GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 21/00291 en 21/00292 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 december 2020, nummers BRE 19/5671 en 20/5793, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(3)8. 4.16.1. Zoals vermeld onder 4.12 is tussen partijen niet in geschil dat tot een bedrag van € 17.000 de ontvangen vergoeding geacht wordt te staan tegenover uitgaven/kosten die noodzakelijkerwijs worden gemaakt met het oog op een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking (zakelijke uitgaven). Aan voorwaarde 3 wordt derhalve tot een bedrag van € 17.000 voldaan. 4.16.2. Anders dan de inspecteur kennelijk doet, leest het hof in het bepaalde in artikel 31, lid 1, onderdeel f en artikel 31a, lid 2, Wet LB niet dat een gerichte vrijstelling vooraf moet worden gespecificeerd. Artikel 31, lid 1, onderdeel f, Wet LB bepaalt enkel dat de inhoudingsplichtige de vergoedingen en verstrekkingen dient aan te wijzen. Het hof gaat er daarbij vanuit, nu geen voorwaarden aan de aanwijzing zijn verbonden, dat de aanwijzing vormvrij is. Of een vergoeding of verstrekking is aangewezen zal doorgaans volgen uit de loonadministratie, op het moment dat de werknemer de vergoeding of verstrekking geniet. In een dergelijk geval zal, naar het oordeel van het hof sprake zijn van een aanwijzing als de vergoeding of verstrekking niet tot het loon van de werknemer is aangemerkt is en de vergoeding of verstrekking onder het bereik van artikel 31a, lid 2, onderdelen a tot en met i (tekst 2016) Wet LB valt. Het hof acht derhalve de door de inspecteur gestelde voorwaarde 1 te streng. [voetnoot 8: Deze voorwaarde correspondeert met het bepaalde in artikel 31a, lid 3, Wet LB (tekst 2016).]” 4.12. De inspecteur heeft in zijn reactie van 4 oktober 2022 aangevoerd dat onbelaste looncomponenten wél vooraf door de werkgever moeten worden aangewezen wil sprake zijn van een gerichte vrijstelling, en dat ook aan het gebruikelijkheidscriterium moet worden getoetst. Toegespitst op deze zaak heeft de inspecteur (verder) aangevoerd, primair, dat belanghebbende geen inzicht heeft gegeven hoe de kostenvergoedingen in 2015 en 2016 zijn samengesteld en hij daarom niet kan toetsen aan de bepalingen van de gerichte vrijstelling. Subsidiair heeft de inspecteur aangevoerd dat aan het gebruikelijkheidscriterium moet worden getoetst. Uit salarisstroken die bij de behandeling van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 zijn overgelegd blijkt tot welke bedrag [bedrijf] ‘flight expenses’ vergoedt. Dit is blijkbaar de gebruikelijke vergoeding. Het gaat om een bedrag van in totaal € 4.332. Dit doortrekkend naar de jaren 2015 en 2016 kan voor dat bedrag de gerichte vrijstelling in aanmerking worden genomen, aldus nog steeds de inspecteur in het kader van zijn subsidiaire standpunt. 4.13. Het hof stelt voorop dat het geen aanleiding ziet om van de hofuitspraak af te wijken wat betreft de opvatting over ‘vooraf’. Mede gelet op wat belanghebbende in de aanslagfase heeft gemeld (zie 2.7.3), gaan beide partijen ervan uit dat voor de vereiste ‘aanwijzing’ relevant is wat [bedrijf] doet (en niet [vennootschap] ). Het hof ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. Niet in geschil is dat de kosten ter zake waarvan een vergoeding is verstrekt, ook zijn gemaakt (vgl. ook de reactie van de inspecteur in 2.7.3). Belanghebbende heeft in de aanslagfase gemeld dat “Het opgeven, en gebruiken, van de zo genoemde expenses is gedaan volgens het Ierse recht en dit wordt door een accountant gecontroleerd” (zie 2.7.3). Het hof begrijpt hieruit dat volgens belanghebbende de kosten zijn gedeclareerd en vervolgens de kostenvergoedingen zijn verstrekt overeenkomstig de voorwaarden van [bedrijf] . Het hof heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Hierin ligt besloten dat de ‘expenses’ zakelijke kosten/uitgaven zijn (vgl. ook hofuitspraak, rov. 4.12). Verder volgt hieruit dat – gelet op de hofuitspraak – voldaan is aan het ‘aangewezen’-criterium. 4.14. Het probleem doet zich echter voor dat belanghebbende, hoewel de gemachtigde daartoe afdoende in de gelegenheid is gesteld (zie 1.7-1.11), niet heeft gereageerd op de reactie van de inspecteur van 4 oktober 2022. Belanghebbende heeft dus ook niet gesteld hoe de kostenvergoedingen zijn opgebouwd in termen van kostensoorten en daarbij behorende bedragen. Dat is als uitgangspunt wel nodig omdat de gerichte vrijstellingen zijn beperkt tot de specifieke posten genoemd in artikel 31a, lid 2, Wet LB. Het hof heeft onderkend dat in de aanslag- en/of bezwaarfase wel diverse stukken zijn overgelegd (waaronder het in 2.7.5 vermelde overzicht) waaruit wellicht, al dan niet met gepuzzel, enige kostensoorten en met bijbehorende bedragen zijn af te leiden, maar het hof rekent het niet tot zijn taak om dat laatste te doen. Gelet op de eisen van een behoorlijke rechtspleging is het aan belanghebbende om concreet te stellen om welke kostenposten en welke bedragen het gaat, en is het niet aan het hof om bijlagen uit te pluizen. Deze eis hangt mede samen met het gerechtvaardigde (verdedigings)belang van de inspecteur om duidelijk te hebben waartegen hij zich (desgewenst) dient te verweren. Daarbij komt nog dat belanghebbende ook geen gemotiveerd standpunt heeft ingenomen over het gebruikelijksheidscriterium zoals verwoord in artikel 31, lid 1, letter f, Wet LB. 4.15. Tegenover dit alles staat wel dat onaannemelijk is dat - mede gelet op de hoogte van de kostenvergoedingen, de omschrijving van de kostenposten door belanghebbende in de aanslagfase (2.7.3) en de hofuitspraak over een ogenschijnlijk in hoge mate vergelijkbaar geval - geen enkele van de kostenvergoedingen onder de posten van de gerichte vrijstelling is te scharen. Het hof zal daarom de inspecteur niet volledig volgen in zijn primaire standpunt. In dat opzicht werpt het hof het gebrek aan reactie niet volledig aan belanghebbende tegen. Bij gebrek aan concrete stellingname van belanghebbende over de kostenposten en het gebruikelijkheidscriterium (zie 4.14) ziet het hof echter geen aanleiding om een hoger bedrag onder de gerichte vrijstelling te scharen dan de inspecteur in zijn subsidiaire standpunt voorstaat. In zoverre volgt het hof de inspecteur dus wel in zijn primaire en subsidiaire standpunt. En in zoverre werpt het hof het gebrek aan reactie dus wel tegen aan belanghebbende. 4.16. Voor het geval € 4.332 onder de gerichte vrijstelling kan worden gebracht, neemt de inspecteur het standpunt in dat het fiscale loon in 2015 en 2016 met dat bedrag dient te worden verlaagd. Het hof zal de inspecteur – die kennelijk om pragmatische redenen, wellicht gelet op de hoogte ervan, het effect op de vrije ruimte buiten beschouwing laat – hierin volgen. Tussenconclusie 4.17. Het voorgaande betekent voor het jaar 2015 dat het inkomen uit werk en woning € 4.332 lager is dan waarvan de inspecteur uitging, en dat het restant PGA ultimo 2015 dienovereenkomstig hoger moet worden vastgesteld op (€ 27.223 plus € 4.332
- is)€ 31.555. Voor het jaar 2016 betekent dit dat het inkomen uit werk en woning € 4.332 lager is dan waarvan de inspecteur uitging. Nu bovendien de restant PGA ultimo 2015 € 4.332 hoger is, komt het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2016 uit op (€ 86.728 minus € 4.332 minus € 4.332
- is)€ 78.064. Dit betekent verder dat de restant PGA ultimo 2016 nog steeds nihil is. Vraag c (voorkoming dubbele belasting in Duitse periode) 4.18. Niet in geschil is dat belanghebbende in de periode vanaf het moment van stationering in Duitsland (hierna: de Duitse periode) binnenlands belastingplichtig in Nederland is en daarmee ook inwoner van Nederland is voor de toepassing van het Belastingverdrag met Duitsland. 4.19. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegestaan voor een inkomensbedrag van € 14.853 op grond van het Belastingverdrag met Duitsland. De inspecteur is daarbij uitgegaan van de toepasselijkheid van artikel 14, lid 1, Belastingverdrag met Duitsland. De inspecteur heeft aftrek gebaseerd op het uitgangspunt dat belastingheffing over het in dat artikel omschreven inkomen enkel aan Duitsland toekomt voor zover dit betrekking heeft op werkzaamheden verricht op of boven het grondgebied van Duitsland. De inspecteur heeft het gedeelte van de werkzaamheden verricht op of boven het grondgebied per vluchtdeel berekend. De rechtbank heeft in onderdelen 2.33-2.41 van haar uitspraak uiteengezet dat de inspecteur terecht geen aftrek voor een hoger bedrag dan over € 14.853 in aanmerking heeft genomen. 4.20. Belanghebbende stelt dat het bedrag van de aftrek hoger dient te zijn. Belanghebbende heeft daartoe als hogerberoepsgrond naar voren gebracht dat belanghebbende haar werkzaamheden uitoefent vanuit een vaste inrichting van de werkgever ( [bedrijf] ) in Duitsland. Het hof overweegt dat dit laatste niet in geschil is. Het feit dat de werkgever een vaste inrichting in Duitsland heeft, brengt echter - gelet op artikel 14 Belastingverdrag met Duitsland - nog niet mee dat het heffingsrecht over het loon van belanghebbende volledig aan Duitsland toekomt. Deze hogerberoepsgrond helpt belanghebbende dus niet. Opmerking verdient daarbij dat op grond van het vierde lid van artikel 14 Belastingverdrag met Duitsland het heffingsrecht aan Duitsland toekomt indien ‘de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming die (…) luchtvaartuig (…) exploiteert’ in Duitsland is gelegen, maar dat daarvoor onvoldoende is dat sprake is van een vaste inrichting in Duitsland. Het moet gaan op de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming, en die is – naar tussen partijen niet in geschil is – gelegen in Ierland. 4.21. Zo de hogerberoepsgrond van belanghebbende ook zo moet worden begrepen dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 14, lid 1, Belastingverdrag met het Duitsland, faalt deze grond ook. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat slechts voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend voor zover het inkomen betrekking heeft op werkzaamheden verricht op of boven het grondgebied van Duitsland. Belanghebbende heeft verder niet bestreden het oordeel van de rechtbank over de wijze van toepassing van dit artikel uitgaande van de voormelde uitleg. 4.22. Belanghebbende heeft in het hogerberoepschrift in dit kader ook nog betoogd dat de OESO nieuwe wetgeving voorbereid, dat op grond van de Awb rekening dient te worden gehouden met aanstaande wetgeving, dat de Nederlandse belastingdienst aan fiscale grensverkenning doet, dat geen sprake is van een level playing field en dat grondrechten worden geschonden. Al dit alles kan belanghebbende niet helpen. Er is of sprake van een onjuiste rechtsopvatting dan wel sprake van een stelling die geen steun vindt in de feiten. 4.23. Het voorgaande betekent dat de wijze van berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting niet wijzigt. Wel wijzigt het bedrag waarover de aftrek wordt verleend, in verband met de verlaging van het belastbare loon met € 4.332. De invloed van die verlaging zal – bij gebrek aan andere gegevens – pro rata worden bepaald, wat resulteert in een verlaging van de aftrek tot een berekend over een vrij te stellen inkomen van € 14.316. Conclusie 4.24. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De bij 6.2a-beschikking vastgestelde restant PGA ultimo 2015 wordt verhoogd tot € 31.555 (zie 4.17). De aanslag IB voor het jaar 2016 wordt verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.064 en een via aftrek ter voorkoming van dubbele belasting vrij te stellen inkomen van € 14.316 (zie 4.17 en 4.23). De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd. De bij 6.2a-beschikking vastgestelde restant PGA ultimo 2016 blijft nihil. Ten aanzien van het griffierecht 4.25. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van (€ 47 en € 48 respectievelijk € 134 is in totaal) € 229 te vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.26. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van de zaken in beroep en hoger beroep. Het hof stelt de tegemoetkoming vast op € 3.415,50 voor kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hof is daarbij van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken zowel in beroep als in hoger beroep. Het bedrag is als volgt opgebouwd: - voor hoger beroep: 2 punten x € 759 x 1 (factor gewicht) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1518; - voor beroep: 2,5 punten x 759 x 1 (factor gewicht) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.897,50. 4.27. Belanghebbende heeft voor het overige geen kosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 4.28. Voor vergoeding van kosten in bezwaar is geen aanleiding omdat niet gebleken is dat de wettelijke eis dat een verzoek daartoe is gedaan in de bezwaarfase. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar, maar alleen voor zover deze betrekking hebben op de 6.2a-beschikking voor het jaar 2015, de aanslag IB voor het jaar 2016 en de daarbij genomen belastingrentebeschikking; verhoogt de bij 6.2a-beschikking vastgestelde restant PGA ultimo 2015 tot € 31.555; vermindert de aanslag IB voor het jaar 2016 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.064 en een via aftrek ter voorkoming van dubbele belasting vrij te stellen inkomen van € 14.316, en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van de zaken in beroep en hoger beroep van, in totaal, € 229 vergoedt; veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van in totaal € 3.415,50. De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.R.T. Pauwels, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. De griffier, Raadsheer, K.M.J. van der Vorst M.R.T. Pauwels De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door M.R.T. Pauwels, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Op grond van artikel 6.2a Wet inkomstenbelasting 2001. Basisregistratie personen. Belanghebbende gaat uit van 18 april 2016. Die datum heeft de rechtbank ook als uitgangspunt genomen, maar de inspecteur stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep (onderdeel 3.9 en 7.4.7) gemotiveerd dat het 2 juni 2016 is. Onderdeel 13 van de brief van belanghebbende die op 22 juli 2020 door de rechtbank is ontvangen (dossiernummer A7). Anders komt het hierna vermelde belastbaar loon niet uit op € 119.660. Het bedrag van € 121.458 komt ook overeen met de optelsom van de ‘basic pay’ van € 68.764,32 en ‘expenses’ van € 52.693,76 zoals vermeld op het door de inspecteur gemaakte overzicht (bijlage 9 bij het verweerschrift in beroep). Algemene wet inzake rijksbelastingen. Vergelijk Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824. Vergelijk Hoge Raad 22 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX4909, BNB 1973/120. Artikel 2.1, lid 1, sub a, in samenhang met artikel 2.4, lid 1, sub a, en artikel 3, lid 1, Wet IB 2001. Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 11 februari 1969. Vgl. HvJ EU 14 november 2006, zaak C-513/04, Kerkhaert en Morres, ECLI:EU:C:2006:713. Het hof was er namelijk van ambtswege mee bekend dat een van de namens de inspecteur ter zitting verschenen ambtenaren ook betrokken was bij de zaak waarin de bedoelde uitspraak is gedaan, waardoor deze ambtenaar zelfs al eerder dan de publicatiedatum kennis had over de uitspraak. Vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, rov. 3.3.2. Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 12 april 2012. De rechtbank heeft onbestreden vastgesteld dat van het belastbaar geachte loon van € 119.660 in 2016 € 20.640 toerekenbaar is aan de Ierse periode en € 99.020 aan de Duitse periode. Aangezien het belastbaar loon wordt verlaagd tot (€ 119.660 minus € 4.332
- is)€ 115.328, gaat het hof uit van een dienovereenkomstige verlaging van het aan de Duitse periode toerekenbaar bedrag tot ((€ 115.328/€ 119.660) x € 99.020
- is)€ 95.435. Het vrij te stellen inkomen in de Duitse periode wordt dienovereenkomstig verminderd tot ((€ 95.435/€ 99.020) x € 14.853
- is)€ 14.316. Het bericht van 16 april 2020 met de reactie op het verweerschrift wordt – conform de destijds van toepassing zijnde lijn zoals die blijkt uit rechtsoverweging 4.6.3 van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638 – aangemerkt als conclusie van repliek.