Parketnummer : 20-001663-22 Uitspraak : 12 april 2023 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 14 juli 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-088328-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 5.167,51, bestaande uit € 167,51 ter zake van materiële schade en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, toegewezen en de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft tevens toepassing gegeven aan artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van voormeld geldbedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de verdachte opgelegd. De rechtbank heeft tot slot de ingangsdata van de wettelijke rente bepaald op 10 februari 2019 voor de immateriële schade en op 14 juni 2022 voor de materiële schade. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre, opnieuw rechtdoende, aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 60 dagen, waarvan 59 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 180 uren taakstraf. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat, zoals de rechtbank heeft beslist, toepassing wordt gegeven aan artikel 36f Sr en dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De raadsman heeft uitsluitend een strafmaatverweer gevoerd inhoudende dat aan de verdachte geen gevangenisstraf zal worden opgelegd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd ziet het hof, mede gelet op de toepasselijkheid van het taakstrafverbod van artikel 22b Sr, geen reden om tot een andere strafoplegging te komen dan waartoe de rechtbank heeft beslist. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep. Aldus gewezen door: mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, voorzitter, mr. C.M. Hilverda en mr. G.J. Schiffers, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier, en op 12 april 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.