleutels in het tasje gedaan.’ Aanvulling en verbetering bewijsoverweging De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het procesdossier niet in rechte kan worden vastgesteld dat de (schouder)tas met de daarin aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen aan de verdachte toebehoorde. De verklaring van verdachte dat hij de schoudertas kort voor de politiecontrole van een persoon heeft gekregen, waarvan hij de naam niet wil noemen, waarna hij op het moment van aanhouding in die tas een brief met een daaraan gehechte pasfoto van hem heeft opgeborgen, is volgens de raadsvrouw niet onaannemelijk. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de onderzochte poeder en brokjes, die positief zijn getest op de aanwezigheid van cocaïne en heroïne, ook daadwerkelijk de poeder en brokjes betreffen die in de onder de verdachte inbeslaggenomen (schouder)tas zijn aangetroffen, nu de ‘chain of custody’ is doorbroken, althans deze onvoldoende sluitend in het procesdossier is geverbaliseerd. Het hof zal eerst het verweer van de verdediging met betrekking tot het doorbreken van de ‘chain of custody’ bespreken, waarna het zal overgaan tot de aanvullende overweging omtrent het bewijs. Op grond van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het navolgende vast. De verdachte is op 20 april 2019 door de politie gecontroleerd naar aanleiding van het vermoeden dat hij zich schuldig zou maken aan het dealen van drugs. Immers, was door verbalisant [verbalisant 1] waargenomen dat de verdachte naast een auto stond en door het geopende raam sprak met de inzittende van dit voertuig. De verdachte had op dat moment een stapel contant geld in zijn handen, welke hij door het geopende raam overhandigde aan de bijrijder in de auto. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte daarop gevraagd of hij in de (schouder)tas, die de verdachte op dat moment om zijn schouder droeg, mocht kijken. De verdachte heeft de (schouder)tas geopend, waarna verbalisant [verbalisant 1] in de tas een plastic zakje met daarin wit poeder heeft waargenomen. Daarmee geconfronteerd verklaarde verdachte volgens de verbalisant dat het witte poeder waarschijnlijk “mixpoeder” was. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte vervolgens medegedeeld dat hij zou worden aangehouden, waarop de verdachte is weggerend. Bij diens vlucht is de (schouder)tas bij de politie achtergebleven. In de (schouder)tas zijn door verbalisant [verbalisant 1] diverse bolletjes met wit en bruin poeder aangetroffen. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2019, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] (pagina’s 3-4), in verbinding met het zich in het procesdossier bevindende proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2019, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 7-8), stelt het hof vast de (schouder)tas met de daarin aangetroffen bolletjes op 21 april 2019 door de politie in beslag is genomen. Uit dit laatstgenoemde proces-verbaal blijkt dat de onder de verdachte inbeslaggenomen inhoud van de in (schouder)tas aangetroffen zakjes diezelfde dag is gewogen en bemonsterd en dat de monsters zijn voorzien van een SIN-nummer. Het betrof 9,9 gram van een op cocaïne gelijkende substantie voorzien van het SIN-nummer AAJD6268NL en 3,7 gram van een op heroïne gelijkende substantie met het SIN-nummer AAJD6508NL. Uit dit proces-verbaal van verbalisant blijkt voorts dat de betreffende monsters ter onderzoek aan het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI) zijn aangeboden. Blijkens twee rapportages van het NFI, d.d. 10 mei 2019, heeft het NFI het monster met het SIN-nummer AAJD6268NL positief getest op cocaïne, en het monster met het SIN-nummer AAJD6508NL positief getest op heroïne. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat voldoende vaststaat dat de inhoud van de op 20 april 2019 inbeslaggenomen zakjes afkomstig uit de onder verdachte inbeslaggenomen (schouder)tas, ook daadwerkelijk de door het NFI op cocaïne en heroïne positief geteste poeder en brokjes betreft. Het verweer van de verdediging wordt aldus verworpen. In aanvulling op hetgeen door de politierechter is overwogen, overweegt het hof voorts dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C, van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.