GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 11 mei 2023 Zaaknummer: 200.322.459/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/400166 FA RK 22-3453 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , en [de moeder] , beiden wonende te [woonplaats] , verzoekers in hoger beroep, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat: mr. E.M.A Leijser, tegen de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de GI. Deze zaak gaat over de minderjarigen: [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 februari 2023, hebben de ouders het hof verzocht om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: I. het hoger beroep gegrond te verklaren; II. de bestreden beschikking te vernietigen; III. opnieuw rechtdoende te bepalen dat: Primair: de verzoeken van de ouders zoals opgenomen in het inleidend verzoekschrift van 2 augustus 2022 alsnog worden toegewezen, met dien verstande dat [minderjarige 2] de onlangs geplande dagbehandeling in [plaats 1] blijft volgen. Subsidiair: de behandeling van de zaak in hoger beroep aan te houden in afwachting van de afronding van de dagbehandeling van [minderjarige 2] . 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 maart 2023, heeft de GI het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de ouders, bijgestaan door mr. Leijser; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; -de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.3.1. Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 27 februari 2023. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. [minderjarige 2] heeft hiervan ook gebruik gemaakt en hij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met de voorzitter in aanwezigheid van de griffier gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier met als bijlage productie 6 van de advocaat van de ouders d.d. 28 maart 2023; - het V6-formulier met als bijlage productie 7 van de advocaat van de ouders d.d. 29 maart 2023. 2.4.1. Na de mondelinge behandeling van het hof is ingekomen het proces verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 17 oktober 2022. 3De beoordeling 3.1. Uit het huwelijk van de ouders zijn, voor zover thans van belang, de hiervoor genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben nog een broertje [broertje 1] (geboren op [geboortedatum] 2010), broertje en zusje [broertje 2] en [zusje 1] (geboren op [geboortedatum] 2015) en een zusje [zusje 2] (geboren op [geboortedatum] 2018). 3.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in 2010 voor het eerst uit huis geplaatst en hebben door de jaren heen op verschillende plaatsen verbleven. [minderjarige 1] verblijft nu in een gezinshuis van [instantie 1] . [minderjarige 2] verblijft op een behandelgroep in [plaats 1] . De overige kinderen wonen bij de ouders. 3.3. Bij beschikking van 6 november 2012 heeft de rechtbank de ouders ontheven van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Destijds is toenmalige Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant benoemd tot voogdes. Op dit moment voert de GI de voogdij uit. 3.4. Bij beschikking van 21 april 2021 heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgelegd tussen de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal per 14 dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 20:00 uur bij de ouders zullen verblijven en is bepaald dat in aanvulling op deze omgangsregeling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omgang met de ouders zullen hebben volgens het jaarrooster met feestdagen zoals aan die beschikking is aangehecht. 3.5. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank zowel het primaire verzoek van de ouders om hen in het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te herstellen als het subsidiaire verzoek van de ouders om - kort gezegd - de tussen hen en de kinderen geldende omgangsregeling verder uit te breiden naar de vakanties, afgewezen. 3.6. De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. 3.7. De ouders voeren - kort samengevat - het volgende aan. Herstel gezag 3.7.1. Volgens de ouders is er voldaan aan de vereisten van artikel 1:277 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het herstel van het gezag van de ouders is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders zijn in staat om de positieve ontwikkeling bij de kinderen voort te zetten. Zij tonen al jaren aan dat zij de draagkracht hebben om de kinderen te verzorgen en op te voeden. Ook zijn zij in staat om, met hulp van [instantie 2] , voor een veilig opvoedingsklimaat te zorgen en wat zij hebben geleerd toe te passen in de praktijk. Tijdens de mondelinge behandeling vertellen de ouders dat het goed gaat met [minderjarige 2] als hij thuis is, hij legt goed uit waarom hij bepaalde dingen spannend vindt. Ook is er goed contact met [plaats 1] (waar [minderjarige 2] verblijft). [minderjarige 1] is opgebloeid en is ook graag thuis. Helaas is de communicatie met de gezinshuisouders van [minderjarige 1] minder goed en hebben de ouders daardoor minder zicht op [minderjarige 1] . De rechtbank overweegt volgens de ouders ten onrechte dat zij onmachtig zijn om de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer op zich te nemen. De negatieve uitlating van een medewerkster van [instantie 2] , waar deze overweging van de rechtbank op is gebaseerd, is op persoonlijke titel door de betreffende medewerkster gedaan. De overige hulpverleners van [instantie 2] delen deze visie niet. De ouders benadrukken dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank overweegt, zij zich wel kunnen vinden in een behandeling van [minderjarige 2] . Hoewel zij het boze gedrag dat [minderjarige 2] op de groep vertoont niet herkennen, stemmen zij wel in met een behandeling. Zij willen weten waar de boosheid vandaan komt. [minderjarige 2] heeft over een week de intake voor zijn behandeling (EMDR) en zij stemmen daarmee in. De ouders beseffen dat deze therapie veel bij [minderjarige 2] teweeg kan brengen, reden waarom zij ten aanzien van [minderjarige 2] meer subsidiair verzoeken de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van deze behandeling. De ouders erkennen verder dat zij een wisselend contact hebben met de grootouders (moederszijde). Dit betekent echter niet dat zij, zoals de rechtbank overweegt, niet in staat zijn om uitvoering te blijven geven aan de bestaande contactregeling tussen de grootouders en de kinderen. Het is hun verwachting dat, zodra het gezag is hersteld en de kinderen thuis worden geplaatst, de verhoudingen met de grootouders weer normaliseren. De ouders zetten zich 100 procent in om te doen wat in het belang van de kinderen is. Verder begrijpen de ouders, anders dan de rechtbank overweegt, dat [minderjarige 1] een steeds groter sociaal netwerk krijgt en daardoor ook in de weekenden andere bezigheden heeft. De ouders menen dat de leeftijd van [minderjarige 1] en haar ontwikkeling het toelaat dat er (vanuit de GI) flexibeler wordt omgegaan met de bestaande afspraken over de omgang. De ouders ontkennen dat [minderjarige 1] het lastig vindt om dingen met hen te bespreken. Uitbreiding omgangsregeling 3.7.2. De rechtbank wijst ten onrechte het subsidiaire verzoek van de ouders om de omgangsregeling uit te breiden af, aldus de ouders. Er is volgens de ouders geen afwijzingsgrond en de ouders hebben al vaker (tevergeefs) aan de voogd gevraagd om een uitbreiding tijdens de vakanties. Het is de wens van de kinderen om de ouders meer te zien en de ouders kunnen dit in praktische zin invullen. De weekenden bij de ouders verlopen goed. Ook vullen de kinderen hun weekenden bij de ouders in door met vrienden en vriendinnen af te spreken en werk. Dit maakt dat de ouders meer behoefte hebben om in de vakanties omgang te hebben met de kinderen. Het is niet de intentie van de ouders om de kinderen weg te houden bij de grootouders; zij zullen de grootouders ook een rol geven tijdens de vakanties. 3.8. De GI betwist gemotiveerd de grieven van de ouders. Herstel gezag 3.8.1. De GI stelt voorop dat de ouders enorm betrokken zijn bij de hulpverlenings-en behandeltrajecten van beide kinderen. Ook willen zij het allerbeste voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders zijn echter onmachtig om de volledige zorg en verantwoordelijkheid te dragen van hun kinderen. Beide kinderen hebben een ontwikkelingsachterstand en er is sprake van een forse kindeigenproblematiek. Dit vraagt bovengemiddelde opvoedvaardigheden van de ouders; deze ouders hebben die niet en zijn niet in staat om de zorg en opvoeding te dragen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De plekken waar zij nu wonen sluiten het beste aan bij hun behoeftes op dit moment. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] laten, sinds zij hier verblijven, groei zien. [minderjarige 1] heeft behoefte aan een professionele opvoedomgeving die kan aansluiten bij haar ontwikkelingsniveau. Vanuit het gezinshuis, waar die professionele opvoedomgeving is, zijn er zorgen. Door het steeds weer procederen door de ouders lijkt [minderjarige 1] geen rust te krijgen en neemt het loyaliteitsconflict toe. [minderjarige 2] heeft gezien zijn ontwikkeling en kindbeeld behoefte aan een behandeling in een 24-uurs setting. [minderjarige 2] is een jongen met beperkingen. De laatste tijd is [minderjarige 2] erg onrustig. Het juridisch traject (zittingen) is een beladen onderwerp dat veel onrust met zich mee brengt. [minderjarige 2] krijgt vanuit de ouders mee dat zij blijven strijden om het gezag, omgang en verblijf. Ook heeft [minderjarige 2] last van een loyaliteitsconflict. [minderjarige 2] geeft aan graag thuis te willen wonen maar tegelijkertijd ook een band en vertrouwen op te bouwen met de behandelgroep en daar steeds meer zijn veiligheid uit te halen. De zorgen die [instantie 2] beschrijft zijn geen nieuwe zorgen. [instantie 2] is jaren betrokken in het gezin en heeft zicht op de thuissituatie. [instantie 2] dient een balans te vinden tussen het vertrouwen, samenwerking met de ouders en anderzijds het signaleren en benoemen van zorgen en signalen. Als [instantie 2] de zorgen en signalen benoemt, verliezen de ouders het vertrouwen in de betrokken hulpverlening. Vanuit [instantie 2] is altijd benoemd dat er bij de ouders geen sprake is van onwil maar wel van onmacht. De ouders zijn onmachtig om de zorg en opvoedtaken van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op zich te nemen. Ook zijn de ouders beperkt leerbaar gebleken. De ouders zijn, ondanks hun onvermogen en onmacht, altijd betrokken geweest bij de therapieën en hulpverleningstrajecten die in het belang van de kinderen nodig zijn. Deze betrokkenheid is echter niet altijd in het belang van de kinderen geweest. Zo is het voor de ouders lastig gebleken om emotionele toestemming te geven voor het verblijf en het perspectief van de kinderen. Hierdoor lijken de ouders niet in het belang van de kinderen te kunnen handelen. De GI vindt het van belang dat het perspectief waar de kinderen opgroeien duidelijk is en omdat de huidige situatie niet geheel in lijn met de visie van de ouders is kunnen zij volgens de GI niet opnieuw het gezag uitoefenen. Volgens de GI zijn de ouders niet in staat gebleken om in het belang van de kinderen te handelen en zijn zij op dit moment niet in staat om na herstel in het gezag de juiste keuzes te maken voor de kinderen. Daarbij komt dat de GI bang is dat er in dat geval een groot risico is dat de grootouders (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.