Parketnummer : 20-002463-20 Uitspraak : 23 mei 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 oktober 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-037775-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de politierechter beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8] en heeft de politierechter – voor zover deze vorderingen zijn toegewezen – telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis op 11 november 2022 hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep nu dit tardief is ingesteld. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding, nu de verdachte er op mocht vertrouwen dat door zijn toenmalige raadsman tijdig appel zou worden ingesteld. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen rechterlijke uitspraken een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding om op 22 oktober 2020 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen op 9 september 2020 aan een ander op verdachtes BRP-adres is uitgereikt. Op de achterzijde van deze dagvaarding is een toelichting op de procedure vermeld. Onder nummer 10 van deze toelichting wordt onder het kopje ‘Beroepsmogelijkheden’ vermeld dat indien de verdachte het oneens is met de beslissing van de rechter hij binnen veertien dagen in hoger beroep kan gaan. In de stelbrief van de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. [toenmalig raadsman] , d.d. 21 oktober 2020 is vermeld dat de raadsman van zijn cliënt heeft vernomen dat hij een oproep heeft ontvangen om in de strafzaak te verschijnen voor de politierechter op 22 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.