GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 24 maart 2022 Zaaknummer : 200.291.119/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/362075 / JE RK 20-1359 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. P.J.A. van de Laar, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI. Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum ] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . Als belanghebbenden worden aangemerkt: [pleegouders], de voormalige pleegouders van [minderjarige] , hierna te noemen: de pleegouders. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. als vervolg op de beschikking van 3 juni
- 5De beschikking van 3 juni 2021 Bij beschikking van 3 juni 2021 heeft het hof de GI opgedragen om de mogelijkheden voor een gezinsopname te onderzoeken en het hof hierover uiterlijk 5 oktober 2021 te rapporteren. Iedere overige beslissing is aangehouden tot 5 oktober 2021 pro forma. 6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof heeft na voornoemde beschikking nog kennisgenomen van de inhoud van: de brief met bijlagen van de GI d.d. 1 oktober 2021; de brief van de raad d.d. 13 oktober 2021; de brief van de advocaat van de moeder d.d. 20 oktober 2021; de brief van de raad d.d. 31 januari 2022; het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 10 februari
- De verdere beoordeling in hoger beroep 7.
- Het hof concludeert, mede op grond van de meest recente informatie, dat de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de periode 31 januari 2021 tot 31 oktober 2021 op goede gronden is verlengd. 7.
- [minderjarige] wordt al langere tijd in zijn ontwikkeling bedreigd. Gelet op de situatie van [minderjarige] destijds, die bij een niet perspectief biedend gezin verbleef, in samenhang met de positieve ontwikkelingen aan de zijde van de moeder, heeft het hof een gezinsopname voorgesteld, zodat er meer zicht kon komen op de vaardigheden van de moeder in relatie tot [minderjarige] en het destijds nog ongeboren kind van de moeder. 7.
- Uit de stukken is gebleken dat er in de periode van 13 september 2021 tot 3 januari 2022 een gezinsopname van de moeder, [minderjarige] en het inmiddels geboren tweede kind van de moeder ( [kind] ) bij Sterk Huis heeft plaatsgevonden. Uit de door de moeder overgelegde beschikking van de rechtbank van 18 januari 2022 blijkt dat de gezinsopname ertoe heeft geleid dat [minderjarige] weer bij de moeder woont, met dien verstande dat hij via een deeltijduithuisplaatsing om de week een weekend in een gezinshuis verblijft. Uit de bevindingen van Sterk Huis en de overwegingen van de rechtbank in genoemde beschikking blijkt dat de zorgen over de moeder nog niet geheel zijn weggenomen en dat nog niet duidelijk is of [minderjarige] op de lange duur geheel bij de moeder kan wonen. 7.
- Met betrekking tot de vraag of de uithuisplaatsing moet worden verlengd tot 31 oktober 2021 overweegt het hof dat de positieve ontwikkelingen van de moeder nog pril zijn en een verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk is geweest om het project bij Sterk Huis te kunnen continueren en om in te kunnen grijpen als de moeder niet meer zou willen meewerken aan het gezinstraject. 7.
- Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. 8De beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 januari 2021; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, E.M.C. Dumoulin en A.M. Bossink en is op 24 maart 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.