Parketnummer : 20-002568-21 Uitspraak : 31 oktober 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 19 oktober 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-308685-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, thans verblijvende in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep, is de verdachte van het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en is hij ter zake van: feit 1 subsidiair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; feit 2 subsidiair: het plegen van ontucht door een minderjarige met een derde opzettelijk bevorderen en te weeg brengen, meermalen gepleegd; feit 3: een afbeelding/gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden/openlijk tentoonstellen/vervaardingen/ verwerven/in bezit hebben/zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een beroep of gewoonte wordt gemaakt; feit 4: een afbeelding/gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven/in bezit hebben/zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen; feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en aftrek van voorarrest, en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het ondergaan van een ambulante behandeling door de Waag of een soortgelijke zorgverlener en een contact- en locatieverbod. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en aftrek van voorarrest, en met dezelfde bijzondere voorwaarden als door de rechtbank zijn opgelegd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal toewijzen tot een bedrag van (na correctie) € 23.297,12, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige. Namens verdachte is bepleit dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen ten aanzien van de vrijspraak van de feiten 1 primair en 2 primair. Voor zover het hof - anders dan de rechtbank - tot het oordeel zou komen dat dwang wel kan worden bewezen en het hof daarvoor de processen-verbaal van politie met de beschrijving van de camerabeelden als bewijsmiddel bezigt, heeft de raadsman het voorwaardelijk verzoek gedaan om de camerabeelden te kunnen bekijken. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 en de strafoplegging heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is verweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vrijspraak van het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde overweegt het hof aanvullend nog als volgt. Aangeefster heeft verklaard, en zo is het ook onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegd, dat de verdachte haar bij verschillende gelegenheden met verschillende geweldshandelingen en bedreigingen daarmee heeft gedwongen tot de tenlastegelegde seksuele handelingen. De verdachte heeft de seksuele handelingen niet ontkend, maar van meet af aan wel de geweldshandelingen. Naar steunbewijs voor deze door de aangeefster vermelde geweldshandelingen is door de politie uitgebreid onderzoek gedaan. Echter heeft dit onderzoek niets opgeleverd. Dat is aanleiding geweest voor de politie om aangeefster op deze onderdelen van haar verklaring nogmaals te horen, hetgeen evenmin iets opleverde dat, los van haar eigen verklaring, de aanwezigheid van geweldshandelingen mede kon bewijzen. Het hof komt tot de slotsom dat de geweldshandelingen en dreigingen daarmee niet bewezen kunnen worden. De overige onder 1 en 2 primair tenlastegelegde uitvoeringshandelingen zien op de aanwezigheid van dwang in de vorm van andere feitelijkheden en de bedreiging daarmee. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over de reikwijdte en betekenis van “andere feitelijkheden” kan hiervan sprake zijn als de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Het merendeel van de onder 1 en 2 tenlastegelegde andere feitelijkheden, in elk geval het controleren van aangeefster door haar locatiebepalingen aan te zetten en te volgen, het geven van cadeautjes, het tegen aangeefster zeggen dat hij zichzelf iets aandoet als aangeefster niet terug zou komen en het aangeefster ‘kankerhoer’, ‘neukslet’ en ‘nutteloos’ noemen, worden door de verdachte niet ontkend, maar de verdachte ontkent hiermee dwang te hebben uitgeoefend. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting van het hof komt naar voren dat er tussen aangeefster en de verdachte sprake is geweest van een, zij het zeer ongepaste en voor aangeefster zeer schadelijke, relatie. Binnen het kader van die relatie hebben zich zowel de tenlastegelegde uitvoeringshandelingen als de tenlastegelegde seksuele handelingen voorgedaan. Er is niet gebleken dat sprake was van zodanig psychische druk of een zodanige afhankelijkheidsrelatie, dat aangeefster zich aan die seksuele handelingen niet kon onttrekken. Dat wordt onderstreept door het feit dat aangeefster de relatie uiteindelijk ook zelf heeft beëindigd. De onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde feitelijkheden strekten er zo bezien niet toe om aangeefster te dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen door de verdachte c.q. het ondergaan van ontuchtige handelingen door derden. Met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten - kort gezegd verkrachting en aanzetten tot ontucht – niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Gelet op het vorenstaande behoeft het voorwaardelijk verzoek van de verdediging geen bespreking. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met de toentertijd minderjarige [slachtoffer] gedurende een periode van ruim 2 jaar, waarbij het slachtoffer nog maar een meisje van 14 jaar oud was toen de ontucht begon. Bovendien heeft de verdachte kinderpornografische opnamen gemaakt van het slachtoffer, waar hij ook zelf als deelnemer op te zien is, en deze op een (swingers)website geplaatst en heeft hij derden betrokken bij het seksueel misbruik van deze minderjarige. Met deze handelwijze heeft de verdachte op grove wijze misbruik gemaakt van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, alsmede van de tussen hem en het slachtoffer aanwezige vertrouwensrelatie. De verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en heeft door zijn handelen het risico voor lief genomen dat hij de normale seksuele ontwikkeling van het slachtoffer ernstig zou verstoren. De ervaring leert immers dat slachtoffers van dergelijke zedendelicten daarvan langdurig geestelijke schade kunnen ondervinden, hetgeen ook in de onderhavige zaak aan de orde is, gehoord het slachtoffer in hoger beroep en gezien de toelichting op de vordering van het slachtoffer als benadeelde partij. Het slachtoffer is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis en ondergaat een intensieve behandeling. Ten slotte heeft de verdachte ander kinderpornografisch materiaal, een wapen en munitie -kort gezegd- in bezit gehad. De bewezenverklaarde feiten, met name de feiten onder 1 tot en met 4, zijn ernstig en verwerpelijk, maar met de rechtbank en anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van voorarrest, in de onderhavige zaak passend en geboden is en daarmee kan worden volstaan. Hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd om tot een zwaardere straf te komen leidt het hof niet tot een ander oordeel. Anders dan de rechtbank, ziet het hof echter geen aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling te verbinden. Daarbij heeft het hof met name gelet op de psychologische rapportage d.d. 23 februari 2021 die omtrent de verdachte is opgemaakt door N. van der Weegen , GZ-psycholoog. Hieruit volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische, een persoonlijkheids- en/of een seksuele stoornis of parafilie en het tenlastegelegde volledig aan de verdachte is toe te rekenen. De deskundige stelt dat er sprake is van een laag recidiverisico en een zorg- of behandeltraject wordt niet geadviseerd. Hoewel uit de reclasseringsrapportage van 17 september 2021 naar voren komt dat er zorgen zijn over de verdachte en dat een behandeling als interventie wordt geadviseerd, zal het hof hiertoe niet beslissen. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte binnen de penitentiaire inrichting reeds uit eigen beweging is aangevangen met een pre-behandeling door Kairos . Het hof heeft bovendien van de verdachte de indruk bekomen dat hij tot meer inzicht lijkt te zijn gekomen en dat hij gemotiveerd is om ook na detentie een behandeling te ondergaan. Het opleggen van reclasseringstoezicht heeft naar het oordeel van het hof aldus geen meerwaarde. Wel zal het hof, conform de beslissing van de rechtbank, het contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf omdat het hof het van belang acht dat het slachtoffer in het kader van haar eigen ontwikkeling, behandeling en verwerking, niet met de verdachte wordt geconfronteerd. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 46.187,80, bestaande uit een bedrag van € 16.187,80 aan materiële schade (ter zake van € 517,80 aan gemaakte en nog te maken reis- en parkeerkosten, € 14.900,00 voor de opgelopen studievertraging en € 770,00 aan betaald/nog te betalen eigen risico zorgverzekering) en een bedrag van € 30.000,00 aan immateriële schade (in verband met een opgelopen post traumatische stress stoornis). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.718,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2018 tot de dag der algehele voldoening. De reis- en parkeerkosten, voor zover betrekking op het bezoek aan het politiebureau en het bijwonen van de zitting, heeft de rechtbank afgewezen. Voor zover de vordering ziet op studievertraging, toekomstige reiskosten, toekomstige kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering, de hond [naam] en de meer gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven, met dien verstande dat de reiskosten ter terechtzitting in hoger beroep zijn beperkt tot de gemaakte reiskosten voor de 79 behandelingen bij de psycholoog tot een bedrag van € 492,96 en dat overige gevorderde reis- en parkeerkosten niet worden gehandhaafd. Ook voor wat betreft het eigen risico heeft de benadeelde partij toegelicht dat de vordering primair nog steeds € 770,00 bedraagt en ziet op het eigen risico van de jaren 2021 en 2022, maar voor zover het hof toekomstige schade niet toewijsbaar acht, de vordering subsidiair in ieder geval € 242,70 bedraagt. De vordering voor zover deze ziet op teruggave van de hond [naam] is ter terechtzitting eveneens ingetrokken nu de verdachte ter terechtzitting van het hof afstand heeft gedaan van de hond en ermee heeft ingestemd dat de hond bij de benadeelde partij blijft. In hoger beroep resteert derhalve een vordering van primair een bedrag van € 46.162,96 en subsidiair, indien het eigen risico over 2022 als toekomstige kosten door het hof niet toewijsbaar wordt geacht, een bedrag van € 45.635,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.