GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 11 mei 2023 Zaaknummer: 200.311.775/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/347170 / FA RK 19-2692_2 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers. Deze zaak gaat over : [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. In het kort: de vader is het er niet mee eens dat de rechtbank hem het recht op een zorgregeling met [minderjarige] voor onbepaalde tijd heeft ontzegd. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 10 maart 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift van 10 juni 2022, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren. 2.1.1. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verzocht de zaak aan te houden waarbij het hof partijen de opdracht geeft zich te wenden tot de [instantie] voor een klinisch spoedonderzoek via het Uniform Hulp Aanbod. 2.1.2. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zijn incidenteel verzoek ten aanzien van het gelasten van een deskundigenonderzoek ex artikel 194 Rv juncto artikel 284 lid 1 Rv ingetrokken. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij het hof op 29 juli 2022, heeft de moeder verzocht om het verzoek van de vader in het incident af te wijzen, en in het principaal hoger beroep de grieven van de vader te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover deze ziet op de ontzegging van de omgang, kosten rechtens. 2.3. Het hof heeft verder ontvangen: - het V1-formulier van 10 juni 2022, met bijlagen, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op 13 juni 2022; - het procesdossier uit eerste aanleg, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op 20 juni 2022; - het V8-formulier van 11 juli 2022, van de advocaat van de vader, met bijlagen, ingekomen bij het hof op 12 juli 2022; - het V6-formulier van 9 januari 2023, van de advocaat van de moeder, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4.1. De advocaat van de vader heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen. 2.5. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof ontvangen: - het V6-formulier van de advocaat van de vader van 16 februari 2023, met bijlagen. - het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 16 februari 2023, met bijlagen. 3De beoordeling 3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren: - [minderjarige] , op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). 3.2. [minderjarige] is door de vader erkend. De moeder en de vader oefenen samen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. 3.3. In het in 2017 tussen de ouders gesloten ouderschapsplan is, onder meer, door de ouders overeengekomen dat zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over [minderjarige] en dat zij een co-ouderschapsregeling zullen uitvoeren. 3.4. De rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2019 de contactregeling zoals beschreven in het ouderschapsplan in afwachting van de bodemprocedure geschorst. Deze beschikking is bij herstelbeschikking aangevuld op 27 januari 2020 in die zin dat aan de raad de opdracht is gegeven een onderzoek te doen naar het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 3.5. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder haar met het eenhoofdig gezag te belasten afgewezen en de vader het recht op een zorgregeling met [minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzegd. 3.6. De vader kan zich met de beslissing ten aanzien van de ontzegging van de omgang niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.7. De vader voert - samengevat - het volgende aan. De vader heeft sinds 4 april 2019 geen contact meer gehad met [minderjarige] , terwijl er tot op heden geen objectief onderzoek heeft plaatsgevonden op grond waarvan de beweerde ontwikkelingsbedreiging kan worden vastgesteld. Dit klemt, omdat de raad telkenmale het belang van diagnostisch onderzoek heeft benadrukt. De vader vermoedt dat [minderjarige] hem heel graag wil zien en dat zij beïnvloed is in haar antwoorden. Het is bovendien schadelijk dat de rechtbank de ruimte tot het leggen van contact tussen de vader en [minderjarige] heeft gelaten bij [minderjarige] . [minderjarige] doet immers alleen dat wat zij denkt dat van haar verwacht wordt. De vader denkt daarom dat er sprake is van ouderverstoting. Het is van belang dat dit onderzocht wordt. 3.8. De moeder voert - samengevat - het volgende aan. De moeder heeft er veel moeite mee dat de vader een juridische strijd blijft voeren, terwijl hij zich beter zou kunnen richten op de behandeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft langdurige therapie gekregen vanuit de [GGZ] . Het behandeltraject van [minderjarige] bij de [GGZ] is inmiddels stopgezet, omdat geconstateerd werd dat er sinds het instellen van het hoger beroep door de vader stagnatie in de ontwikkeling bij [minderjarige] is gezien. Het is op dit moment niet in het belang van [minderjarige] een contactregeling vast te leggen. Ook is nader onderzoek naar de mogelijkheden daarvan niet in het belang van [minderjarige] omdat dit de moeder en [minderjarige] belast. Met [minderjarige] gaat het verder goed en de moeder informeert de vader maandelijks over het welzijn van [minderjarige] . De moeder betwist dat er sprake is van ouderverstoting/onthechting. 3.9. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd. De raad is inmiddels al meerdere keren betrokken geweest bij de situatie rondom [minderjarige] . Gebleken is dat [GGZ] duidelijk is in hun standpunt dat de ouders aan de slag moeten met de complexe echtscheidingsproblematiek. De raad onderschrijft dat hier sprake van is. De ouders strijden al jarenlang zonder dat er verbetering is en zij kunnen maar moeizaam onderling communiceren. [minderjarige] heeft al 70 sessies speltherapie gehad, terwijl de ouders niet meer doen dan met elkaar juridische strijd voeren. Het is tijd dat de ouders hun eigen verantwoordelijkheid nemen en aan de slag gaan met hulpverlening om samen te bezien hoe deze situatie voor [minderjarige] verbeterd kan worden en hoe zij daarin een voorbeeld kunnen zijn voor [minderjarige] . Het zijn de ouders die verandering moeten laten zien en in beweging moeten komen. Van [minderjarige] kan niet verwacht worden dat zij oneindig veel therapiesessies moet blijven volgen, terwijl de ouders geen hulpverlening oppakken. 3.10. Het hof overweegt als volgt. 3.10.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 3.10.2. De rechter kan een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden. De rechter kan dientengevolge een tijdelijk contactverbod opleggen indien: (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.