GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.305.247/01 arrest van 25 april 2023 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. C.J. Lemmens te Eindhoven, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.H.A. Wijen te Weert, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 april 2022 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer C/01/353463 / HA ZA 19-778 gewezen vonnissen van 28 april 2021 en 22 september 2021 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde. 6Het verloop van de procedure Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de akte van depot van 11 februari 2022; het tussenarrest van 26 april 2022; de akte uitlating van de zijde van de man van 10 mei 2022 met de producties 5 tot en met 7; de antwoordakte van de zijde van de vrouw van 24 mei 2022. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 7De verdere beoordeling 7.1 Deze zaak gaat over de vraag of de man jegens de vrouw een vergoedingsrecht heeft omdat zijn ouders een schuld van (ieder geval) de man hebben voldaan en hem het door hen betaalde bedrag hebben geschonken. 7.2 Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de vorderingen van de man in het door hem opgeworpen incident (tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidsstelling) afgewezen. Het hof heeft de beslissing in de hoofdzaak aangehouden. Het hof zal thans een beslissing in de hoofdzaak nemen. 7.3 Het hof gaat uit van de volgende feiten: a. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben op 2 september 2013 een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst gesloten. In deze samenlevingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “Artikel 6 (…) 4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen. (…) Artikel 9 (…) 5. Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in vijf gelijke jaarlijkse termijnen. Waarvan de eerste termijn vervalt zes maanden na het eindigen van de overeenkomst. Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente. De schuldeiser heeft de bevoegdheid zekerheidsstelling te vragen voor de nakoming van de uit dit lid voortvloeiende verplichtingen.” Partijen hebben op 16 september 2013 samen de woning aan de [adres] te [postcode] [woonplaats] (hierna: de woning) in eigendom verkregen. De koopprijs bedroeg € 210.000,--. Voor deze aankoop zijn partijen een hypothecaire geldlening van € 220.000,-- aangegaan. De woning is na de aankoop grondig verbouwd. De verbouwing is voor een groot deel uitgevoerd met en/of via de vader van de man althans het bedrijf van de vader, [XXX] Installatiebedrijf B.V. (hierna: het Installatiebedrijf). Ook de familie van de vrouw heeft meegeholpen met de uitvoering van de verbouwingswerkzaamheden. De vrouw heeft in april 2017 de woning verlaten. Zij heeft de samenlevings-overeenkomst per 1 april 2019 opgezegd. De woning is per 15 mei 2019 getaxeerd op een marktwaarde van € 360.000,--. De hypothecaire schuld bedroeg per april 2019 ongeveer € 197.000,--. De procedure bij de rechtbank 7.4.1 In deze procedure vordert de man, voor zover in hoger beroep van belang, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, toedeling van het aandeel van de vrouw in de woning aan hem tegen betaling van € 24.200,00 uit hoofde van overbedeling, te betalen in vierjaarlijkse termijnen van € 5.000,00 en een slottermijn van € 4.200,--, met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld, waarbij in de berekening van de vordering uit hoofde van overbedeling moet worden uitgegaan van een hypotheekschuld van € 205.650,--, althans € 197.000,--, en van vergoedingsrechten van € 103.224,90 (kosten verbouwing woning) en € 2.726,-- (aankoop fornuis); met de bepaling dat het vonnis in de plaats komt van de medewerking van de vrouw aan de overdracht van het aandeel van haar in de woning aan de man. 7.4.2 De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de man. 7.4.3 De rechtbank heeft in haar vonnis van 20 februari 2020 een mondelinge behandeling gelast. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. 7.4.4 De rechtbank heeft in het vonnis van 28 april 2021 partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de mogelijkheid van de man om het aandeel van de vrouw in de woning “over te kunnen nemen” met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid (vgl. rov. 4.30.) 7.4.5. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 22 september 2021 uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, de woning toegedeeld aan de man tegen betaling aan de vrouw van € 77.593,-- vanwege overbedeling, te voldoen in vijf jaarlijkse termijnen vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat haar vonnis in de plaats treedt van medewerking van de vrouw aan de levering van haar aandeel in de woning aan de man. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De procedure in hoger beroep 7.5.1 De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 28 april 2021 en 22 september 2021 voor zover het betreft de hoogte van de door hem verschuldigde overbedelingssom en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat: de man voor de toedeling van het aandeel van de vrouw in de woning aan hem, gehouden is aan de vrouw € 24.666,01 te betalen, in 5 jaarlijkse termijnen, te beginnen op 1 oktober 2019 (per 1 oktober 2021 € 15.399,51) althans een door het hof vast te stellen bedrag; de betaling van € 15.399,51 resp. € 24.666,01 – althans een door het hof vast te stellen bedrag – zal gelden als voorwaarde voor: a. de toedeling van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man en b. de medewerking van de vrouw aan de levering dan wel de in de plaats stelling van het arrest voor deze levering c. het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld die is verbonden aan de woning. De grief van de man komt er in de kern genomen op neer dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het bestaan van een vergoedingsrecht ter grootte van € 103.286,-- (voor investeringen in de woning) en € 2.726,-- (voor de koop van een fornuis) heeft afgewezen. Deze grief valt uiteen in tien deelgrieven. Deze deelgrieven gaan over: de verbouwing (deelgrief 1); de werkzaamheden door [XXX] Installatiebedrijf B.V. (deelgrieven 3 en 8); de factuur (deelgrief 9); de betaling / schenking (deelgrieven 2, 4, 5, 6, 7, en 10). 7.5.2 De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij heeft geconcludeerd, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden, tot niet-ontvankelijk verklaring van de man in zijn grieven dan wel tot verwerping van zijn grieven. Zij vordert veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep en alle kosten van de tenuitvoerlegging en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf acht dagen na dagtekening van het arrest tot de dag van de algehele voldoening. 7.5.3. De man heeft zijn hoger beroep tijdig ingeschreven in het rechtsmiddelenregister (art. 433 Rv). Dit betekent dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep. 7.6 Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken. In het kader daarvan zal het hof de essentiële stellingen van partijen per onderwerp weergeven. 7.7.1 De grief van de man houdt in dat de rechtbank zijn beroep op het bestaan van een vergoedingsrecht op de vrouw ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft zijn grief als volgt toegelicht. Verbouwing (deelgrief 1) De woning van partijen is ingrijpend verbouwd. De verbouwingen hebben grotendeels plaatsgevonden door (personeel van) het Installatiebedrijf. Er is gebruik gemaakt van materialen en bedrijfsmiddelen die zijn geleverd door en/of behoren tot de bedrijfsmiddelen van het Installatiebedrijf. Mede gezien de opmerking dat de vrouw samen met haar vader de verbouwing structureerde, moet worden geconcludeerd dat deze verbouwing en de mate waarin dit werk is uitgevoerd en betaald, in overleg met beide partijen heeft plaatsgevonden. De vrouw, zij is interieurstylist, bemoeide zich ook met de verbouwing. Zij bepaalde de keuzes voor kleur- en materiaalgebruik en apparatuur. De aankopen daarvoor zijn gedaan in het eerste kwartaal van 2015 (prod. 3 bij dagvaarding hb). Zij heeft nooit bezwaar gemaakt tegen de werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten. Ook het fornuis is in overleg met haar gekocht en geplaatst. Het fornuis (€ 2.726,--) is betaald door het Installatiebedrijf. De man “herhaalt zijn bewijsaanbod (over de verrichte werkzaamheden alsmede de omvang en de kosten), bestaande uit het overleggen van de factuur met onderbouwing van de desbetreffende stukken, aangevuld met getuigenbewijs door personen bestaande uit de betreffende werknemers alsmede de vader van de man en de man zelf.” Hij heeft de factuur met onderbouwing bij het hof gedeponeerd. Werkzaamheden door het Installatiebedrijf (deelgrieven 3 en 8) De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat geen sprake was van een overeenkomst tussen de man en het Installatiebedrijf. Niet kan worden aangenomen dat het Installatiebedrijf, althans haar werknemers althans haar directeur eigener beweging, zonder overeenkomst, werkzaamheden zouden hebben verricht gedurende anderhalf jaar in een onroerende zaak die geen eigendom van het Installatiebedrijf en/of haar directeur was. De verrichte werkzaamheden leiden tot een betalingsverplichting voor de man. De primaire grondslag daarvoor is gelegen in het bestaan van een overeenkomst, subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking. De vrouw was op de hoogte van de na afronding van de werkzaamheden door het Installatiebedrijf opgemaakte factuur. Hierin is een overzicht is opgenomen van de verbouwingen en de daaraan verbonden kosten (vgl. prod. 3 door de vrouw handgeschreven overzichten inzake de verbouwing). De vrouw heeft bewust nagelaten te informeren naar de wijze van betaling van de verbouwingskosten. Voor zover sprake was van “stilzitten” door de vrouw, is dat onvoldoende om aan te nemen dat zij niet akkoord ging met de gevolgde werkwijze, ook gelet op de intensiteit van de werkzaamheden. Factuur (deelgrief 9) De rechtbank heeft ten onrechte aan de termijn waarop de factuur is verzonden de betekenis gehecht dat geen sprake was van een daadwerkelijke schuld aan het Installatiebedrijf. Er was sprake van een opdracht in regie waardoor geen tussentijdse facturen zijn verzonden. Het is in de installatiebranche gebruikelijk om werkzaamheden pas te factureren nadat deze zijn afgerond. Ook vanwege de familieverhoudingen tussen partijen en het Installatiebedrijf zijn tussentijds geen facturen verzonden of een voorschot in rekening gebracht. De werkzaamheden zijn in anderhalf jaar verricht en beëindigd in maart 2015. Op dat moment is op basis van overzichten van de werkzaamheden, de uren van de werknemers en de gebruikte materialen een factuur opgesteld. De factuur is niet later opgesteld. Uit prod. 6 blijkt de hoogte van de rekening-courantschuld in 2015. Het overzicht is ruim voordat partijen besloten uit elkaar te gaan, opgesteld. Partijen behoefden vanwege art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst op dat moment geen nadere afspraken te maken. Uit prod. 5a tot en met 5e blijkt de communicatie tussen partijen. De uren die door de man en zijn vader in rekening zijn gebracht, zijn niet tegen commerciële tarieven berekend. Dat is wel het geval met de kosten van materialen en door de medewerkers van het Installatiebedrijf gewerkte uren. De vrouw heeft van de vordering van € 77.951,-- (excl. btw) slechts een zeer klein gedeelte (€ 8.617,43 excl. btw) betwist (prod. 7). Financiering verbouwing / schenking ouders (deelgrieven 2, 4, 5, 6, 7 en 10) Partijen konden slechts een hypothecaire geldlening van € 220.000,-- verkrijgen. Zij wisten dat de woning, waarvan de koopprijs € 210.000,-- bedroeg, moest worden verbouwd. Gelet hierop, is art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst opgesteld. Partijen hadden bij het sluiten van de samenlevingsovereenkomst de bedoeling om een onderscheid te maken tussen door partijen gemeenschappelijk betaalde kosten en kosten betaald vanuit het privévermogen van een van hen. Zij hebben aldus, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wél afspraken gemaakt over de financiering van de investeringen. Met de hypotheekadviseur hebben zij diverse besprekingen gevoerd over de financiering van de kosten (prod. 4 hb). Het Installatiebedrijf heeft het grootste gedeelte van de verbouwing uitgevoerd. De kosten daarvan (€ 103.286,--) zijn volledig door de vader van de man betaald. Zijn vader is dga van het Installatiebedrijf en heeft de factuur in rekening courant met de vennootschap verrekend. De vrouw heeft erkend dat zij niets heeft betaald aan haar schoonouders en het Installatiebedrijf (randnr. 37 dagvaarding in hb). De ouders hebben de man zijn verplichting tot betaling van deze werkzaamheden kwijtgescholden. Zij hadden een bevoordelingsbedoeling ten gunste van hem. Daarmee is sprake van een schenking. Partijen kenden elkaar nog maar kort. Het is daarom niet aannemelijk dat zijn ouders een dergelijk hoog bedrag aan de vrouw zouden willen schenken. De ouders waren op de hoogte van de samenlevingsovereenkomst. Zij mochten er van uitgaan dat de investering als schenking aan de man ook ten goede van hem zou komen en werd gezien als zijn privé investering in de woning. De schenkingsakte is in overleg met de accountant opgesteld. De schenking behoort tot het vermogen van de man. Dit is ook uitdrukkelijk vermeld in de akte van schenking. Hierdoor is sprake van een vermogensverschuiving van privévermogen van de man (hof: verkregen door de schenking) naar gemeenschappelijk vermogen (hof: de eenvoudige gemeenschap van woning). De man heeft daarom krachtens art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst een vergoedingsrecht. Primair moet rekening worden gehouden met een vermogensverschuiving van € 103.286,-- en € 2.726,-- en subsidiair met de “wel onderbouwde kosten”. De man biedt bewijs aan door het horen van zijn ouders en zus over de inhoud en bedoeling van de schenking en met name aan wie deze schenking werd gedaan. Hij heeft bij de rechtbank het bewijsaanbod van de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.