GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 1 december 2022 Zaaknummer: 200.312.964/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/379300 / JE RK 22-201 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.A.M. Brugman, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). Deze zaak gaat over: [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;en[minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 april 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De rechtbank heeft in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juli 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderen de kans op terugplaatsing naar de moeder nog dient te worden geboden. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 augustus 2022, heeft de GI verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en de beschikking van 19 april 2022 de rechtbank Oost-Brabant in stand te laten. 2.3. Het hof heeft betrokkenen laten weten dat het vooreerst de ontvankelijkheid van de moeder in haar hoger beroep wil behandelen. De mondelinge behandeling hierover heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 maart 2022; het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 13 juli 2022; de e-mail van de advocaat van de moeder van 1 augustus 2022. 3De beoordeling De feiten 3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader) zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. 3.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 14 mei 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 14 mei 2023. 3.3. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben tot februari 2020 bij hun moeder gewoond. Van februari 2020 tot april 2021 hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (gedeeltelijk) bij de grootmoeder moederszijde gewoond. 3.4. Sinds april 2021 wonen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder in een netwerkpleeggezin, eerst op vrijwillige basis en vanaf 14 mei 2022 op grond van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is laatstelijk verlengd tot 14 mei 2023. 3.5. De GI heeft in eerste aanleg aan de kinderrechter een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI heeft daarbij verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een beslissing te nemen oven over het onderhavige geschil, te weten: in te stemmen met het opvoedbesluit van de GI dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien. 3.6. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank (in meervoudige samenstelling) bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij hun ouders zullen opgroeien. 3.7. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.8. De moeder voert - samengevat - aan dat het in deze zaak gaat om terugplaatsing van de kinderen naar hun moeder, die op grond van de bestreden beschikking nooit meer naar huis zouden mogen, als gevolg waarvan er zonder meer sprake is van een zeer ingrijpende beslissing. De moeder is dan ook van mening dat haar grieven voor een beoordeling door het hof vatbaar zijn. Zij verwijst daarbij tijdens de mondeling behandeling naar de volgende uitspraak: ECLI:NL:HR:2021:1003. Ook daar ging het om de situatie dat de rechtbank evenals hier het geval is, buiten het toepassingsgebied van artikel 1:262b is getreden. Grond voor de doorbreking van het appelverbod van artikel 807 Rv. 3.9. De GI voert - kort samengevat - aan dat naar de mening van de GI geen sprake is van een doorbreking van het appelverbod. In het beroepschrift van de moeder staan geen doorbrekingsgronden vermeld. De door de moeder aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ziet op een geheel andere procedure, waarbij er voor de ouder een ruimere rechtsbescherming was op basis van artikel 1:265e BW. In onderhavige procedure is daar geen sprake van. De GI wijst wat betreft het perspectiefbesluit op een leemte in de wet. Dit is ook aan de orde gesteld door de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), waarbij de aanbeveling is om een rechtspositieregeling te realiseren voor ouders en kinderen. De GI deelt die visie. Doordat deze rechtspositie nog niet bestaat zoeken de gecertificeerde instellingen naar een zo goed mogelijke (tijdelijke) ‘second best’ oplossing om ouders en kinderen toch rechtsbescherming te bieden, waardoor er in onderhavige zaak is gekozen voor een verzoek ex artikel 1:262b BW. De praktijk leert dat nadat door de GI een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel bij de raad wordt gedaan, een onderzoek en daarop mogelijk verzoek tot gezagsbeëindiging, vele maanden duurt. Het gevolg hiervan is dat wanneer er geen verzoek in het kader van de geschillenregeling wordt gedaan, er gedurende lange tijd geen rechtsbescherming is voor de ouders. De landelijke projectgroep van gecertificeerde instellingen omtrent het perspectiefbesluit heeft contact met de rechtspraak over dit onderwerp, waarbij er door de rechtspraak wordt aangemoedigd om het perspectiefbesluit middels de geschillenregeling ex artikel 1: 262b BW door de rechtbanken te laten toetsen. In ECLI:NL:PHR:2021:283 overweegt de Procureur-Generaal van de Hoge Raad het volgende:‘’Terzijde merk ik het volgende op. In deze zaak is pas ruim een jaar nadat het opvoedbesluit genomen was om gezagsbeëindiging verzocht. Dit lijkt niet wenselijk omdat na het opvoedbesluit, zoals in casu, de hulpverlening doorgaans niet meer gericht is op het werken naar thuisplaatsing, maar op het bevorderen van een bestendige toekomst van het kind in het pleeggezin en ondersteunen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.