Parketnummer : 20-000924-21 Uitspraak : 5 december 2022 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 april 2021 in de strafzaak met parketnummer 02-800132-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1994, wonende te [adres verdachte] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2 ), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen PGP-telefoon onttrokken aan het verkeer en daarnaast de teruggave gelast aan de verdachte van de overige inbeslaggenomen mobiele telefoons. Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair is bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde, voor zover dat ziet op de verdovende middelen die in de loods zijn aangetroffen. Met betrekking tot de hennep in de Mini Cooper heeft de verdachte bij de politie een bekennende verklaring afgelegd. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 27 februari 2018 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 144 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op of omstreeks 27 februari 2018 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 17.600 gram hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of een hoeveelheid van ongeveer 2.800 gram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij op 27 februari 2018 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 144 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2.hij op 27 februari 2018 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 12.200 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en een hoeveelheid van ongeveer 2.700 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. De bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest. Bewijsoverwegingen De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Daartoe is primair aangevoerd dat de staandehouding van de verdachte onrechtmatig was, nu er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Voorts was er ten tijde van de fouillering van de verdachte geen sprake van ernstige bezwaren met betrekking tot een verdenking op grond van de Opiumwet. Er is sprake van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor al het bewijsmateriaal dat door de inzet van deze onrechtmatig ingezette dwangmiddelen is verkregen van het bewijs dient te worden uitgesloten. Door de bewijsuitsluiting is onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van de beide tenlastegelegde feiten, aldus de raadsman. Subsidiair is bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de verdovende middelen in de loods. De in de loods aangetroffen 144 gram cocaïne lag niet in het directe zicht. Datzelfde geldt voor de 920 gram hennep, de 9,67 gram henneptoppen, de 163,65 gram henneptoppen en de 2.700 gram hasjiesj. De verdachte is weliswaar in de loods geweest, maar hij had geen wetenschap van de aanwezigheid van deze verdovende middelen aldaar, noch bevonden deze verdovende middelen zich in zijn machtssfeer. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Algemene bewijsoverweging De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Met betrekking tot de bewijsgaring Het hof overweegt met betrekking tot de gestelde vormverzuimen als volgt. Het hof stelt vast dat in het kader van een bestuursrechtelijke handhaving het bedrijventerrein aan het [adres loods] te Breda is gecontroleerd. Enkele van de daar aanwezige werknemers dachten dat er af en toe vreemde activiteiten plaatsvonden op onder andere het adres [adres loods] [nummer loods] . Er zouden bij deze loods regelmatig dure auto’s staan waar jongeren in reden. De huurder van het pand bleek [bedrijf 1] te zijn en hij werd gebeld om het pand te laten openen. Deze liet weten dat hij iemand met een sleutel langs zou sturen om de loods voor de gemeente ter controle te openen. Wanneer ongeveer anderhalf uur later gezien wordt dat er een aantal auto’s bij het pand [nummer loods] staan die daar eerder niet stonden, gaan de bij deze controle betrokken ambtenaren terug naar het pand [nummer loods] . Zodra de medeverdachte een van deze ambtenaren ziet aankomen sluit hij direct de toegangsdeur waarna vervolgens een deur aan de achterzijde van pand [nummer loods] opengaat en de verdachte en zijn medeverdachte hard wegrennen. Het terrein wordt afgezet waarna de verdachte en de medeverdachte worden staande gehouden. Desgevraagd delen zij mede dat zij niet aan het rennen waren maar een spelletje aan het doen waren (p. 40). Ook wisten zij niet uit welke loods zij kwamen, maar konden de eigenaar van loods acht wel vragen om de deur open te doen (p. 38). Gelet op deze feiten en omstandigheden – met name gelet op hetgeen door enkele werknemers is medegedeeld over hetgeen zij reeds eerder hadden waargenomen, het feit dat ineens auto’s uit het duurdere segment nabij de loods stonden en zodoende een zekere mate van bevestiging ontstond van hetgeen de werknemers hadden verteld, de omstandigheid dat de roldeur werd gesloten juist op het moment dat de controlerende ambtenaren zich naar het pand begaven, terwijl het pand – volgens toezegging van de huurder – zou worden geopend ter controle, alsmede gelet op het feit dat de verdachte en de medeverdachte vervolgens via de andere zijde van dat pand wegrenden – was op dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Hiermee ontstond de bevoegdheid de verdachte en de medeverdachte staande te houden en hun identiteit vast te stellen. Naar aanleiding daarvan is gebleken dat de medeverdachte antecedenten heeft ter zake van de Opiumwet. Voorts is nadien gebleken dat de auto’s die nabij de loods stonden werden gehuurd bij verhuurbedrijf [bedrijf 2] , welk bedrijf ambtshalve bekend staat als autoverhuurbedrijf aan personen met criminele antecedenten. Met betrekking tot de fouillering stelt het hof het volgende vast. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet zijn opsporingsambtenaren bevoegd een persoon, verdacht van een bij de Opiumwet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken. Het hof stelt vast dat daarvan op het moment van het fouilleren van de verdachte nog geen sprake was. Derhalve is hier sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft bepleit dat daarom bewijsuitsluiting dient te volgen van met name de afstandsbediening van de loods [adres loods] [nummer loods] en de autosleutel van de Mini Cooper, welke tijdens de fouillering van de verdachte zijn aangetroffen. Deze sleutels hebben geleid tot het aantreffen van de verdovende middelen en kunnen dan ook als bewijsmiddel dienen. Het hof oordeelt daarover als volgt. Met het bekend worden van de antecedenten van de medeverdachte op het gebied van de Opiumwet, bezien in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden, had de politie zowel de bevoegdheid om beide verdachten op grond van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering aan te houden als de bevoegdheid om zich op grond van artikel 9, eerste lid, onder b van de Opiumwet toegang te verschaffen tot de loods waar de verdovende middelen zijn aangetroffen. Met de aanhouding zouden als gevolg van een veiligheids- en insluitingsfouillering de afstandsbedieningen en de autosleutels naar voren zijn gekomen. Deze werden evenwel voordien aangetroffen nu beide verdachten reeds aan de kleding waren onderzocht. In navolging van de verdediging is het hof van oordeel dat de politie daar op dat moment, bij gebrek aan ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet, niet toe bevoegd was. Ondanks dat de fouillering van de verdachte dus onrechtmatig was, heeft de verdachte geen rechtens te beschermen nadeel daarvan ondervonden aangezien deze voorwerpen op een andere, rechtmatige grondslag ook zouden zijn aangetroffen en beslag daarvan onder de gegeven omstandigheden in de rede had gelegen. Bovendien betrof het niet een pand dat door de verdachte of zijn medeverdachte werd gehuurd en het betreden van dat pand derhalve reeds om deze reden niet onrechtmatig jegens verdachte of zijn medeverdachte was. Onverminderd dit gegeven gaat het hof er voorts van uit dat het pand ook zonder dat deze voorwerpen zouden zijn aangetroffen, zou zijn betreden nu dit reeds vóór het ontstaan van de verdenking werd beoogd en de eenmaal ontstane verdenking een niet te veronachtzamen extra reden opleverde om het pand te betreden. Daarmee staat het aantreffen van de hennep, gelet op de duidelijk aanwezige hennepgeur, vast en het leggen van een mogelijk verband met de verdachten evenzeer. Het hof ziet dan ook geen reden om het aantreffen van de afstandsbedieningen en de autosleutel bij de verdachte en de medeverdachte van het bewijs uit te sluiten. Evenmin ziet het hof reden om strafvermindering toe te passen. Het hof zal hier volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Met betrekking tot de cocaïne, hennep en hasjiesj in de loods Naar het oordeel van het hof kan het gelet op de reeds hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet anders zijn dan dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op het moment van aantreffen enkel bij de loods aanwezig waren om de daar aanwezige verdovende middelen op te halen en deze daarmee te onttrekken aan de daar uitgevoerde bestuursrechtelijke controle van de gemeente. Het hof neemt in zijn oordeel mee de wijze waarop de verdachte uit de loods vertrok, namelijk door onder de laaghangende roldeur te bukken en weg te rennen, zoals uit de foto op pagina 407 van het politiedossier valt af te leiden en zoals dat ook in de processen-verbaal van bevindingen staat beschreven, alsmede dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] verschillend verklaren over hoe en waarom zij bij de loods aanwezig waren en waarvan beiden in het bezit waren van een (elektronische) sleutel. De verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap had van de verdovende middelen in de loods, acht het hof dan ook ongeloofwaardig. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende komen vast te staan dat de verdachte wetenschap had van de verdovende middelen – te weten de cocaïne, hennep en hasjiesj – in de loods, alsook dat die verdovende middelen zich in zijn machtssfeer bevonden. Dat een deel van de verdovende middelen in de loods niet in het zicht lagen en dat de verdachte de loods niet huurde, doet daar niet aan af. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, hennep en hasjiesj in de loods aan het [adres loods] [nummer loods] . Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf De raadsman heeft het hof verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede aan de verdachte daarnaast een taakstraf op te leggen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne, alsmede hoeveelheden hennep en hasjiesj. Hoewel het hof, evenals de rechtbank, de handel in drugs niet bewezen acht, is uit het dossier voldoende duidelijk geworden dat de aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen bedoeld waren voor de drugshandel. Daarnaast was de loods waarin een deel van de drugs is aangetroffen ingericht als distributiecentrum voor verdovende middelen. Met deze omstandigheid, waar een zekere mate van organisatie en professionaliteit vanuit gaat, houdt het hof in strafverzwarende zin rekening bij de bepaling van de strafmaat. Het gebruik van hard- en softdrugs brengt gezondheidsrisico’s met zich mee. Zo kan het gebruik van verdovende middelen, met name harddrugs, tot blijvende schade aan het zenuwstelsel leiden. Ook werkt het gebruik van verdovende middelen verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Het telen van hennep en het bewerken van cocaïne, alsmede de handel in dergelijke drugs, gaan daarnaast vaak samen met zware criminaliteit en dit brengt tevens overlast met zich mee. De verdachte heeft door het opzettelijk aanwezig hebben van deze verdovende middelen een aanzienlijke rol gehad in het gehele criminele circuit rondom de drugshandel. Hij heeft zich niet bekommerd om de nadelige gevolgen hiervan en heeft enkel zijn eigen belang voor ogen gehad. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 oktober 2022, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte een eigen kappersbedrijf heeft. Het hof heeft voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs zoals is bewezenverklaard uit van een taakstraf voor de duur van 240 uren. Met betrekking tot de bewezenverklaarde hoeveelheid softdrugs gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Het hof is derhalve van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof, met name gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, geen aanleiding de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast een taakstraf. Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte op 28 februari 2018 in verzekering is gesteld, terwijl de rechtbank op 2 april 2021 vonnis heeft gewezen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen 2 jaren. Aldus is de redelijke termijn – als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM – met ruim 13 maanden overschreden in eerste aanleg. Van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop, althans de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Het hof zal derhalve deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de gevangenisstraf zal matigen met 1 maand. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag Teruggave aan de verdachte Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er drie mobiele telefoons onder de verdachte in beslag zijn genomen en deze aan hem toebehoren. Nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van dit beslag, zal het hof de teruggave gelasten van deze mobiele telefoons aan de verdachte, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende aan de merken persoon. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - één mobiele telefoon, APPLE Iphone X, (G_445248); - één mobiele telefoon (Kl: zwart, APPLE Iphone, G 445260); - één mobiele telefoon (KI: zwart, BQ, G445259). Aldus gewezen door: mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter, mr. F. van Es en mr.drs. M.C.C. van de Schepop, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier, en op 5 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr.drs. M.C.C. van de Schepop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Bijlage bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2018047638, zaaknummer ZBRAA18013, onderzoek Favorita, gesloten d.d. 30 juli 2018 door [hulpofficier van justitie] , hulpofficier van justitie, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde pagina’s 1-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.