GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.312.911/01 arrest van 20 december 2022 in de zaak van Stichting Sint Trudo, gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als Sint Trudo, advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. F. Özer te Rotterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 4 juli 2022 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 7 juni 2022, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen Sint Trudo als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9907507 / CV EXPL 22-3370) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld kortgedingvonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 11, 12 en 13 en de daarmee overeenstemmende conclusie van eis; de memorie van antwoord met productie 1. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De vaststaande feiten en de kern van het geschil 3.1.1. Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de tenuitvoerlegging van een 14 april 2022 in een bodemprocedure tussen partijen gewezen vonnis, waarbij de huurovereenkomst tussen partijen is ontbonden en [geïntimeerde] is veroordeeld om de door haar van Sint Trudo gehuurde woning te ontruimen, moet worden geschorst totdat in het hoger beroep tegen dat vonnis uitspraak is gedaan. 3.1.2. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten. a. Sint Trudo heeft met ingang van 22 april 2013 de woning aan de [adres] verhuurd aan [geïntimeerde] . In de huurovereenkomst staat dat het gehuurde is bestemd als woonruimte “slechts ten behoeve van huurder en de leden van zijn huishouden”, en dat de huurder gedurende de looptijd van de huurovereenkomst zijn hoofdverblijf moet hebben in het gehuurde. b. Bij dagvaarding van 12 februari 2021 heeft Sint Trudo [geïntimeerde] in een bodemprocedure bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven betrokken (zaaknummer 9048823 \ CV EXPL 21-1280). In deze bodemprocedure heeft Sint Trudo gevorderd, kort gezegd, ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van het gehuurde. Aan deze vordering heeft Sint Trudo ten grondslag gelegd, samengevat, dat [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst ernstig is tekortgeschoten doordat zij gedurende lange tijd niet haar hoofdverblijf heeft (gehad) in de woning. c. Sint Trudo heeft in de bodemprocedure voorts op de voet van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening voor de duur van het geding gevorderd. De kantonrechter heeft die vordering afgewezen bij vonnis van 6 mei 2021, en bij datzelfde vonnis een mondelinge behandeling gelast in de hoofdzaak. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2021. d. In de bodemprocedure heeft de kantonrechter vervolgens bij tussenvonnis van 18 november 2021 voorshands bewezen geacht dat [geïntimeerde] haar hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft gehad. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. e. Bij in de bodemprocedure op 14 april 2022 gewezen eindvonnis (door een kennelijke verschrijving gedateerd op 14 april 2021) heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] het verlangde tegenbewijs niet heeft geleverd, dat zij in de nakoming van de huurovereenkomst is tekortgeschoten door geen hoofdverblijf te houden in het gehuurde en dat daarom de ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter, kort gezegd, de huurovereenkomst ontbonden en [geïntimeerde] veroordeeld om de woning binnen drie weken na betekening van het vonnis te ontruimen. f. Bij in de bodemprocedure gewezen herstelvonnis van 4 mei 2022 heeft de kantonrechter de datum van het vonnis van 14 april 2022 verbeterd en het in het dictum genoemde adres van het gehuurde verbeterd. g. Bij exploot van 17 mei 2022 heeft Sint Trudo het vonnis van 14 april 2022 en het herstelvonnis van 4 mei 2022 aan [geïntimeerde] laten betekenen. h. Bij exploot van 25 mei 2022 heeft Sint Trudo de ontruiming van de woning laten aanzeggen tegen 8 juni 2022. i. [geïntimeerde] heeft bij dagvaarding van 8 juni 2022 (één dag nadat het in dit hoger beroep bestreden kortgedingvonnis van 7 juni 2022 is gewezen) hoger beroep ingesteld tegen de in de bodemprocedure gewezen vonnissen van 18 november 2021 en 14 april 2022 (zoals hersteld bij vonnis van 4 mei 2022). In dat hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 2 augustus 2022 een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast en bepaald dat die zal plaatsvinden op 21 december 2022. Het geding bij de voorzieningenrechter 3.2.1. [geïntimeerde] heeft de onderhavige kortgedingprocedure aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juni 2022, dus nadat in de bodemprocedure het eindvonnis van 14 april 2022 en het herstelvonnis van 4 mei 2022 waren gewezen. In dit kort geding vordert [geïntimeerde] als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, voor zover in hoger beroep nog van belang: schorsing van de tenuitvoerlegging van het in de bodemprocedure gewezen eindvonnis van 14 april 2021 en herstelvonnis van 4 mei 2022 totdat uitspraak is gedaan in de (toen in het vooruitzicht gestelde) hoger beroepsprocedure; veroordeling van Sint Trudo tot betaling van een dwangsom indien zij haar voornemen tot ontruiming van de woning doorzet. 3.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , naar de kern genomen, het volgende ten grondslag gelegd. De kantonrechter heeft in de bodemprocedure de jaartallen van bepaalde stukken door elkaar gehaald, waardoor ten onrechte de indruk wordt gewekt dat [geïntimeerde] niet alleen in 2020 maar ook in 2021 geen hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. Het vonnis berust in zoverre op een misslag. Dat [geïntimeerde] van 3 maart 2020 tot 29 november 2020 niet in Nederland is geweest, houdt verband met de corona-crisis. Als hierin een tekortkoming van [geïntimeerde] besloten ligt, rechtvaardigt die tekortkoming niet de ontbinding van de huurovereenkomst. Ook in zoverre berust het vonnis op een misslag. Voortzetting van de aangezegde ontruiming zal aan de zijde van [geïntimeerde] een noodtoestand doen ontstaan. 3.2.3. Sint Trudo heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.2.4. In het beroepen kortgedingvonnis heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld. In de overwegingen van het in de bodemprocedure gewezen tussenvonnis van 18 november 2021 heeft de kantonrechter meerdere onjuiste data genoemd. Niet kan worden uitgesloten dat de kantonrechter bij het vermelden van de juiste data een andere afweging zou hebben gemaakt (rov. 4.4 en eerste deel van rov. 4.5). Daar komt bij dat de kantonrechter het door [geïntimeerde] uitdrukkelijk gevoerde verweer over de Covid-19 maatregelen geheel onbesproken heeft gelaten, terwijl dat verweer wel had moeten worden besproken en tot een andere uitkomst had kunnen leiden (rov. 4.5, tweede deel). Gelet op deze feitelijke dan wel juridische misslag en het feit dat een (achteraf onterechte) ontruiming bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt, is het belang van [geïntimeerde] bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het in de bodemprocedure gewezen eindvonnis groter dan het belang van Sint Trudo bij het doorzetten van de tenuitvoerlegging (rov. 4.5, derde deel). Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, samengevat: de tenuitvoerlegging van het in de bodemprocedure gewezen eindvonnis van 14 april 2021 en herstelvonnis van 4 mei 2022 geschorst totdat uitspraak is gedaan in de hoger beroepsprocedure; Sint Trudo veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- per dag, met een maximum van € 10.000,--, indien zij haar voornemen tot ontruiming van de woning doorzet. Tot slot heeft de kantonrechter Sint Trudo in de proceskosten veroordeeld, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het geding in hoger beroep 3.3.1. Sint Trudo heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Sint Trudo heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen kortgedingvonnis en tot het alsnog geheel afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.3.2. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen kortgedingvonnis, met veroordeling van Sint Trudo in de proceskosten. Over grief 1: de in het beroepen kortgedingvonnis vastgestelde feiten 3.4.1. De kantonrechter heeft in rov. 2.1 tot en met 2.6 van het beroepen kortgedingvonnis enkele feiten vastgesteld. 3.4.2. Grief 1 is tegen die feitenvaststelling gericht. In de toelichting op de grief voert Sint Trudo naar de kern genomen aan dat de kantonrechter bij de feitenweergave enkele belangrijke feiten onvermeld heeft gelaten. 3.4.3. Het hof verwerpt deze grief. Een feitenweergave in een kortgedingvonnis mag beperkt zijn tot de belangrijkste hoofdzaken. Sint Trudo heeft niet gesteld dat de kantonrechter een of meer feiten onjuist heeft weergegeven. De grief is bovendien niet gericht tegen een overweging die dragend is voor de door de kantonrechter genomen beslissing. Ook om die reden kan de grief op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis. 3.4.4. Voor zover Sint Trudo met haar grief wil betogen dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil ten onrechte bepaalde relevante feiten buiten beschouwing heeft gelaten, zal het hof dat betoog voor zover nodig bij de behandeling van grief 3 betrekken. Over grief 2: de weergave van het standpunt van [geïntimeerde] 3.5.1. In rov. 4.4 van het beroepen kortgedingvonnis heeft de kantonrechter een samenvatting gegeven van hetgeen [geïntimeerde] aan haar vorderingen in kort geding ten grondslag heeft gelegd. 3.5.2. Grief 2 is tegen die overweging gericht. Het hof verwerpt die grief omdat Sint Trudo in de toelichting op de grief niet duidelijk heeft gemaakt wat er onjuist is aan de betreffende samenvatting van het standpunt van [geïntimeerde] . Bovendien bevat die door Sint Trudo gewraakte overweging geen door de kantonrechter gegeven eindbeslissing. Over grief 3: de in dit kort geding toe te passen maatstaf en de daarbij te verrichten belangenafweging 3.6.1. De dragende overweging van het kortgedingvonnis is neergelegd in rov. 4.5 van dat vonnis. In die overweging heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld: In de overwegingen van het in de bodemprocedure gewezen tussenvonnis van 18 november 2021 heeft de kantonrechter meerdere onjuiste data genoemd. Niet kan worden uitgesloten dat de kantonrechter bij het vermelden van de juiste data een andere afweging zou hebben gemaakt. Daar komt bij dat de kantonrechter het door [geïntimeerde] uitdrukkelijk gevoerde verweer over de Covid-19 maatregelen geheel onbesproken heeft gelaten, terwijl dat verweer wel had moeten worden besproken en tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Gelet op deze feitelijke dan wel juridische misslag en het feit dat een (achteraf onterechte) ontruiming bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt, is het belang van [geïntimeerde] bij schorsing van de tenuitvoerlegging groter dan het belang van Sint Trudo bij het doorzetten van de tenuitvoerlegging (rov. 4.5, derde deel). 3.6.2. Grief 3 is tegen die overweging gericht. Het hof stelt bij de beoordeling van die grief het volgende voorop. In rov. 5.8 van zijn arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen over de maatstaf die moet worden gehanteerd als in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis wordt gevorderd: “(…) a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.