Parketnummer : 20-002063-20 (OWV) Uitspraak : 23 december 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 september 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-820010-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 21 september 2020 het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 77.652,22 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van voornoemd geldbedrag aan de Staat. Tevens is het aantal dagen gijzeling bepaald dat kan worden gevorderd bij niet betaling van het ontnemingsbedrag. Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een geldbedrag van € 60.000,00, waarbij aan de betrokkene een betalingsverplichting zal worden opgelegd voor datzelfde bedrag. De verdediging heeft bepleit dat de vordering zal worden afgewezen. Vonnis waarvan beroep Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeling in de hoofdzaak Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 september 2020 onder parketnummer 01-820010-17 is de betrokkene veroordeeld voor – kort gezegd – het in de periode van 1 december 2016 tot en met 7 januari 2017 medeplegen van het op beroeps-/bedrijfsmatige wijze telen van 655 hennepplanten. De wettelijke grondslag Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormeld feit en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan – te weten het telen van hennepplanten in de periode vóór 1 december 2016 tot en met 7 januari 2017 – een voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de betrokkene moet worden gevolgd, inhoudende dat hij van de drie oogsten geen voordeel heeft genoten. Het hof overweegt als volgt. Uit de verklaring van [verdachte] blijkt dat hij heeft verklaard dat er sprake is geweest van een drietal oogsten. Voorts blijkt uit de inhoud van het dossier dat er kalkaanslag op de plantenpotten en op het zeil is aangetroffen. Op de koolstoffilters is stof aangetroffen. Ook zijn er lege verpakkingsmaterialen van groei-/bloeimiddelen en potgrond aangetroffen. Bovendien is een verkleuring van houten latten geconstateerd. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht het hof het aannemelijk dat sprake is geweest van een drietal oogsten. De betrokkene heeft verklaard dat hij pas na de eerste drie oogsten een deel van de winst zou krijgen en dat hij aldus niets van de opbrengsten van de drie oogsten heeft ontvangen. Het hof acht die verklaring ongeloofwaardig. Het hof acht het niet aannemelijk dat de betrokkene wel alle bij een hennepkwekerij behorende risico’s heeft aanvaard, welke kwekerij in de kelder onder zijn woning is gebouwd en ingericht, en daar geen enkele vergoeding voor heeft ontvangen. Hierbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de betrokkene werkzaam is als marktkoopman en hij aldus ervaring heeft met het maken van afspraken als het gaat om financiële zaken en het genereren van inkomsten. Met de advocaat-generaal acht het hof het wel aannemelijk dat de initiële investeringskosten voor (het opbouwen van) de hennepkwekerij door een ander – door de betrokkene [betrokkene] genoemd – zijn gedragen. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de betrokkene geen daadwerkelijk voordeel heeft genoten van de eerste oogst en dat de opbrengsten van die oogst ten gunste zijn gekomen van diegene die de initiële investeringskosten voor zijn rekening heeft genomen. Het hof zal derhalve het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op basis van twee oogsten. Gelet op de periode waarin de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen van hennepplanten en het gegeven dat – zoals hiervoor overwogen – het hof ervan uit gaat dat de betrokkene geen voordeel heeft genoten van de eerste oogst, gaat het hof bij de berekening uit van het in het dossier opgenomen rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en de inhoud van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, update 1 juni 2016’. Opbrengsten Het hof berekent de opbrengsten van een oogst als volgt. Opbrengsten kweekruimte 1 In de eerste kweekruimte stonden minimaal 111 hennepplanten. De oppervlakte van de beplanting in deze kweekruimte was 15m². Per m² stonden er 7,4 hennepplanten. De opbrengst aan hennep per plant van de eerste kweekruimte is minimaal 31,4 gram. De totale opbrengst bedraagt 111 planten x 31,4 gram: 3,4854 kilogram. De totale opbrengst bedraagt 3,4854 kilogram x € 4.070,00: € 14.185,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.