GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 22 december 2022 Zaaknummer : 200.317.637/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/383036 / JE RK 22-899 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. F. Pool, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Oost-Brabant, locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Deze zaak gaat over: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ; [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ; hierna samen te noemen: de kinderen of de minderjarigen. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - de heer [de vader] , hierna te noemen: de vader; - Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen: de GI; 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2022, heeft de moeder (na aanvulling van dit verzoek ter zitting) verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van één jaar, alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 november 2022, heeft de raad verzocht om het verzoek van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.3. De GI heeft een verweerschrift met producties ingediend, ingekomen ter griffie op 21 november 2022. De GI heeft verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. 2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 8 juli 2022; - brief van de zijde van de moeder, ingekomen op 10 november 2022; 2.5. De mondelinge behandeling heeft op 1 december 2022 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. F. Pool; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . 2.6. Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 23 november 2022. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 3De beoordeling 3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren. De vader heeft de kinderen erkend en het gezag over de kinderen berust bij beide ouders. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij de moeder. De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Marokkaanse nationaliteit. 3.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juli 2022 voor de duur van twaalf maanden te weten tot 18 juli 2023. 3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.4. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarigen, door de ouders niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ten onrechte heeft de rechtbank daarmee geoordeeld dat voldaan is aan de gronden voor ondertoezichtstelling ex artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW. De moeder is van mening dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Haar standpunt is niet dat er geen zorgen zijn. Ook de moeder maakt zich ook zorgen over de effecten van de scheiding op de kinderen en de beperkte mate van betrokkenheid van de vader bij de kinderen, maar de zorgen zijn niet dusdanig ernstig dat gesproken kan worden van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ontwikkelen zich goed, hebben veel vrienden, ervaren geen problemen met het regulieren van emoties en krijgen passend onderwijs. [minderjarige 1] had een moeilijk jaar vanwege de online lessen en zijn gehoorproblemen. Hierdoor ging hij achteruit op school. De moeder heeft een goed contact met school en heeft extra hulp ingeschakeld voor de gehoorproblemen van [minderjarige 1] . De leraren hebben aangegeven dat er sindsdien bij hem vooruitgang te zien was. [minderjarige 1] heeft goede cijfers gehaald en is overgegaan naar de tweede klas. Ook is er begeleiding vanuit de intern begeleidster en een maatschappelijk werker van het audiologisch centrum. Uit het raadsrapport kan niet worden afgeleid dat, volgens de raad ingrijpende, levensgebeurtenissen een dusdanig negatieve invloed hebben op de minderjarigen dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn onvoldoende objectiveerbare gronden aanwezig die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Ten aanzien van het vrijwillig kader stelt de moeder zich op het standpunt dat zij bereid is en in staat is om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging en ontwikkeling van de minderjarigen weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Het vrijwillige kader is toereikend. De moeder vraagt zich af in hoeverre de ondertoezichtstelling een verandering brengt in de intrinsieke motivatie van de vader. De vader heeft namelijk aangegeven dat hij niets wil veranderen en dit ook niet nodig vindt. De moeder heeft weinig vertrouwen dat de motivatie van de vader zal veranderen en de ondertoezichtstelling zal daar niet in helpen, hoezeer de moeder dat ook betreurt. De moeder is van mening dat de ondertoezichtstelling juist belemmerend werkt doordat zij niet zelf hulpverlening kan inschakelen voor de kinderen en afhankelijk is van de GI. Tot op heden is er nog geen enkele vorm van hulpverlening opgestart. 3.5. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan. De raad kan zich niet verenigen met de strekking en inhoud van het beroepschrift en vindt bekrachtiging van de bestreden beschikking in het belang van de minderjarigen. Ten aanzien van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is de raad van mening dat de kinderen veel last ervaren van het gebrek aan communicatie tussen de ouders en dat zij door de ouders onvoldoende tot nauwelijks zijn meegenomen in het proces van de scheiding. Dit heeft gezorgd voor verwarring, onduidelijkheid en zorgen bij de kinderen, die nog steeds niet helemaal zijn weggenomen. De grootste zorg van de raad ligt in het gegeven dat de kinderen gevoelens van angst en spanning ervaren door de manier waarop de ouders met elkaar omgaan. De kinderen zijn, ook jaren na de feitelijke breuk van de ouders, nog steeds bang dat de ouders ruzie met elkaar maken of zelfs dat ze gaan vechten als zij elkaar treffen. De raad heeft daarnaast geconstateerd dat de kinderen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.