← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2023:1548

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 11 mei 2023 Zaaknummer: 200.317.419/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/360559 FA RK 19-3426 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende op een bij het hof bekend adres, verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. S. van Reeven-Özer. Deze zaak gaat over:[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [minderjarige] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 augustus 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vervoersregeling van de omgang en te bepalen dat de vader het halen en brengen van [minderjarige] voor de omgang volledig dient te verzorgen en voor zijn rekening dient te nemen. 2.
  2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2022, heeft de vader verzocht het beroep van de moeder ongegrond te verklaren en haar verzoeken af te wijzen, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de feiten en gronden, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof in goede justitie oordelend redelijk en juist acht. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april
  4. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door [tolk 1] , tolk in de Marokkaans-Arabische taal; de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door [tolk 2] , tolk in de Marokkaans-Arabische taal. 2.3.
  5. De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.
  6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 28 oktober
  7. 3De beoordeling De feiten 3.
  8. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder. 3.
  9. Bij beschikking van 23 maart 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 13 juli 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.
  10. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de vader en [minderjarige] in het kader van de zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar een keer per drie weken gedurende het weekend, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] na het weekend ophaalt bij de vader. 3.
  11. De moeder kan zich met de beslissing voor zover het betreft het halen en brengen van [minderjarige] niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De motivering van de beslissing 3.
  12. Het hof overweegt als volgt. 3.7.
  13. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 3.7.
  14. Tussen partijen is de regeling voor het halen en brengen van [minderjarige] in het kader van de zorgregeling in geschil. 3.7.
  15. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en weging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de moeder de helft van het vervoer in het kader van de zorgregeling op zich moet nemen. Het uitgangspunt is dat beide ouders het halen en brengen ieder bij helfte voor hun rekening nemen. In de bezwaren die de moeder hiertegen heeft aangevoerd ziet het hof onvoldoende reden om hiervan af te wijken. Beide partijen hebben het financieel niet breed en hun financiële omstandigheden zijn nagenoeg gelijk. Ook in praktisch opzicht ziet het hof niet dat het verdelen van het halen en brengen belastend is voor [minderjarige] . De vader beschikt weliswaar over een auto en de moeder niet, maar uit de enkele omstandigheid dat [minderjarige] één keer per drie weken tweeëneenhalf uur met het openbaar vervoer moet reizen kan niet worden afgeleid dat de huidige verdeling in strijd is met de belangen van [minderjarige] . 3.7.
  16. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de zorgregeling inclusief het halen en brengen aanvankelijk verliep zoals in de bestreden beschikking is bepaald, maar dat [minderjarige] sinds november 2022 geen omgang meer heeft met de vader. Er bestaat zorg bij het hof over het opnieuw opstarten en het in stand houden van het contact tussen de vader en [minderjarige] . Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] is stopgezet omdat [minderjarige] niet met de vader mee wilde gaan op het moment dat de vader [minderjarige] kwam ophalen. Gelet daarop ziet het hof wel aanleiding de bestreden beslissing in zoverre te wijzigen dat voortaan de moeder [minderjarige] voor de omgangsweekenden naar vader brengt en de vader [minderjarige] vervolgens aan het einde van het weekend weer terugbrengt naar de moeder. Voor beide ouders wordt dit praktisch uitvoerbaar geacht terwijl de moeder hiermee aan [minderjarige] toont emotionele toestemming te geven om tijd door te brengen met de vader. Afsluitende conclusie 3.
  17. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, uitsluitend voor zover het betreft de verdeling van het halen en brengen van [minderjarige] , en bepalen dat de moeder [minderjarige] naar de omgangsweekenden met de vader brengt en de vader [minderjarige] na het weekend terugbrengt naar de moeder. 4De beslissing Het hof: vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 augustus 2022 voor zover het betreft de verdeling van het halen en brengen van [minderjarige] ; en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 augustus 2022 in die zin dat de moeder [minderjarige] naar de omgangsweekenden met de vader brengt en de vader [minderjarige] aan het einde van het weekend terugbrengt naar de moeder; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en C.D.M. Lamers en is op 11 mei 2023 in het openbaar uitgesproken door mr. E.P. de Beij in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.