Parketnummer : 20-000227-20 Uitspraak : 23 december 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 januari 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-993268-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, wonende te [adres] . Hoger beroep De meervoudige strafkamer van de rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is bij vonnis waarvan beroep de inbeslaggenomen telefoonautomaat verbeurd verklaard en zijn de twee valse kentekenplaten onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de voorlopige hechtenis geschorst. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen en is daarnaast gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte is verzocht de vordering opheffing schorsing van de voorlopige hechtenis af te wijzen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust met uitzondering van de opgelegde straf. Op te leggen sanctie De raadsman heeft bepleit een taakstraf in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en waarbij de proeftijd eventueel verlengd kan worden tot drie jaren. In ieder geval heeft de raadsman verzocht geen geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat dit grote financiële gevolgen zal hebben voor de verdachte, zijn gezin en zijn ouders. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging vervaardigen van amfetamine. De productie van amfetamine en de bijbehorende opslag van chemicaliën, nodig voor de productie van synthetische drugs, brengen grote gevaren mee, zoals ontploffings- en brandgevaar en gevaar voor het vrijkomen van giftige stoffen. Het vervaardigen van amfetamine op de wijze zoals in deze zaak aan de orde is, levert daarmee gevaar op voor personen en goederen. Dergelijk gevaar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt doordat zich op 24 mei 2018 een sterke rookontwikkeling heeft voorgedaan vanuit de loods waarin het amfetamine lab zich bevond. Het productieproces levert bovendien grote hoeveelheden schadelijke afvalstoffen op die, zo leert de praktijk, vaak illegaal onder andere in natuurgebieden worden gedumpt. Dit brengt grote fysieke schade toe aan de natuur en materiële schade in verband met de aanzienlijke kosten die met het opruimen van het chemische afval gemoeid zijn. Bovendien levert amfetamine voor gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Het betreft hier een verslavend en bewustzijnsbeïnvloedend middel ten aanzien waarvan de wetgever om die reden de productie en het bezit heeft verboden. Ook gaan de productie van en de handel in harddrugs gepaard met diverse vormen van criminaliteit. Productiehandelingen zoals verricht door verdachte staan aan het begin van deze keten, met een maatschappelijk ontwrichtende werking als resultaat. De verdachte heeft zich kennelijk geen enkele rekenschap gegeven van al deze gevolgen, maar is alleen uit geweest op zijn eigen gewin. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 oktober 2022, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld. De politierechter in de rechtbank Limburg heeft de verdachte bij vonnis van 4 februari 2016 (parketnummer 03-238093-15) ter zake van ‘het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot de teruggave en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen. Voorts heeft het hof de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn vader het bedrijf [bedrijf] heeft en 60 uren per week werkt. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij gestopt is met blowen. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 17 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.