GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 26 januari 2023 Zaaknummer: 200.317.471/01 Zaaknummer eerste aanleg: in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. S. Klootwijk, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.L.W. Weerts. Als informant in deze zaak wordt aangemerkt: mr. E.M.G. van Nuenen-Meulesteen, advocaat, kantoorhoudende te Hilvarenbeek, in de hoedanigheid van bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de minderjarige, hierna te noemen: de bijzondere curator. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie: [locatie] , hierna te noemen: de raad. In het kort: Deze zaak gaat over het gezag over de minderjarige: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 15 juli 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2022, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond te verklaren, voormelde beschikking te vernietigen en de navolgende (zelfstandige) verzoeken toe te wijzen: 1. een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] gedurende één weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 17:00 uur bij de vader verblijft, alsmede te bepalen dat [minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij haar vader verblijft, dan wel een omgangsregeling vast te stellen zoals het hof juist acht, waarbij partijen om en om voor brengen en ophalen zorgdragen, alsmede; 2. dat de moeder de vader minstens éénmaal per maand schriftelijk, dan wel telefonisch de vader moet informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de opvoeding, het persoon en het vermogen van [minderjarige] , alsmede; 3. de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag en voor iedere dag dat de moeder het bepaalde onder (naar het hof begrijpt) 1 en 2 niet nakomt met een maximale verbeuring van € 50.000,-, alsmede; 4. [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld voor de duur van één jaar, met benoeming van een gecertificeerde instelling, alsmede; 5. dat de voormalig [instantie] medewerkers, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen onder ede worden gehoord om toelichting te geven op hun eindrapportage bij [instantie] ,; 6. dat de vader in het gezag zal worden hersteld en alleen het gezag over [minderjarige] zal uitoefenen, alsmede dat het hoofdverblijf van [minderjarige] zal worden gewijzigd en bij de vader zal worden bepaald, alsmede; 7. dat partijen door het hof worden doorverwezen naar systeemtherapie en verplicht worden systeemtherapie te volgen, waarbij de systeemtherapeut een psychologische achtergrond heeft, alsmede; 8. met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding. 2.1.1. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep zodanig gewijzigd dat, naar het hof begrijpt, primair wordt verzocht om eenhoofdig gezag en hoofdverblijfplaats bij de vader (als onder punt 6 genoemd) en subsidiair het horen van de getuigen, systeemtherapie voor de ouders (als onder punten 5 en 7 genoemd) alsmede een omgangsregeling zij het aangepast zoals hierna geduid, een informatieverplichting, dwangsom en ondertoezichtstelling. 2.1.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep tot vaststelling van een omgangsregeling gewijzigd als volgt: - een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende op het reeds aanwezige advies van [instantie] , dat [minderjarige] per direct gedurende een weekeinde per veertien dagen van zaterdag tot zondag 20.00 uur bij de vader verblijft, waarbij partijen om en om voor brengen en ophalen zorgdragen, alsmede; - te bepalen dat de hierna genoemde vakanties en verjaardagen als volgt worden verdeeld: - dat in de zomervakantie [minderjarige] in het ene jaar de eerste drie weken bij de vader verblijft en het andere jaar [minderjarige] de laatste drie weken bij de vader verblijft, enzovoorts; - dat [minderjarige] in het ene jaar de herfstvakantie bij de vader en het daaropvolgende jaar bij de moeder verblijft en dat [minderjarige] in datzelfde schooljaar dat zij de herfstvakantie bij de vader heeft verbleven gedurende de aansluitende voorjaarsvakantie bij de moeder verblijft enzovoorts; - dat [minderjarige] het ene jaar de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder verblijft en aansluitend de tweede week bij de vader en het daarop volgende jaar de eerste week bij de vader verblijft en de tweede week bij de moeder enzovoorts; - dat [minderjarige] omgang/contact heeft met de vader op de dag dat hij zijn verjaardag viert, hetzelfde bij de moeder; - dat de vader de gelegenheid krijgt om [minderjarige] op haar verjaardag te zien en een cadeau te geven. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 oktober 2022, heeft de moeder verzocht alle grieven van de vader af te wijzen met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze uitspraak, een en ander zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 2.3. Gelet op de verknochtheid van onderhavige zaak en de zaak met nummer 200.310.720/01, heeft het hof de zaken op de mondelinge behandeling gelijktijdig behandeld. Er is in een afzonderlijke beschikking beslist. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. Klootwijk; -de moeder, bijgestaan door mr. Weerts; - de bijzondere curator; - [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad; 2.4.1. Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en er is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met haar gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 juli 2022; - het V6-formulier met bijlage (procesdossier eerste aanleg) van de advocaat van de vader d.d. 7 november 2022; - het V6-formulier met bijlage (usb-stick) van de advocaat van de vader d.d. 23 november 2022; - het V6-formulier met bijlage (productie 3) van de advocaat van de moeder d.d. 8 december 2022; - het V6-formulier met bijlagen (producties 7 t/m 9) van de advocaat van de vader d.d. 13 december 2022. De op 8 december 2022 door de advocaat van de vader overgelegde producties 10 tot en met 16 heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling op 19 december 2022 geweigerd, omdat deze producties persoonlijke interpretaties van de vader en zijn visie op onderhavige procedure behelzen. Het hof heeft de vader echter geen gelegenheid gegeven zijn beroepschrift nader schriftelijk toe te lichten. Derhalve maken deze producties geen deel uit van onderhavige procedure. 3De beoordeling De feiten 3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en tijdens die relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder. Partijen hebben tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitgeoefend. 3.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank ‑ voor zover thans van belang - bepaald dat: - het ouderlijk gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de moeder toekomt; - de vader met ingang van 15 juli 2022 het recht op omgang met [minderjarige] voor de duur van vier maanden ontzegd wordt. Voorts heeft de rechtbank in die beschikking voor zover thans van belang de (zelfstandige) verzoeken van de vader om: - een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen; - een zorgregeling voor de vakanties en feestdagen vast te stellen; - het opleggen van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de moeder de zorg- en omgangsregeling niet nakomt met een maximum van € 50.000,-; - [minderjarige] voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen, met benoeming van een gecertificeerde instelling; - het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en de vader alleen het gezag over [minderjarige] toe te kennen; - het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen en het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen; - partijen door te verwijzen naar systeemtherapie en verplicht worden systeemtherapie te volgen, waarbij de systeemtherapeut een psychologische achtergrond heeft; - de moeder in de kosten te veroordelen, afgewezen. 3.3. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Ten aanzien van het gezag en de hoofdverblijfplaats. De standpunten 3.4.1. De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft de moeder onterecht en op onjuiste gronden het eenhoofdig gezag toegekend. Drie jaar geleden heeft de rechtbank partijen doorverwezen naar [instantie] vanwege de hevige strijd en de onduidelijkheid of er hulpverlening voor [minderjarige] diende te worden ingezet. Vervolgens heeft [instantie] een eindrapport opgemaakt en eindadvies uitgebracht, te weten inzet van systeemtherapie en uitbreiding van de omgangsregeling. De rechtbank heeft dit advies in de bestreden beschikking niet gevolgd omdat het rapport niet meer actueel zou zijn. De vader is het hier niet mee eens en stelt dat de situatie tussen partijen en de verhouding tussen de vader en [minderjarige] veel beter is geworden na het traject bij [instantie] . De moeder wil de vader zoveel mogelijk uit het leven van [minderjarige] bannen en dat is zeer schadelijk voor [minderjarige] . De vader wil betrokken zijn in het leven van zijn dochter, meebeslissen en een normale omgangsregeling met haar hebben. De communicatie en verstandhouding tussen de ouders is momenteel niet goed maar daar zou verbetering in mogelijk moeten zijn. Er is nog onvoldoende ondernomen om de communicatie te verbeteren. De vader betwist de stelling van de moeder dat hij de moeder diskwalificeert tegenover [minderjarige] en maakt zich juist zorgen dat [minderjarige] zodanig wordt beïnvloed door de moeder dat zij niet (vaker) naar de vader mag gaan. Er worden veel juridische procedures door de moeder gestart en dat is geen goede opvoedingssituatie. De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat de vader het eenhoofdig gezag krijgt. 3.4.2. De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan. Nu de vader zelf eenhoofdig gezag vraagt, geeft hij daarmee aan en is tussen partijen niet in geschil dat gezamenlijk gezag niet aan de orde is. De vader geeft onvoldoende aan waarom hij zelf het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zou moeten krijgen. Dat is absoluut niet in het belang van [minderjarige] . Zij is goed geworteld in [woonplaats moeder] , gaat daar naar school en heeft er haar vriendinnen, familie en activiteiten. Bovendien heeft de vader al enkele maanden geen enkel contact met [minderjarige] en voordien was er slechts eens per twee weken contact tussen hen. 3.4.3. De raad staat achter de beslissing van de rechtbank om de moeder het eenhoofdig gezag toe te kennen. De motivering van de beslissing 3.4.4. Het hof overweegt het volgende. 3.4.5. Het hof acht zich op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen, zodat geen aanleiding bestaat om een onderzoek door de raad te gelasten. 3.4.6. Het hof stelt vast dat de moeder en de vader tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] hebben uitgeoefend. 3.4.7. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.4.8. Dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden die rechtvaardigt dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen, staat tussen partijen niet ter discussie. De vader en de moeder zijn het er over eens dat gezamenlijk ouderlijk gezag niet meer in het belang van [minderjarige] is. 3.4.9. Tussen partijen is niet in geschil en is ook door het hof vastgesteld dat [minderjarige] klem zit tussen de beide ouders en op grond van de huidige omstandigheden niet te verwachten is dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Al gedurende jaren is sprake van een ernstige strijd tussen de ouders en zijn er conflicten over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . zodat ook naar het oordeel van het hof is voldaan aan het criterium om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen. 3.4.10. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking beslist dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de moeder toekomt. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof deugdelijk gemotiveerd waarom de rechtbank de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft toegekend. Het hof schaart zich, na eigen onderzoek, achter de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking en maakt die tot de zijne. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat inmiddels voor een periode van 4 maanden de omgang tussen de vader en [minderjarige] aan de vader is ontzegd en sinds de zomer van 2022 feitelijk geen enkel contact tussen de vader en [minderjarige] bestaat. 3.4.11. Het hof wijst het verzoek van de vader in hoger beroep tot eenhoofdig gezag over [minderjarige] af. 3.4.12. Derhalve wordt ook het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader afgewezen. De hoofdverblijfplaats wordt immers in beginsel bepaald door de ouder met gezag. Daarbij komt dat er momenteel geen enkel contact tussen de vader en [minderjarige] bestaat, [minderjarige] al gedurende jaren bij haar moeder in [woonplaats moeder] woont, daar naar school gaat en daar haar sociale leven heeft opgebouwd. Ook deze omstandigheden rechtvaardigen dat het hoofdverblijf bij de moeder is. Ten aanzien van de (ontzegging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.