Parketnummer : 20-000142-17 Uitspraak : 15 december 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 januari 2017, in de strafzaak met parketnummer 01-860270-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde, gekwalificeerd als “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie en de verdachte hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straf en aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 6 maanden. De verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de bewezenverklaring door de rechtbank, maar bepleit dat door het hof toepassing zal worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en daardoor mede gericht tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 2 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, behalve wat betreft de opgelegde straffen, de bijbehorende strafmotivering, de door de rechtbank aangehaalde wetsartikelen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van die onderdelen beslist het hof als volgt. Op te leggen sanctie Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat gelet op het grote tijdsverloop en zijn persoonlijke omstandigheden geen straf of maatregel zal worden opgelegd in de zin van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair is bepleit dat zal worden volstaan met de oplegging van een taakstraf, eventueel in combinatie met één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van enige duur met zich brengt. In dit verband wordt in het bijzonder gewezen op het van toepassing zijnde artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde betrekt het hof bij zijn oordeel het navolgende. De verdachte heeft meerdere keren tegen betaling seksueel contact gehad met een minderjarig meisje dat zich als prostituee aanbood. Er is sprake geweest van seksueel binnendringen van het lichaam van het pas 15 jaar oude slachtoffer, in de vorm van orale seks en vaginale en anale seks. Alhoewel de verdachte verklaart dat hij niet op zoek is geweest naar een minderjarige prostituee, moet hij zich tijdens de ontmoetingen wel bewust zijn geweest van haar nog jonge leeftijd. De verdachte maakte de afspraken via een website en het betrof zogeheten cardates, waarbij de ontmoetingen plaatsvonden in de auto van verdachte op een parkeerplaats. Het slachtoffer werd door een andere volwassen man daarheen gebracht. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer gezegd zou hebben 18 jaar oud te zijn, maar hij heeft haar niet om een identiteitsbewijs gevraagd. Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer een wat priller meisje was. Ontuchtige handelingen, van welke aard en intensiteit en onder welke omstandigheden ook, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, waarbij hij zich heeft laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en behoefte aan seksuele bevrediging. Slachtoffers van dergelijke delicten kunnen daar nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van ondervinden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het voor het slachtoffer ingrijpende gebeurtenissen zijn geweest die hun sporen hebben nagelaten. Evenals de rechtbank rekent het hof dit de verdachte zwaar aan. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2022, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten. Tevens heeft het hof in het kader van de straftoemeting kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 24 november 2022, waaruit volgt dat sprake is van een laag risico op recidive en waarin wordt geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Feiten als de onderhavige rechtvaardigen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zonder tijdsverloop zou het hof zonder twijfel een gevangenisstraf van een langere duur hebben opgelegd. Gezien het extreem lange tijdsverloop sinds het begaan van de onderhavige feiten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.