GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 25 mei 2023 Zaaknummer : 200.324.003/01 Zaaknummer EA : C/01/389880 / FT RK 23/58 in de zaak in hoger beroep van: [B.V. 1] Holding B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. L.J.J. Kerstens te Amsterdam, tegen [B.V. 2] Holding B.V., kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verweerster, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: mr. R.M. Woudenberg te Amsterdam. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 maart 2023, waarbij het verzoek van [appellante] om [verweerster] in staat van faillissement te verklaren, is afgewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties (nrs. 13 tot en met 15 en het procesdossier eerste aanleg), ingekomen ter griffie op 13 maart 2023, heeft [appellante] het hof verzocht bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende [verweerster] in staat van faillissement te verklaren. 2.2. Bij brief van 12 april 2023, ingekomen ter griffie van dit hof op diezelfde datum, heeft [verweerster] gereageerd op het beroepschrift – zie hieronder onder 3.3. –. Daarbij heeft mr. Boitelle het hof bericht dat [verweerster] niet bij de mondelinge behandeling zal (kunnen) verschijnen wegens het gebrek aan activa bij [verweerster] en dat [verweerster] geen verweer zal voeren tegen het door [appellante] ingediende beroepschrift. Een faillissement van [verweerster] zal vermoedelijk niet leiden tot enige uitkering aan [appellante] , aldus mr. Boitelle namens [verweerster] . 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 mei 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de heer [betrokkene] , namens [appellante] , bijgestaan door mr. Kerstens en mr. M.G.A. Bannenberg (kantoorgenoot). 2.4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg gehouden op 21 februari 2023; de bij V6-formulier ingediende aanvullende producties nr. 16 en 17 van [appellante] , ingekomen ter griffie van dit hof op 14 april 2023 en de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door [appellante] overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen. 3De beoordeling 3.1. De rechtbank Oost-Brabant heeft het verzoek van [appellante] om [verweerster] in staat van faillissement te verklaren, afgewezen bij beschikking van 3 maart 2023. De rechtbank heeft het bestaan van een opeisbare steunvordering niet aanwezig geacht, omdat dit onvoldoende door [appellante] is onderbouwd. [appellante] had namelijk gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat er met een schuldenlast van ruim 200 miljoen euro op zijn minst één schuldeiser tussen zit met een opeisbare vordering, maar dat zij dat niet nader kan concretiseren. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het aanvragen van surseance van betaling door [B.V. 3] B.V. (hierna: [B.V. 3] ) niet een liquidation als bedoeld in artikel 9.1.b van de overeenkomst van 10 oktober 2022 (de convertible loan agreement (hierna: CLA) betreft en dat er geen sprake is geweest van het stopzetten van een essentieel deel van de activiteiten van verzoekster als bedoeld in artikel 9.1.b CLA (“cessation of an essential part of the business of Borrower”). De rechtbank is daarnaast tot de conclusie gekomen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerster] de informatieverplichting van artikel 8.c. CLA heeft geschonden. Aangezien [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerster] tekort is geschoten in het nakomen van de CLA, heeft de rechtbank de vordering van [appellante] op [verweerster] niet (op grond van artikel 7 van de CLA of op een andere grond) opeisbaar geacht. Omdat het bestaan van een opeisbare steunvordering evenmin aanwezig wordt geacht, is de rechtbank ervan uitgegaan dat er geen opeisbare vordering op [verweerster] bestaat. Daaruit volgt, ondanks het feit dat [appellante] ter zitting heeft verklaard dat volledige terugbetaling van haar schuldeisers niet waarschijnlijk is, dat [verweerster] op dat moment niet verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, aldus de rechtbank. 3.2. [appellante] heeft in haar beroepschrift en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep – kort en zakelijk weergegeven – en voor zover van belang het volgende aangevoerd. De activiteiten van [verweerster] zijn gestaakt. Op 31 maart 2023 is naast [B.V. 3] ook [holding] Holding (hierna: [holding] ) in staat van faillissement verklaard. De aandelen van [holding] in de enige operationele vennootschap uit de groep die nog niet failliet was, [B.V. 4] B.V., zijn, als onderdeel van de doorstart/herstructurering, verhangen naar dezelfde nieuwe juridische structuur. Dit betekent volgens [appellante] dat [verweerster] nog slechts aandelen houdt in het failliete [holding] , dat op haar beurt nog slechts aandelen houdt in het failliete [B.V. 3] . Volgens [appellante] is haar vordering op [verweerster] opeisbaar. [verweerster] heeft namelijk meerdere malen mededelingen gedaan waaruit moest worden afgeleid dat [verweerster] haar verplichtingen onder de CLA niet (volledig) zou nakomen. Daarmee zijn volgens [appellante] de gevolgen van niet-nakoming al ingetreden (artikel 6:80 lid 1 sub b BW). In de brief van 12 april 2023 heeft [verweerster] bevestigd niet over middelen te beschikken om zelfstandig de vordering van investeerders te voldoen. Daarbij komt dat de eerstvolgende door [verweerster] verschuldigde rentebetaling inmiddels onbetaald is gebleven, aldus [appellante] . 3.3. In de hiervoor genoemde brief van 12 april 2023 heeft [verweerster] geschreven dat zij aandelen houdt in [holding] en dat [verweerster] daarnaast het vehikel is dat (converteerbare) leningen aantrok van investeerders – waaronder [appellante] – en doorleende aan [holding] . Volgens [verweerster] heeft zij een intra-groepsvordering op [holding] . De hoogte van die intra-groepsvordering is gelijk aan het totaal van alle door [verweerster] geleende gelden; de hoogte van het opeisbare gedeelte van de intragroepsvordering van [verweerster] op [holding] is gelijk aan het deel van de schuld van [verweerster] aan investeerders dat opeisbaar is onder de (converteerbare) leningen (en in die zin voorwaardelijk). Verder heeft [verweerster] volgens haar geen activiteiten, geen eigen bankrekening noch (anderszins) activa (behoudens het minderheidsbelang in [holding] ), aldus [verweerster] . [verweerster] beschikt volgens haar niet over middelen om zelfstandig de vorderingen van investeerders of het salaris van een eventueel te benoemen curator te voldoen. Zij is daarvoor afhankelijk van betalingen door [holding] , aldus [verweerster] . Op 31 maart 2023 is [holding] in staat van faillissement verklaard. Mr. R.A.M.L. van Oeijen is tot curator van [holding] benoemd. Vanwege de faillietverklaring van [holding] voert [verweerster] geen verweer tegen het beroepschrift van [appellante] . Een faillissement van [verweerster] zal volgens haar vermoedelijk niet leiden tot enige uitkering aan [appellante] . Mocht het hof besluiten tot faillietverklaring van [verweerster] , dan geeft [verweerster] in overweging mr. Van Oeijen te benoemen als curator van [verweerster] . Hij is reeds benoemd tot curator van [holding] en eerder in haar dochtervennootschap [B.V. 3] en in die hoedanigheden op de hoogte van het speelveld. 3.4. Het hof overweegt het volgende. 3.4.1. Het hof is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking) (hierna: Insol Herschikt Vo) bevoegd deze insolventieprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verweerster] in Nederland, en wel in het ressort van het hof, ligt. 3.4.2. Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 6 lid 3 Fw dient een verzoek tot faillietverklaring te worden afgewezen, indien niet summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen, dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Het betreft hier een summiere toets. Summierlijk blijken betekent dat dit na een kort, eenvoudig onderzoek moet blijken. Er bestaat derhalve geen ruimte voor uitvoerige debatten en over de posities van de betrokkenen en de genoemde toestand moet (betrekkelijk) snel helderheid kunnen worden verkregen. 3.4.3. Het hof is van oordeel dat de vordering van [appellante] (summierlijk) aannemelijk is. Dat [verweerster] nog een aanzienlijk bedrag aan [appellante] moet betalen op basis van de CLA, staat niet ter discussie. Wel verschilden partijen in eerste aanleg van mening over de opeisbaarheid ervan, althans heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering niet opeisbaar is en daartegen is [appellante] in hoger beroep gekomen. Naar het oordeel van het hof staat de opeisbaarheid van de vordering in hoger beroep in ieder geval niet meer ter discussie. In de brief van 12 april 2023 heeft [verweerster] namelijk geschreven dat [holding] op 31 maart 2023 in staat van faillissement is verklaard. Dat is het hof ook gebleken uit het Centraal Insolventieregister (te vinden op www.rechtspraak.nl), waarin vermeld staat dat de eerder aan [holding] verleende surseance van betaling is omgezet in een faillissement. Door voornoemd faillissement is sprake van een “Event of Default” zoals bedoeld in artikel 1.1. van de CLA (in de CLA is [holding] namelijk aangeduid als de ‘the Company’) in samenhang met artikel 7 van de CLA: “Artikel 1.1. (…) Event of Default: the following situations result in an event of default, except with the prior written consent of the Lender Majority (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.