Parketnummer : 20-002649-18 (OWV) Uitspraak : 18 januari 2023 TEGENSPRAAK ONTNEMINSGZAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 30 juli 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-995002-18 tegen: [verdachte] , statutair gevestigd te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 96.400,00 en is aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor eenzelfde bedrag. Namens de betrokkene is op 13 augustus 2018 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, zoals gedaan ter terechtzitting van 21 april 2021 en herhaald ter terechtzitting van 21 december 2022, en van hetgeen op voornoemde terechtzittingen namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de vaststelling van de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de betalingsverplichting. De advocaat-generaal heeft, in zoverre opnieuw rechtdoende, gevorderd dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege het tijdsverloop zal vaststellen op € 90.000,00 en ter hoogte van dat bedrag een betalingsverplichting zal opleggen. De verdediging heeft bepleit dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden vastgesteld dan de rechtbank heeft gedaan. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met uitzondering van het aan de Staat te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op te leggen betalingsverplichting De betrokkene is bij arrest van de economische kamer van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 18 januari 2023 onder parketnummer 20-002648-18 veroordeeld ter zake van het tweemaal overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. De rechtbank heeft in eerste aanleg, op gronden als opgenomen in het vonnis van 30 juli 2018, welke gronden het hof bevestigt, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet wordt geschat vastgesteld op een bedrag van (afgerond) € 96.400,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.