GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.296.315/02 arrest van 4 juli 2023 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van Heavac B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. B.T. Craemer te Amsterdam, tegen Ebusco B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. R.J.H.M. Crombaghs te Heerlen, als vervolg op het door het hof onder zaaknummer 200.296.315/01 gewezen tussenarrest van 17 augustus 2021, in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder nummer C/01/358024 / HA ZA 20-303 gewezen vonnis van 28 april 2021, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 26 mei 2021. 1Het tussenarrest 17 augustus 2021 Bij genoemd arrest is een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. Uit de aantekeningen van de zitting blijkt dat partijen overleg zouden plegen over een eventuele minnelijke regeling en dat zij ermee akkoord gingen dat de procedure op de rol werd doorgehaald in afwachting daarvan. Het verdere verloop blijkt uit: het H8-formulier van 17 april 2023 waarmee Heavac de procedure heeft hervat; de incidentele conclusie houdende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv, met producties, van Heavac; de incidentele conclusie van antwoord, met producties, van Ebusco; de memorie van grieven, met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 2De beoordeling In het incident 3.1. Partijen hebben in 2018 en 2019 overeenkomsten gesloten waarbij Heavac (een bedrijf dat gespecialiseerd is in het ontwikkelen, produceren en leveren van applicaties voor verwarming, luchtverversing en airconditioning voor de bussector) op zich heeft genomen om tegen betaling een klimaatbeheersingssystemen in te bouwen in 136 door Ebusco ten behoeve van een derde (Qbuzz B.V., de eindgebruiker) gebouwde bussen. Ebusco heeft zich, na klachten van Qbuzz B.V., op het standpunt gesteld dat de systemen niet naar behoren functioneerden, dat Heavac de overeenkomsten alsnog deugdelijk dient na te komen en dat Heavac aansprakelijk is voor de schade die Ebusco heeft geleden. Ebusco heeft daartoe vorderingen tegen Heavac ingesteld. Heavac heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van Ebusco. 3.2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis Ebusco in het gelijk gesteld en, kort weergegeven: 1. een verklaring voor recht gegeven met betrekking tot het bereik (de 'scope') van de tussen partijen gesloten overeenkomsten (6.1 van het dictum); 2. voor recht verklaard dat Heavac op grond van toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomsten aansprakelijk is jegens Ebusco (6.2 van het dictum); 3. Heavac veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (6.3 van het dictum); 4. Heavac veroordeeld tot herstel van de gebreken (6.4 van het dictum) en veroordeeld om ervoor te zorgen dat de 136 bussen ook overigens voldoen aan de vereisten van de overeenkomsten, een en ander straffe van verbeurte van dwangsommen (6.5 van het dictum). Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.3. Heavac heeft vervolgens een kort geding tegen Ebusco geëntameerd. Qbuzz B.V. is daarin toegelaten als tussenkomende partij. Bij kortgedingvonnis van 6 juli 2021 (C/01/371268 / KG ZA 21-324), dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft de voorzieningenrechter: 1. op vordering van Heavac het Ebusco verboden met betrekking tot de volgens Ebusco verbeurde dan wel te verbeuren dwangsommen executoriaal beslag ten laste van Heavac te leggen, totdat in hoger beroep het hof het vonnis (eventueel) heeft bekrachtigd, op straffe van verbeurte van dwangsommen; 2. op vordering van Qbuzz Ebusco veroordeeld tot het adequaat en volledig in lijn met haar verplichtingen jegens Qbuzz herstellen van de gebreken aan de klimaatbeheersingssystemen van 117 bussen van Qbuzz, of de vervanging daarvan door werkende klimaatbeheersingssystemen, vóór 1 november 2021, op straffe van verbeurte van dwangsommen. Tegen het kortgedingvonnis is geen hoger beroep ingesteld. 3.4. Bij brieven van 28 januari 2022 en 17 februari 2022 (productie i3 respectievelijk i4 bij de incidentele conclusie van Heavac) heeft Ebusco de overeenkomsten tussen partijen met betrekking tot de 136 bussen buitengerechtelijk ontbonden. Heavac heeft niet ingestemd met de ontbinding. 3.5. Ebusco heeft op 22 december 2022 bij de rechtbank Oost-Brabant de in het bestreden vonnis bedoelde schadestaatprocedure aangevangen door middel van een betekening van de staat van kosten, schaden en renten. In die procedure (zaaknummer C/01/389250, rolnummer 23-044) heeft de rechtbank op 23 maart 2023 bewilligd in een uitstel van 12 weken voor het nemen van de conclusie van antwoord door Heavac. 3.6. Heavac vordert in het incident de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen totdat op grond van een onherroepelijke uitspraak is geoordeeld over de aansprakelijkheid van Heavac, met veroordeling van Ebusco in de proceskosten van het incident. Het hof begrijpt - zie onder meer de punten 3.1 en 2.17 van de conclusie in het incident van Heavac - dat het Heavac erom te doen is dat de schadestaatprocedure wordt gestaakt, waarop onderdeel 6.3 van het dictum van het bestreden vonnis betrekking heeft. 3.7. Ebusco heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Op de standpunten van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan. 3.8.1. Ebusco heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat Heavac niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering in het incident, omdat deze vordering is ingesteld namens een niet-bestaande rechtspersoon. Ebusco wijst ter onderbouwing van haar standpunt op een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (productie 1 bij de incidentele conclusie van antwoord). 3.8.2. De procedure in hoger beroep dient in beginsel plaats te vinden tussen de partijen uit de eerste aanleg. Wanneer een procedure in hoger beroep aanhangig is gemaakt, kan een partij wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure omdat zij zich heeft vergist in die aanduiding of partijwisseling heeft plaatsgevonden. Dit verzoek is toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad (vergelijk artikel 122 lid 1 Rv; HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013: 1881). 3.8.3. Uit het door Ebusco in het geding gebrachte uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de statutaire naam van Heavac op 23 maart 2023 is gewijzigd in Aurora Netherlands (B.V.). Op die datum was het onderhavige hoger beroep al geruime tijd - tussen de juiste partijen met de juiste partijnamen - aanhangig gemaakt. Uit genoemde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat Heavac hangende deze appelprocedure desgewenst nog kan verzoeken haar naamaanduiding te wijzigen. De omstandigheid dat de statutaire naam van Heavac na het instellen van het hoger beroep is gewijzigd, brengt niet met zich dat zij geen belang meer heeft. Het hof verwerpt daarom het desbetreffende verweer van Ebusco. 3.9.1. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.