GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 1 december 2022 Zaaknummer : 200.312.657/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/395960 / JE RK 22-515 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.B. de Bruin, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. In het kort: Deze zaak gaat over de machtiging tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ). 5De beschikking van het hof van 1 september 2022 In deze beschikking heeft het hof - samengevat - als volgt geoordeeld. Bij [minderjarige] is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die tussen partijen en de moeder niet in geschil is. Zo heeft [minderjarige] een autismespectrumstoornis en heeft hij veel last van de conflicten tussen de ouders. Vanaf 11 januari 2022 verblijft [minderjarige] op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is beperkt tot 1,5 tot 2 uur per week. Vanaf het moment dat [minderjarige] bij de moeder is gaan wonen, zijn de schoolprestaties van [minderjarige] achteruit gegaan en hebben zich incidenten voorgedaan die er uiteindelijk toe hebben geleid dat [minderjarige] van school is gestuurd. Ook bij de moeder thuis hebben zich conflicten voorgedaan. Er is nog niets gedaan aan de terug-thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. Het is voor het hof onduidelijk waarom de GI zo blijft vasthouden aan het zeer beperkte contact tussen [minderjarige] en de vader. Zij geven beiden aan behoefte te hebben aan meer contact. Het hof heeft verder geoordeeld meer informatie nodig te hebben over de vader, de moeder, (de schoolgang van) [minderjarige] en de hulpverlening om te kunnen oordelen over de noodzaak van de verlenging van de uithuisplaatsing bij de moeder. Er is een nieuwe datum bepaald voor de voortzetting van de mondelinge behandeling. Hieraan voorafgaand wil het hof van de GI een plan van aanpak ontvangen waarin duidelijk beschreven staat welke stappen er zijn ondernomen en hoe gewerkt wordt aan de terug-thuisplaatsing alsmede een op dat moment recente update van hoe het met [minderjarige] gaat en met het volgen van onderwijs door [minderjarige] . Mitsdien heeft het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd tot 1 december 2022 en verder bepaald dat de GI uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de voortzetting van de mondelinge behandeling op 17 november 2022 schriftelijke informatie dient te overleggen als bedoeld in rov. 3.9.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.