GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.282.330/01 arrest van 15 februari 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna: [appellant] , advocaat: mr. M.M. van de Marel te Eindhoven, tegen [geintimeerde] , wonende in [woonplaats] , geïntimeerde, hierna: [geintimeerde] , advocaat: mr. A.A.W. den Ouden te Oisterwijk, op het bij dagvaardingsexploot van 29 juli 2020 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen vonnis van 29 april 2020 tussen [appellant] als eiser in conventie/verweerder in reconventie en [geintimeerde] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie 1Het geding in eerste aanleg (zaak 7900876 CV EXPL 19-4200) Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 17 juli 2019 (van de kantonrechter in Breda, gewezen onder 7708086 CV EXPL 19-1949) en 7 augustus 2019. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het voornoemde dagvaardingsexploot van [appellant] ; het herstelexploot van [appellant] ; - de rolaantekeningen dat tegen [geintimeerde] verstek is verleend dat later is gezuiverd; de memorie van grieven van [appellant] met producties; de memorie van antwoord van [geintimeerde] . 2.2 Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en die van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 In dit geding gaat het kort gezegd om door de verhuurder gevorderde achterstallige huurpenningen en herstelkosten met nevenvorderingen. 3.2 Als gesteld en niet (voldoende) betwist vormen de volgende feiten voor het hof het uitgangspunt. a. Bij tussen partijen gesloten huurovereenkomst heeft [appellant] onzelfstandige woonruimte aan de [adres] in [gemeente] met ingang van 27 juli 2013 aan [geintimeerde] verhuurd tegen een door [geintimeerde] bij vooruitbetaling te betalen maandhuur van € 304,-- en een energievoorschot van € 74,-- per maand. De door partijen ondertekende en op 27 juli 2013 gedateerde schriftelijke huurovereenkomst vermeldt: “(…) Art. 1. (…) De verhuurder verhuurt (…) de achterkamer op de eerste verdieping (naast de badkamer) (…) Deze kamer wordt gebruikt als woonruimte voor huurder (max. 1 persoon). (…) Art. 8: De huurder is verplicht de schade te vergoeden of te herstellen die hij of iemand voor wie hij aansprakelijk is (bv. zijn bezoekers) heeft veroorzaakt. (...) (…)” [geintimeerde] heeft de huurovereenkomst door opzegging doen eindigen. Er heeft geen verrekening van de energiekosten plaatsgevonden. 3.3 In dit met de dagvaarding van 12 april 2019 ingeleide geding heeft de kantonrechter in Breda zich bij tussenvonnis van 17 juli 2019 onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kantonrechter in Tilburg. Bij het tussenvonnis van 7 augustus 2019 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. Bij het beroepen (eind)vonnis van 29 april 2020 heeft de kantonrechter kort samengevat: - in conventie: afgewezen de vordering van [appellant] om [geintimeerde] te veroordelen tot betaling van: a. € 2.801,-- voor achterstallige huurpenningen; b. € 210,-- voor contractuele boete; c. € 420,-- voor herstel- en opknapkosten: d. € 90,-- voor aanmaningskosten; e. wettelijke rente vanaf de factuurdatum althans vanaf 12 april 2019; f. € 480,10 voor buitengerechtelijke (incasso)kosten; g. de proceskosten met wettelijke rente; h. de nakosten; en [appellant] veroordeeld tot betaling van de op € 480,-- begrote proceskosten; - in reconventie: afgewezen de vordering van [geintimeerde] om [appellant] te veroordelen tot (terug)betaling van: i. € 300,-- aan borg; j. de proces- en nakosten met wettelijke rente; en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 3.4 In beroep formuleert [appellant] drie grieven en concludeert [appellant] in de kern dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en de bij akte vermeerdering van eis in eerste aanleg gedane vorderingen alsnog zal toewijzen en [geintimeerde] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten van de eerste aanleg en het beroep, met nakosten en wettelijke rente. 3.5 [geintimeerde] weerspreekt de grieven en concludeert in hoofdlijn dat het hof het beroep zal verwerpen en [appellant] zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties. Vermeerdering van eis en voorliggende vordering 3.6 Het hof overweegt dat [appellant] bij akte vermeerdering van eis in eerste aanleg zijn eis heeft willen vermeerderen. De kantonrechter heeft die akte echter niet toegelaten en die eiswijziging niet toegestaan omdat: “(…) [geintimeerde] in zijn verdediging is geschaad door de late indiening van de akte wijziging eis.” (beroepen vonnis rov. 3.4). Die kantonrechtersbeslissing ligt in beroep niet aan het hof voor, maar [appellant] wil zijn eis bij de memorie van grieven alsnog dienovereenkomstig wijzigen. [geintimeerde] maakt hiertegen bezwaar en werpt in hoofdlijn tegen dat die akte niet tot de gedingstukken uit de eerste aanleg behoort, dat [appellant] in beroep niet zo’n akte vermeerdering van eis heeft genomen, dat de vermeerdering van eis in strijd met het toepasselijke Procesreglement niet in de titel van de memorie van grieven is vermeld en daarin verder ook niet duidelijk is toegelicht. 3.7 Hoewel [appellant] de verandering van eis inderdaad niet overeenkomstig artikel 2.14 van het toepasselijke Procesreglement in de titel van de memorie van grieven heeft vermeld, ziet het hof in dit geval geen aanleiding om de eiswijziging in beroep buiten beschouwing te laten. Op grond van het in de artikelen 130 lid 1 en 353 lid 1 Rv besloten uitgangspunt mag [appellant] als oorspronkelijk eiser de eis bij de memorie van grieven wijzigen, tenzij dit (de verdediging van de gedaagde onredelijk bemoeilijkt, het geding onredelijk vertraagt of anderszins) in strijd komt met de eisen van een goede procesorde of de (in artikel 347 lid 1 Rv besloten) tweeconclusieregel. In dit beroep heeft [appellant] zijn wijzigingsbevoegdheid tijdig in zijn eerste memorie gebruikt door te concluderen tot toewijzing van de vermeerderde vordering zoals opgenomen in de als productie 3 bij diezelfde memorie (alsnog) ingebrachte akte wijziging van eis. Mede in het licht van de overige gedingstukken heeft [appellant] daarmee voldoende duidelijk gemaakt wat [appellant] in beroep precies wil eisen en op grond waarvan. Hierdoor was ook tijdig voor [geintimeerde] kenbaar dat [appellant] kort samengevat op met name de al in eerste aanleg toegelichte gronden, naast de conventionele vorderingen b. tot en met h. ook de tot een bedrag van € 4.286,-- vermeerderde conventionele vordering a. aan het hof wil voorleggen. Nu [geintimeerde] bij de memorie van antwoord voldoende gelegenheid heeft gehad om zich tegen de eiswijziging behoorlijk te verweren en de eiswijziging ook anderszins niet in strijd komt met de eisen van een goede procesorde, zal het hof de vermeerdering van eis toelaten. 3.8 Bij gebreke van daartegen door [geintimeerde] ingesteld (incidenteel) beroep zijn de in reconventie afgewezen vorderingen i. en j. van [geintimeerde] in beroep niet aan de orde. Ook voor zover [geintimeerde] in beroep concludeert tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg, herkent het hof daarin in ieder geval geen (incidenteel) beroep van [geintimeerde] . 3.9 Gezien het voorgaande concludeert het hof dat het beroepen vonnis niet in beroep voorligt voor zover dat in reconventie is gewezen. Dit beroep beperkt zich tot de in conventie gegeven kantonrechtersbeslissingen en spitst zich met de door [appellant] vermeerderde vordering en grieven toe op de aan het hof voorliggende vordering van [appellant] om [geintimeerde] kort gezegd te veroordelen tot betaling van: € 4.286,-- voor achterstallige huurpenningen; € 210,-- voor contractuele boete; € 420,-- voor herstel- en opknapkosten: € 90,-- voor aanmaningskosten; wettelijke rente vanaf de factuurdatum althans vanaf 12 april 2019; € 480,10 voor buitengerechtelijke (incasso)kosten; de proceskosten van de eerste aanleg en het beroep, met nakosten en wettelijke rente. Of (en in hoeverre) deze vorderingen van [appellant] ook toegewezen zullen worden, is een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken. Vordering A 3.10 [appellant] legt aan vordering A in de kern ten grondslag dat [geintimeerde] tekort is geschoten door niet-nakoming van de huurdersverplichting om de huur (tijdig) te voldoen. Volgens [appellant] heeft de huurovereenkomst van 23 juli 2013 tot en met december 2014 geduurd, maar is toen voor 14 van de 17 maanden de huur niet (tijdig) is betaald en zijn daarom zes aanmaningen naar [geintimeerde] gestuurd. 3.11 Het hof overweegt dat op [appellant] die de rechtsgevolgen daarvan inroept, de stelplicht en eventuele bewijslast rust (van feiten waaruit volgt) dat en in hoeverre [geintimeerde] in de verplichting tot (tijdige) huurbetaling tekort is geschoten. De kantonrechter heeft in dit verband kort samengevat geoordeeld: “(…) dat [appellant] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en met stukken onderbouwd waar zijn vordering (…) op is gebaseerd.” (beroepen vonnis rov. 3.6). [appellant] komt met grief 1 tegen dat kantonrechtersoordeel op en verwijst met name naar de schriftelijke huurovereenkomst, naar een maandelijks verschuldigde huursom van € 378,-- en naar het (als productie 7 bij memorie van grieven) overgelegde betalingsoverzicht. Op basis daarvan rekent [appellant] voor dat [geintimeerde] over de huurperiode van 17 maanden in totaal (17 maal € 378,--
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.