Parketnummer : 20-001286-18 Uitspraak : 14 december 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 april 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-889150-12 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 november 2022 wonende te [woonplaats] (Spanje), [adres 1] Hoger beroep De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en deze als volgt gekwalificeerd: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 1); medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd (feit 2); medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd (feit 3); deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet (feit 4). De verdachte is hiervoor strafbaar verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. De raadsman van de verdachte heeft: vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit; zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, waarbij hij voor wat betreft de periode primair heeft bepleit om als begindatum 5 november 2013 bewezen te verklaren en subsidiair om aan te sluiten bij de bewezenverklaring van de rechtbank; zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, echter voor een kortere periode dan de rechtbank bewezen heeft geacht (te weten vanaf april/mei 2013); zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, echter uitsluitend ten aanzien van de kwekerijen in Schaijk en Wamel; een strafmaatverweer gevoerd, waarbij is verzocht om af te zien van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en in plaats daarvan te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met de maximale taakstraf. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust: met aanvulling van de bewijsvoering, gelet op hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd; met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd en zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden; met vervanging van de toepasselijke wettelijke artikelen, zoals hierna te melden. Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen Feit 1 De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit. Daartoe is, op gronden zoals verwoord in de pleitnota, aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij te Temse, België. Weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte op enig moment wetenschap droeg van de kwekerij en dat hij tempexplaten naar Temse heeft gebracht en met anderen over de kwekerij heeft gesproken, maar dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen van het telen van hennep te kunnen komen, aldus de raadsman. Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat uit de OVC-gesprekken, in combinatie met de overige bewijsmiddelen, volgt dat de verdachte actief betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in Temse. Het hof overweegt daartoe het volgende. A. Uit de in de auto van de verdachte opgenomen OVC-gesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 29 augustus 2013 en 6 september 2013 kan worden opgemaakt dat zij met elkaar spraken over de hennepkwekerij in Temse. [medeverdachte 1] zei op 29 augustus 2013 onder meer: “Maar ik zit ermee jongen, ik moet morgen weer gewoon om 6 uur eruit (…) Dat vind ik effe klote. Als je dan de hele dag daar in Bels daar op die zolder rondloopt, ja dat weet je zelf (cursivering hof), ja dan heb je af en toe beroerde momenten.”, waarop de verdachte antwoordde: “Ja”. De hennepkwekerij die op 5 november 2013 tijdens de doorzoeking van de [adres 2] te Temse is aangetroffen, bevond zich op twee verdiepingen, waaronder op de zolder van het pand (zie pagina 68 vonnis). Op 6 september 2013 zei [medeverdachte 1] onder meer aan dat hij de hele week in België was geweest (hetgeen correspondeert met ANPR-registratiegegevens van de Mercedes met kenteken [kenteken] , zijnde de auto van [medeverdachte 2] ) en de verdachte zei daarop dat hij dit wist maar dat er in de auto niet teveel moest worden besproken (zie pagina 16 vonnis). Vier dagen later, op 10 september 2013, werd [medeverdachte 1] (samen met zijn vader, medeverdachte [medeverdachte 2] ) door het observatieteam waargenomen op de binnenplaats tussen de panden [adres 2] en [adres 3] te Temse (zie pagina 18 vonnis). Verder heeft [medeverdachte 3 ] bij de rechter-commissaris d.d. 26 september 2019 verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] bij de hennepkwekerij in Temse werkzaamheden heeft verricht/heeft geklust. B. Ook uit de inhoud van een OVC-gesprek d.d. 23 oktober 2013 in de woning van [medeverdachte 2] leidt het hof af dat [medeverdachte 2] en de verdachte spraken over de (vorderingen in de) hennepkwekerij te Temse. Zo zei de verdachte ‘hij hebt een sleutel voor z’n eigen nodig voor dat ie erbij kent als er wat is, snap je, de elektriciteit of zo’, waarop [medeverdachte 2] zei ‘ [voornaam] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 4] ) en verder heeft niemand de sleutel nodig’. Dat [medeverdachte 4] actieve betrokkenheid had bij de hennepkwekerij in Temse, volgt onder meer uit observatiegegevens, ANPR-gegevens in combinatie met de OVC-gesprekken en de verklaring van [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris d.d. 27 september 2019, inhoudende dat hij diverse keren naar de kwekerij te Herselt en Temse is geweest om te kijken of alles werkte en om de planten water te geven, en dat er wel eens in ‘onze’ groep – waarmee hij [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3 ] , [medeverdachte 9] en hemzelf bedoelde – over hennep werd gesproken. Verder werd in het gesprek van 23 oktober 2013 gesproken over ‘restaurant’. De kwekerij te Temse bevond zich boven een horecagelegenheid (genaamd [naam] ). Nadat de hennepkwekerij te Temse op 5 november 2013 was ontdekt, werd in een OVC-gesprek in de woning van [medeverdachte 2] door [medeverdachte 6] gezegd ‘Ik heb misschien slecht nieuws jongen. Er waren wouten bij hem aan de deur. Bij dat restaurant (…)’. Een derde koppeling tussen het gesprek van 23 oktober 2013 en de hennepkwekerij te Temse is dat [medeverdachte 2] even later zei ‘We moesten ze boven en onder nog geven’. Zoals hiervoor is besproken, was de hennepkwekerij te Temse verdeeld over twee verdiepingen. Verdachte vroeg hierna aan [medeverdachte 2] “En groeit het nog goed?” [medeverdachte 2] antwoordde: “Hmm ja klein. (…) Hier zo hoog zijn ze.”. Verdachte: “Helemaal vol denk ik of niet?” [medeverdachte 2] : “En die getopt zijn niet hoger dan zo gebleven.” Verdachte: “Ja. En welke zijn beter? Die niet getopt zijn? Mooier?” [medeverdachte 2] : “Die getopt zijn zien er ook niet slecht uit maat. Een en al bollen.” Bij het aantreffen van de kwekerij bleek dat er hoogte- en kwaliteitsverschillen waren tussen de planten op de beide verdiepingen. De planten op zolder waren van betere kwaliteit dan de planten in de woonkamer van het appartement (pagina 68 vonnis). C. Na de ontmanteling van de hennepkwekerij te Temse op 5 november 2013, werden in de woning van [medeverdachte 2] diverse OVC-gesprekken gevoerd tussen de verschillende medeverdachten. [medeverdachte 2] gaf onder meer aan dat [voornaam] er zaterdag voor het laatst was geweest en ‘het er allemaal perfect uitzag’. Uit de OVC-gesprekken en ANPR-gegevens blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in het begin van de avond nog naar Temse zijn gereden om te gaan kijken, maar dat zij niet binnen in het pand zijn geweest waar de hennepkwekerij zich bevond. In het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 2] en zijn partner [medeverdachte 7] later die avond, werd vervolgens uitgebreid gesproken over de situatie die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] bij het pand hadden aangetroffen (pagina 32 vonnis): [medeverdachte 7] : “Hok kwijt?” [medeverdachte 2] : “Ja alles weg.” [medeverdachte 7] : “Och… Nouja… In België.” [medeverdachte 2] : “Café zat dicht, bij hem thuis zat alles dicht. Dus ik denk dat hij (het hof begrijpt: [persoon 1] , de huurder van het pand aan de [adres 2] te Temse) ook nog vastzit. Ik zeg tegen [voornaam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) we moeten maken dat we hier wegkomen. Dat is niet gunstig, Hollandse auto’s (…)” (…)[medeverdachte 7] : “Hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) zegt er lag een hoop vuil voor de deur.” [medeverdachte 2] : “Ja! Tempex, zand, vuilniszak. Ik zeg tegen [voornaam] doorlopen maar, verwijder die telefoon, batterij eruit. D’r zit iets niet goed hier. Café zit dicht…. Toen ben ik ook nog langs dat andere restaurant van hem (het hof begrijpt: de brasserie [naam] te Bornem van [persoon 1] ) gereden. Ook alles pikkedonker. Die moet vastzitten.” Verderop in het OVC-gesprek vroeg [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 1] : “Had je [afkorting verdachte] meegenomen.”, waarop [medeverdachte 1] antwoordde dat die een keer mee was geweest om spullen mee af te gooien. [medeverdachte 5] vulde aan dat het om tempex ging. Uit de door de rechtbank tot het bewijs gebezigde OVC-gesprekken volgt dat verdachte ‘ [afkorting verdachte] ’ werd genoemd (pagina 54 vonnis). Tempexplaten kwamen ook voor op nota’s / rolletjes administratie die tijdens de doorzoeking aan de [adres 4] (woning van de dochter van [medeverdachte 2] , [dochter medeverdachte 2] ) zijn aangetroffen en die gelinkt kunnen worden aan de hennepkwekerij te Temse (pagina’s 66-67 vonnis). Verdachte heeft, nadat hij zich in eerste instantie bij de politie telkens op zijn zwijgrecht had beroepen, bij de rechter-commissaris d.d. 9 november 2017 verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode tempexplaten heeft afgeleverd bij het pand [adres 2] te Temse. D. Nadat verdachte op 5 november 2013 laat in de avond ook (weer) in de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres 5] te [plaats] was gearriveerd, werd door diverse verdachten ( [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] ) andermaal uitgebreid over de gang van zaken rondom de inval in Temse gesproken (opgenomen in het vonnis, pagina’s 49-59). Hieronder noemt het hof een aantal van de belangrijkste passages. Verdachte: “Maar weggehaald of inval.” [medeverdachte 2] : “Ik denk inval pik, lag allemaal zand voor de deur, drie korrels, ik zag die andere rotzooi liggen, ik zag die vuilniszakken liggen.” Verdachte: “Deur opengebroken of niet?” [medeverdachte 5] : “Dat kon ie niet zien, als je die spullen daar ziet staan kun je beter gewoon wegrijden he?” Verdachte: “Ja tuurlijk! (…) Langs dat restaurant niet afgegaan?” [medeverdachte 2] : “Ben ik ook nog afgegaan, daar was alles pikkedonker.” (…)[medeverdachte 5] : “Ja we moeten er toch achter komen hoe het zit (…)” Verdachte: “Ja de media in de gaten houden, meestal staat dat erop.” [medeverdachte 5] : “Ja dat staat er niet op, heb ik allang gekeken.” [medeverdachte 8] : “Ja je moet het wel in de gaten houden want het is 1100 he dat is niet weinig he?” Verdachte: “Ja of een dag later, dat kan ook he?” (…) Verdachte: “Dat café is altijd open, als dat café dichtzit en als bij hem dat restaurant dichtzit, dan weet je hoe laat het is.” [medeverdachte 8] : “Telefoon weggooien want ze zoeken alles uit hoor.” Verdachte: “Normaal kan je daar [jaren rijden?] dan moet er toch iemand getipt hebben of iets gezien hebben.” Verdachte: “Het was een toplocatie daar jongen. (…) Ik had alles verwacht maar ik had dit niet verwacht ik kon niet weg, ik zat thuis daarom ben ik zo laat.” (…) [medeverdachte 2] : “Als daar alles op de stoep ligt dan denk ik dat het bingo is.” Verdachte: “Ja dan weet je al genoeg.” (…) Verdachte: “Ik had overal invallen verwacht maar daar niet.” (…) Verdachte: “Hij weet ook niet met welke auto’s dat wij (cursivering hof) daar komen. (…) Bij ons (cursivering hof) is het gewoon allemaal eigen geweest verder niemand, er is geen een bij aan wie ik twijfel. (…) er zit toch een hoop geld in. Je kunt er niks aan doen, weg is weg. Gelukkig zit niemand vast van ons. (…) Alles rond deze locatie was gewoon top, echt mooi en met naar binnen spullen laaien zijn we (cursivering hof) gewoon voorzichtig geweest.” (…)Verdachte: “Want ze moeten nog 14 dagen denk ik. (…) En de stroom daar werd ook niet overdreven veel getrokken, een paar 400 watt lampjes.” [medeverdachte 2] : “Stroom kennen ze het niet aan zien.” Verdachte: “Nee daar zal het niet aan liggen. Het is midden in het centrum daar, daar wordt al veel stroom gebruikt.” (…) Verdachte: “1100 planten dat is groot, ja natuurlijk… Ja maar weet je wat ze wel in België doen voordat ze erop klappen, doen ze observeren, in Nederland niet, klappen ze er op, in België observeren ze altijd eerst.” (…) Verdachte: “Ik vind het alleen kut van die locatie.” [medeverdachte 8] : “Jongen jij belde toen op, een perfecte locatie.”Verdachte: “Drukke winkelstraat, er is één hek zeg maar, een doodlopend pleintje is dat, ingang aan de zijkant, voor is een beetje een smal café en daarboven zitten twee etages in the middle of nowhere.” [medeverdachte 8] : “En er zit achter niks anders als jullie” Verdachte: “Nee erachter zit niks anders als ons (cursivering hof) het enige wat er zit is parkeergelegenheid voor dat appartementencomplex iets verderop. Zitten geen ramen in of niks, heel groot pand" [medeverdachte 1] : Zaten toch een paar bedrijfjes daar achterin. Verdachte: "Ja misschien, maar daar zaten geen ramen of niks, alleen maar aan de voorzijde daar zaten de ramen.” (…) Verdachte: “Was het maar een paar weken verder geweest, in ieder geval het eigen geld eruit.” (…) Verdachte: “Andere locatie had ik ook wel verwacht, dat zou wel eens een keer, ja maar het is de eerste draai.” [medeverdachte 5] : “Ik had gehoopt op de eerste draai, maar ja dat België schei ik er mee uit hoor.” Verdachte: “Dat België heeft ons (cursivering hof) nog geen geluk gebracht.” E. Het hof leidt uit de inhoud van de hiervoor genoemde OVC-gesprekken, waaronder diverse uitlatingen van verdachte zelf, af dat hij goed op de hoogte was van het reilen en zeilen in de hennepkwekerij in Temse, dat hij ook zelf nauwe betrokkenheid, inspraak en (financiële) belangen bij deze kwekerij had en dat hij zich na de ontmanteling van de kwekerij actief bemoeide met de vraag wat er precies was gebeurd en instructies gaf hoe de verdachten verder moesten handelen. Op grond van het voorgaande en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde telen van hennep van zodanig gewicht was dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. De verdachte en zijn medeverdachten werkten nauw en bewust samen bij het exploiteren van de hennepkwekerij. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk hennep heeft geteeld in het pand aan de [adres 2] te Temse (België). Al hetgeen overigens door de raadsman is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Feit 2 In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, bezigt het hof de verklaring van [medeverdachte 5] bij de rechter-commissaris d.d. 18 maart 2021 tot het bewijs, voor zover inhoudende: “De rechter-commissaris vraagt mij wat ik weet over een hennepkwekerij in Schaijk. Ik weet dat iedereen, ik bedoel daar mee alle verdachten in deze zaak, geld verdiend heeft in Schaijk (…) Iedereen kreeg evenveel. (…) De kosten zijn betaald met geleend geld. Er was rond de € 30.000 tot € 40.000 geleend voor de opbouw.(…) Ieder kreeg een gelijk aandeel.” Feit 3 In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, bezigt het hof de verklaring van [medeverdachte 5] bij de rechter-commissaris d.d. 18 maart 2021 tot het bewijs, voor zover inhoudende: “U vraagt mij of ik iets kan zeggen over de hennepkwekerij in Wamel. (…) Ik kan heel kort zijn. Wij hebben die kwekerij bijgehouden (…) of wij de planten konden verzorgen. Aan mij, [verdachte] en meerdere verdachten.” Voorts bezigt het hof de verklaring van [medeverdachte 9] bij de rechter-commissaris d.d. 18 maart 2021 tot het bewijs, voor zover inhoudende: “Ik heb wel hennephokken aangesloten en dat kan op verzoek van [verdachte] zijn geweest of van [medeverdachte 5] . Ik weet ook dat ik met [medeverdachte 2] wel op zo’n locatie ben geweest. Ik weet niets van de rolverdeling tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] . Ik weet niets van hun onderlinge afspraken. Ik werd wel met enige regelmaat gebeld om iets voor hen te doen en daar kreeg ik een paar tientjes voor. (…) Een in België en een in Nederland, voor zover ik nu nog weet. In mijn ogen was niemand van die vier de baas in het geheel. Het hennephok in Nederland was aangelegd in een huis op zolder. Ik heb daar de kabel voor getrokken. In dat huis woonde [getuige 3] . Ik ben ook wel eens met een van de vier genoemde personen bij haar geweest. Volgens mij ben ik daar samen met [medeverdachte 5] geweest, maar mogelijk ook met een van de andere personen.” De raadsman van de verdachte heeft, op gronden als verwoord in de pleitnota, bepleit om met betrekking tot de begindatum van de periode uit te gaan vanaf april/mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.