Parketnummer : 20-002571-20 Uitspraak : 13 mei 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2020, in de strafzaak met parketnummer 02-259318-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de eerste rechter de onder verdachte in beslag genomen personenauto onttrokken aan het verkeer en het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 176.500,00 verbeurd verklaard. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende: het ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte te dier zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht; ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen zal beslissen conform de eerste rechter. De verdediging heeft: primair bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken; subsidiair – voor het geval het hof toch tot bewezenverklaring zou komen – dat zal worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf; zich met betrekking tot de beslissing ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met dien verstande dat hetgeen de eerste rechter heeft overwogen op de pagina’s 3 en 4 van het beroepen vonnis, onder het kopje ‘Wetenschap van verdachte’, wordt vervangen door de hierna opgenomen bewijsoverweging. Bewijsoverweging Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, aangezien niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij wist dat het onder hem aangetroffen geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat, indien het hof de advocaat-generaal zou volgen in zijn oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet, wellicht kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijk risico bestond dat het onderhavige geldbedrag van misdrijf afkomstig was, maar dat er geen enkel bewijs bestaat dat de verdachte dat risico ook heeft aanvaard. Het hof overweegt dienaangaande als volgt Het namens de verdachte gevoerde verweer dat enerzijds uitgaat van de mogelijkheid dat het hof voorwaardelijk opzet aanneemt terwijl anderzijds door het hof wordt vastgesteld dat “er geen enkel bewijs bestaat dat de verdachte dat risico (dat het geld van misdrijf afkomstig was) ook heeft aanvaard”, miskent het gegeven dat het (voorwaardelijk) opzet niet slechts de wetenschap maar ook de aanvaarding van die wetenschap omvat. Het hof begrijpt het verweer aldus dat onder omstandigheden geen sprake van aanvaarden kon zijn omdat de verdachte niet wist dat het geld van enig misdrijf afkomstig was. Het hof oordeelt hierover als volgt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 28 oktober 2019 in zijn personenauto reed over de rijksweg A4 en vervolgens door de politie is gecontroleerd in het kader van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.