GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.282.259/01 arrest van 15 maart 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: onttrokken, voorheen mr. N. Broeren te Tilburg, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna aan te duiden als [geïntimeerden] , advocaat: mr. N. Heijkant te Dongen, op het bij exploot van dagvaarding van 17 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 juli 2020, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/373825 / KG ZA 20-343) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 juli 2020 (hierna: het bestreden vonnis). 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met productie; de memorie van antwoord; het H2-formulier van 8 juli 2021, waarbij mr. Broeren heeft medegedeeld dat hij zich aan de zaak onttrekt en dat hij zijn cliënt op 29 juni 2021 heeft gewezen op de gevolgen daarvan en welke onttrekking administratief is verwerkt op de rolzitting van 13 juli 2021; het bericht van partij [appellant] van 4 januari 2022, waarbij hij, zakelijk weergegeven, heeft medegedeeld dat wat hem betreft de mondelinge behandeling geen doorgang behoeft te vinden en meldt dat de zaak voor arrest kan worden gezet; de mondelinge behandeling na memorie van antwoord, waarbij [appellant] niet aanwezig was. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling Kern van het geschil Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant] terecht is veroordeeld in de proceskosten van het kort geding dat [appellant] voor de mondelinge behandeling heeft ingetrokken en waarvan [geïntimeerden] een beslissing omtrent de proceskosten heeft verzocht. De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. a. [appellant] heeft tegen [geïntimeerden] bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant een bodemprocedure aanhangig gemaakt. Centraal in die procedure stond een tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst met betrekking tot een aan partijen bekende onroerende zaak, waarbij [appellant] als koper optrad en [geïntimeerden] als verkoper. [appellant] heeft in verband daarmee tegen [geïntimeerden] diverse vorderingen ingesteld. In reconventie heeft [geïntimeerden] diverse vorderingen tegen [appellant] ingesteld, waaronder een geldvordering. b. Bij vonnis van 18 december 2019 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, zakelijk weergegeven, in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. In reconventie is [appellant] veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een geldbedrag, vermeerderd met wettelijke rente. c. Blijkens een deurwaardersexploot, gedateerd 24 december 2019, is op verzoek van [geïntimeerden] op grond van de grosse van het vonnis van 18 december 2019 ten laste van [appellant] executoriaal beslag gelegd op twee onroerende zaken die aan [appellant] in eigendom toebehoren. Het gaat om de door [appellant] bewoonde woning aan het [adres 1] te [plaats] (hierna: de eigen woning) en een onroerende zaak aan de [adres 2] te [plaats] (hierna: het beleggingspand). d. De eigen woning was op het moment van de beslaglegging belast met een hypotheek. e. Bij e-mail van 24 juni 2020 heeft de toenmalige advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerden] medegedeeld dat [appellant] het beleggingspand vrij van beslagen en hypotheken wilde leveren aan een derde. Tevens wordt daarin medegedeeld dat uit een recent taxatierapport blijkt dat de eigen woning een overwaarde van ongeveer € 200.000,-- heeft en dat daarmee de vordering van [geïntimeerden] zou zijn gedekt en het op het beleggingspand gelegde beslag dus onnodig is. Met de e-mail wordt ook, met zoveel woorden, verzocht het beslag op het beleggingspand op te heffen en aangezegd dat anders een kort geding zal worden begonnen. f. Bij e-mail van 25 juni 2020 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan de advocaat van [appellant] bericht, samengevat, dat [geïntimeerden] mee wil werken aan de verzochte opheffing van het beslag op voorwaarde dat [appellant] een bankgarantie stelt voor het volledige verschuldigde bedrag met rente en kosten. De procedure bij de voorzieningenrechter 3.2. Op 26 juni 2020 heeft [appellant] [geïntimeerden] op verkorte termijn gedagvaard om op 2 juli 2020 om 13:30 uur te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarbij vorderde [appellant] de opheffing van het beslag dat op verzoek van [geïntimeerden] ten laste van [appellant] was gelegd op het beleggingspand, een en ander als in die dagvaarding nader omschreven, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding, zoals eveneens in die dagvaarding nader omschreven. 3.3. Bij brief, ter griffie ingekomen op 1 juli 2020, heeft [geïntimeerden] de conclusie van antwoord overgelegd. 3.4. Bij e-mailbericht van 1 juli 2020 om 14:49 uur heeft [appellant] het kort geding ingetrokken. 3.5. Bij faxbericht van 2 juli 2020 heeft [geïntimeerden] de voorzieningenrechter primair verzocht, zakelijk weergegeven, om een volledige vergoeding van gemaakte kosten conform de bijgevoegde urenspecificatie en declaratie (die een bedrag van € 3.200,24 betreft), althans een zodanige vergoeding als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren. Subsidiair heeft [geïntimeerden] aanspraak gemaakt op vergoeding van geliquideerde kosten. Verder heeft [geïntimeerden] voor wat betreft zowel het primair als het subsidiair gevorderde verzocht om uitvoerbaar bij voorraad-verklaring. [geïntimeerden] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat het een kort geding op verkorte termijn betreft, waardoor [geïntimeerden] onmiddellijk in actie diende te komen om een conclusie van antwoord te doen opstellen en indienen als ook het doen vervaardigen van een pleitnota, waardoor [geïntimeerden] aanzienlijke kosten heeft moeten maken. Daarbij heeft [geïntimeerden] verwezen naar de uitspraak van de HR van 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087. 3.6. [appellant] heeft op 7 juli 2020 verweer gevoerd tegen de gevorderde proceskostenveroordeling. [geïntimeerden] heeft per faxbericht van 9 juli 2020 op het verweer van [appellant] gereageerd en daarbij met zoveel woorden bericht dat zij volhardt in haar aanspraken op een proceskostenvergoeding. Vervolgens heeft [appellant] bij faxbericht van 14 juli 2020 zijn eerder ingenomen stellingen onverkort gehandhaafd. 3.7. Bij vonnis in kort geding van 28 juli 2020 heeft de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt geoordeeld. De intrekking van het kort geding komt onder de omstandigheden die zich met betrekking tot het door hem aanhangig gemaakte kort geding hebben voorgedaan voor risico van [appellant] . [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk was om reeds op 26 juni 2020 op verkorte termijn het kort geding aanhangig te maken. [appellant] is daarom op één lijn te stellen met een in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv. [appellant] zal om die reden worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] (rov. 2.7). [geïntimeerden] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen (rov. 2.9). Voor de begroting van de hoogte van de advocaatkosten van [geïntimeerden] zal worden aangesloten bij het liquidatietarief. Voor toewijzing van de verzochte reële proceskosten bestaat geen aanleiding (rov. 2.10). Over de begroting van de proceskosten overweegt de voorzieningenrechter verder: “Aangezien er geen zitting heeft plaatsgevonden wordt de vergoeding voor het salaris van de advocaat van [geïntimeerden] begroot op € 490,00 (zijnde de helft van het in kort geding gebruikelijke tarief van € 980,00) voor het oorspronkelijke kort geding en € 245,00 (zijnde een kwart van het in kort geding gebruikelijke tarief) voor dit proceskostengeschil.” - De proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] zijn aldus begroot op een bedrag van in totaal € 1.039,--, inclusief € 304,- aan griffierecht. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld voor een bedrag van € 1.039,--, het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. Het hoger beroep 3.8. [appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het opnieuw rechtdoende alsnog afwijzen van de vordering tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties en terugbetaling van hetgeen [appellant] al voldeed op basis van het bestreden vonnis. 3.9. [geïntimeerden] heeft geantwoord. Het primaire standpunt van [geïntimeerden] is dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat niet is voldaan aan de appellabiliteitsgrens van artikel 332 Rv. Subsidiair neemt [geïntimeerden] het standpunt in dat de grieven van [appellant] geen doel treffen. [geïntimeerden] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn hoger beroep, althans afwijzing van zijn vorderingen, met bekrachtiging van het bestreden vonnis en met veroordeling van [appellant] in de kosten. 3.10. Het op artikel 332 lid 1 Rv gebaseerde preliminaire verweer van [geïntimeerden] slaagt niet. [appellant] is ontvankelijk in zijn hoger beroep. Het hof zet hierna uiteen waarom dat zo is. Vervolgens behandelt het hof de grieven van [appellant] . Ook die slagen niet. Het bestreden vonnis blijft daarom in stand blijven en wordt bekrachtigd. Ook dat licht het hof hierna nader toe. Preliminair verweer van [geïntimeerden] : niet-ontvankelijkheid [appellant] in het hoger beroep wegens de appellabiliteitsgrens van artikel 332 Rv? 3.11. Ter onderbouwing van zijn preliminaire verweer betoogt [geïntimeerden] dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat niet is voldaan aan de appellabiliteitsgrens van artikel 332 Rv. [appellant] had zijn vorderingen in het kort geding immers ingetrokken, zodat de voorzieningenrechter nog slechts behoefde te beslissen op de vraag of [appellant] al dan niet in de proceskosten diende te worden veroordeeld. Het bedrag aan proceskosten waartoe [appellant] vervolgens is veroordeeld, is lager dan het bedrag van € 1.750,-- dat op grond van artikel 332 Rv als minimum geldt voor het mogen instellen van hoger beroep, aldus nog steeds [geïntimeerden] 3.12. Het hof volgt [geïntimeerden] niet in zijn betoog. 3.13. Artikel 332 lid 1 Rv bepaalt dat partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep kunnen komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-- of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,--, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Verder bepaalt artikel 332 lid 1 Rv dat daarbij de tot aan de dag van de dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij de vordering is inbegrepen. 3.14. In zijn arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) heeft de Hoge Raad, (mede) naar aanleiding van prejudiciële vragen, voorzien in een regeling voor de vergoeding van proceskosten in kort geding in eerste aanleg in het geval dat de eiser een door hem aanhangig gemaakt kort geding intrekt en de gedaagde toch een proceskostenvergoeding wenst. Die regeling biedt aan de gedaagde de mogelijkheid om door middel van een tijdige mededeling aan eiser en de voorzieningenrechter het ertoe te leiden dat het door de eiser ingetrokken kort geding toch aanhangig blijft en de voorzieningenrechter beslist over door de gedaagde gevorderde veroordeling van de eiser in de proceskosten. In zijn arrest heeft de Hoge Raad onder andere overwogen dat het vonnis van de voorzieningenrechter over de proceskosten met inachtneming van de wettelijke grenzen vatbaar is voor hoger beroep. Daarbij is in het bijzonder overwogen (rov. 3.5.4.): “(…) In dit verband is de in art. 332 lid 1 Rv vermelde appelgrens van € 1.750,-- (overeenkomstig) van toepassing omdat het antwoord op de vraag in welke gevallen hoger beroep openstaat, dient te worden afgeleid uit de regels die van toepassing zouden zijn indien de desbetreffende vordering ten principale bij de gewone rechter zou worden ingesteld (HR 3 april 1981,ECLI:NL:HR:1981, AG4175, NJ 1982/184).” 3.15. In gevallen als de onderhavige, waarin op vordering van de in een kort geding betrokken gedaagde een proceskostenveroordeling ten laste van de eiser wordt uitgesproken nadat deze het kort geding heeft ingetrokken, is dus bepalend de ‘desbetreffende vordering’, waarmee dan wordt bedoeld de door de gedaagde in de procedure bij de voorzieningenrechter gevorderde proceskostenveroordeling. Het bedrag dat gemoeid is met die aldus door de gedaagde gevorderde proceskostenveroordeling dient dus het in artikel 332 lid 1 Rv genoemde bedrag van € 1.750,-- te overschrijden, wil hoger beroep openstaan tegen de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling in de proceskosten. 3.16. In de voorliggende zaak vorderde [geïntimeerden] primair een volledige vergoeding van gemaakte kosten onder verwijzing naar een bijgevoegde declaratie, en subsidiair vergoeding van de geliquideerde kosten. Het is die vordering die door de voorzieningenrechter is beoordeeld. Met de primaire vordering van [geïntimeerden] was op grond van de bijgevoegde declaratie een bedrag van € 3.200,24 gemoeid. Dat bedrag overschrijdt het in artikel 332 lid 1 Rv genoemde minimumbedrag, zodat hoger beroep tegen het bestreden vonnis en de daarin gegeven proceskostenveroordeling openstaat. Daaraan doet, anders dan [geïntimeerden] bepleit, niet af dat het uiteindelijk door de voorzieningenrechter toegewezen bedrag aan proceskosten beneden dat minimumbedrag ligt. 3.17. De conclusie is dat hoger beroep tegen het bestreden vonnis openstaat, zodat [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De door [appellant] aangedragen grieven tegen het bestreden vonnis 3.18. Het hof zal thans overgaan tot bespreking van de grieven van [appellant] . In rechtsoverweging 3.12 is al opgemerkt dat zij niet slagen. Het hof zal nu uitleggen waarom dat zo is. Grief 1: is de proceskostenveroordeling ten onrechte, want onbevoegdelijk gegeven? 3.19. Met grief 1 betoogt [appellant] , zo begrijpt het hof, dat de voorzieningenrechter ten onrechte, want in weerwil van haar wettelijke bevoegdheid en ondanks dat de zaak door [geïntimeerden] niet tijdig is aangebracht, het verzoek van [geïntimeerden] om een proceskostenveroordeling in behandeling heeft genomen en een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. 3.20. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet onderbouwd in welk opzicht [geïntimeerden] de zaak niet tijdig heeft aangebracht. [geïntimeerden] heeft tijdig, te weten binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen, bij fax van 2 juli 2020 de voorzieningenrechter verzocht om een beslissing over de proceskosten. Voor zover [appellant] bedoelt dat [geïntimeerden] bij exploot van een deurwaarder had moeten aanzeggen dat het geding doorgang moet vinden omdat hij een beslissing van de voorzieningenrechter over de proceskosten verlangt, verwijst het hof naar hetgeen hierna wordt geoordeeld. 3.21. Bij de verdere beoordeling van grief 1 is het eerder al genoemde arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) van belang. Als al gezegd, heeft de Hoge Raad daarin voorzien in een regeling in eerste aanleg ter verkrijging door de gedaagde van een proceskostenveroordeling in kort geding, nadat de eisende partij het kort geding heeft ingetrokken. Met het oog daarop overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende: “3.4.2. De aanhangigheid van het kort geding komt in beginsel te vervallen door een mededeling van de eiser aan de gedaagde, strekkende tot intrekking van het kort geding. 3.4.3. In verband met de aard van het kort geding - meer in het bijzonder de op een spoedige afdoening daarvan gerichte procesvoering - en met het belang van de eiser om binnen redelijke termijn zekerheid te verkrijgen over de processuele opstelling van de gedaagde, brengen de eisen van een goede procesorde, mede gelet op HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1274, NJ 1994/606 (Zoontjes/Kijlstra), het volgende mee. Indien de eiser het kort geding intrekt komt de aanhangigheid daarvan, in afwijking van hetgeen in 3.4.2 is overwogen, niet te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden omdat hij een beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten verlangt. Indien de gedaagde niet al voor de aangezegde datum een mededeling als zojuist bedoeld tot de eiser en de voorzieningenrechter richt, staat hem daartoe nog een termijn ten dienste van veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen. Hij dient dus, indien de behandeling niet al op de aangezegde dag plaatsvindt, binnen deze termijn het bureau van de voorzieningenrechter om een (nieuwe) datum te verzoeken waarop zijn hiervoor bedoelde vordering (met inachtneming van hetgeen hierna in 3.5.2 zal worden overwogen) wordt behandeld. Hij behoort voorts tijdig mededeling aan de eiser te doen van de door de voorzieningenrechter bepaalde datum. 3.5.1. Indien de gedaagde een vergoeding van zijn proceskosten van de eiser verlangt, en de eiser betwist dat de gedaagde voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt of de hoogte daarvan bestrijdt, ligt het op de weg van de gedaagde om de kosten waarvan hij vergoeding vordert, te specificeren en aannemelijk te maken. Deze vordering is – afgezien van het bepaalde in art. 1019h Rv – niet toewijsbaar buiten de in art. 241 Rv getrokken grenzen. In dit verband verdient nog opmerking dat het liquidatietarief een regeling bevat voor het geval de eiser het geding intrekt voordat de gedaagde een proceshandeling (kan) verricht(en), welke regeling zich mede leent voor toepassing in kort geding. 3.5.2. Het is aan het beleid van de voorzieningenrechter overgelaten of hij het noodzakelijk acht dat dit geschil over de proceskosten ter terechtzitting wordt behandeld. Als hem dit geraden voorkomt kan hij bepalen dat partijen, op daartoe door hem bepaalde termijnen, hun standpunten schriftelijk naar voren brengen. Als hij daartoe aanleiding ziet, of als een procespartij daartoe een gemotiveerd verzoek doet, kan hij daarna alsnog een mondelinge behandeling bepalen.” 3.22. [appellant] werpt in de toelichting op grief 1 op, zo begrijpt het hof, dat de Hoge Raad door te oordelen dat wanneer een gedaagde partij in kort geding binnen veertien dagen na het moment dat de eigenlijke zitting zou dienen, verzoekt om ten laste van de eisende partij een proceskostenveroordeling uit te spreken, gedaagde ontvankelijk zal worden verklaard in dat verzoek, het legaliteitsbeginsel heeft geschonden. Volgens [appellant] : (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.