GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.321.349/01 arrest van 28 maart 2023 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven, tegen Stichting Woonbedrijf SWS.HHVL, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 9 januari 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 december 2022, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde in de hoofdzaak en verweerder in het incident en geïntimeerde – Woonbedrijf – als eiseres in de hoofdzaak en in het incident. Bij mondeling vonnis van 17 maart 2021 is de vordering in het incident afgewezen. 1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8994639 CV EXPL / 21-552) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep tevens memorie van grieven en tevens houdende incidentele spoedvordering ex artikel 351 Rv met producties, genummerd 7 tot en met 10; de memorie van antwoord in het incident ex artikel 351 Rv en in de hoofdzaak tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel met producties, genummerd 16 en 17. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. [appellant] (hierna: [appellant] ) huurt sinds 27 april 2011 van Woonbedrijf een huurwoning aan de [adres] (hierna: de woning). In de bodemprocedure in eerste aanleg heeft Woonbedrijf een vordering ingesteld tegen [appellant] tot – onder meer – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Woonbedrijf stelde in die procedure dat sprake was van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van [appellant] uit hoofde van de huurovereenkomst en de algemene huurvoorwaarden. [appellant] heeft zich volgens Woonbedrijf niet als een goed huurder gedragen door niet daadwerkelijk gebruik te maken van de woning en/of niet zijn hoofdverblijf in de woning te hebben, en de woning (gedeeltelijk) ongeoorloofd onder te verhuren en/of in gebruik te geven aan derden en de bestemming van de woning te wijzigen. [appellant] zou de woning volgens Woonbedrijf – kort gezegd – ter beschikking stellen aan buitenlandse werknemers/seizoenarbeiders. 3.2. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in de hoofdzaak de huurovereenkomst ontbonden. [appellant] is verder veroordeeld tot ontruiming van de woning, betaling van een geldsom overeenkomend met de maandelijks verschuldigde huurpenningen vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst tot de datum van de daadwerkelijke ontruiming en de kosten van de procedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.3. [appellant] vordert in het incident dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, op de voet van artikel 351 Rv de tenuitvoerlegging van de bij het bestreden vonnis uitgesproken verplichting de woning te ontruimen, te schorsen, zolang het hof op het door [appellant] ingestelde hoger beroep nog niet heeft beslist, met veroordeling van Woonbedrijf in de kosten van dit incident. 3.4. [appellant] stelt daartoe dat Woonbedrijf misbruik van haar bevoegdheid maakt, zodat in redelijkheid niet tot executie mag worden overgegaan. [appellant] wijst hierbij op de onevenredigheid van het belang van Woonbedrijf bij de onmiddellijke uitoefening van de executiebevoegdheid en het belang van [appellant] dat daardoor wordt geschaad. Door de ontruiming zal de woning aan een derde worden verhuurd en niet meer aan [appellant] ter beschikking kunnen worden gesteld. In de huidige gegeven omstandigheden is er volgens [appellant] geen inwoning van derden, geen verdere klachten en wordt de huur betaald. Woonbedrijf heeft daarom onvoldoende belang bij een tussentijdse ontruiming. Daar komt bij dat [appellant] voortvarend procedeert. Verder is sprake van juridische misslagen bij de waardering van het partijgetuigenbewijs en is volgens [appellant] sprake van nieuwe omstandigheden die maken dat een noodtoestand zal ontstaan indien [appellant] daadwerkelijk wordt ontruimd. [appellant] stelt dat zijn partner hem in maart 2022 heeft verlaten en bezoek van derden niet meer te verwachten is. Bovendien heeft [appellant] urgente medische klachten die maken dat [appellant] voorlopig niet dan wel onvoldoende voor zichzelf kan zorgen. Het is een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat een gedwongen ontruiming grote gezondheidsrisico’s met zich brengt. 3.5. Het verweer van Woonbedrijf zal, voor zover van belang, hierna worden besproken in rechtsoverweging 3.7. en verder. 3.6. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.