Parketnummer : 20-000478-21 Uitspraak : 24 juli 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 februari 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-700387-17 en 03-270710-20, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-700387-17 vrijgesproken en ter zake van ‘mishandeling, terwijl de schuldige het feit begaat tegen haar kind’ (het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-270710-20) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest naar rato van 2 uur per in voorarrest doorgebrachte dag. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in de vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de verdachte en benadeelde partijen ieder de eigen proceskosten dragen. Tot slot is van de inbeslaggenomen voorwerpen de teruggave gelast aan degene die redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-700387-17 bepleit. Voorts heeft de verdediging naar voren gebracht dat het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-270710-20 wettig en overtuigend bewezen kan worden en is er een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partijen, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk in hun vorderingen zullen worden verklaard. Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging bepleit dat het hof de teruggave zal gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen aan degene die redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de gronden, in die zin dat het hof de overwegingen van de rechtbank zal vervangen door onderstaande. In de zaak met parketnummer 03-270710-20 zal het hof bovendien de gronden aanvullen, in die zin dat het hof deze zal aanvullen met de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring. Het standpunt van de advocaat-generaal In de zaak met parketnummer 03-700387-17: De advocaat-generaal is van mening dat de verdachte vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De advocaat-generaal heeft allereerst naar voren gebracht dat hij zich bij een deel van het vonnis van de rechtbank aansluit, en wel voor wat betreft de beschouwingen over de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] , waarin de rechtbank de conclusies van forensisch arts dr. [arts 1] tot de hare heeft gemaakt en de rapporten van drs. [arts 2] en drs. [arts 3] terzijde heeft geschoven. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat hij in zijn opvatting is gesterkt dat dr. [arts 1] het bij ‘het rechte eind’ had doordat prof. dr. [arts 4] in zijn in hoger beroep uitgebrachte rapport naar voren heeft gebracht dat hij de rapporten van dr. [arts 1] volmondig onderschrijft. Uit voornoemde forensische rapportages volgt dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van niet-accidenteel (toegebracht) letsel. Om het hersenletsel te veroorzaken moet er sprake zijn geweest van een forse krachtsinwerking op het hoofd, al dan niet in combinatie met een schudtrauma. Deze krachtsinwerking moet zo fors geweest zijn dat [slachtoffer] daarna niet meer normaal gefunctioneerd kan hebben. Voorts kan de advocaat-generaal zich niet vinden in het deel van het vonnis met betrekking tot de datering van het fatale letsel. Volgens de advocaat-generaal kan het niet anders dan dat de gewelddadige handelingen vóór 9:16 uur hebben plaatsgevonden, en wel kort voor dat moment, zijnde het moment waarop verdachte [verdachte] weer thuiskwam nadat ze de honden had uitgelaten en zij [slachtoffer] in de handen van medeverdachte [medeverdachte] aantrof. Voordat verdachte [verdachte] het huis verliet om de honden uit te laten waren er geen tekenen dat het niet goed zou gaan met de gezondheid van [slachtoffer] . Zowel medeverdachte [medeverdachte] als verdachte [verdachte] hebben verklaard dat [slachtoffer] net voordat verdachte [verdachte] thuiskwam melk en bloed had gespuugd. Volgens prof. dr. [arts 4] is het fatale schedeltrauma vermoedelijk kort hiervoor ontstaan. Nu het fatale geweld is toegepast tussen 8:45 uur en 9:15 uur, de periode waarin verdachte [verdachte] de honden aan het uitlaten was, is er geen enkel bewijs dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van geweldshandelingen in de richting van [slachtoffer] , en evenmin dat zij bij dat geweld bewust en nauw samen heeft gewerkt met medeverdachte [medeverdachte] . In de zaak met parketnummer 03-270710-20: De advocaat-generaal acht het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar zoon [betrokkene 1] heeft mishandeld door hem meermalen te schoppen en slaan. De verdachte heeft dit ook bekend. Het standpunt van de verdediging In de zaak met parketnummer 03-700387-17: De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De raadsman heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie hoger beroep heeft ingesteld om het hof de mogelijkheid te bieden om alle mogelijke scenario’s opnieuw te beoordelen. De raadsman heeft deze mogelijke scenario’s in zijn pleitnota besproken. Scenario 1: Het dodelijk letsel is niet tijdens de oppasuren toegebracht. De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat – gelet op de concrete aanwijzingen over de zorgelijke opvoedingsomgeving thuis van [slachtoffer] – niet uitgesloten kan en mag worden dat een trauma eerder – buiten de oppassituatie – is ontstaan, dat pas na enige tijd in merkbare en fatale complicaties resulteerde. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat de conclusies van dr. [arts 1] , die worden bevestigd door de conclusies van prof. dr. [arts 4] , niet zomaar gevolgd moeten worden. De rechtbank heeft de conclusies van dr. [arts 1] ten onrechte overgenomen en hem ten onrechte deskundiger geacht dan drs. [arts 3] en drs. [arts 2] , die tot veel minder belastende of juist ontlastende conclusies komen. Dr. [arts 1] heeft beschreven dat om het hersenletsel van [slachtoffer] te veroorzaken sprake moet zijn geweest van een forse krachtsinwerking op het hoofd, al dan niet in combinatie met een schudtrauma. Zowel drs. [arts 3] als drs. [arts 2] hebben geconcludeerd dat het hersenletsel veel minder ernstig was dan dr. [arts 1] heeft beschreven. Deze conclusie sluit aan bij de bevindingen van de neuropatholoog en de radiologen. Gelet op de verschillende uitspraken van de deskundigen over de mate van waarschijnlijkheid dat het dodelijk letsel niet tijdens de oppasuren is toegebracht, is er volgens de raadsman geen harde, overtuigende conclusie te trekken over het (moment van) ontstaan en de wijze waarop het dodelijk letsel is toegebracht. Scenario 2: Het letsel is tijdens de oppasuren ontstaan (na 9:15 uur). Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat dr. [arts 1] heeft geconcludeerd dat het letsel moet zijn toegebracht nadat [slachtoffer] voor het laatst normaal gefunctioneerd heeft en dit volgens verdachte na 9:15 uur was, maar dit veel te kort door de bocht is om vast te stellen dat het dodelijk letsel na 9:15 uur is ontstaan. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar het beperkte verstandelijke niveau van verdachte [verdachte] , waardoor zij mogelijk niet eerder heeft onderkend dat [slachtoffer] in een medische noodsituatie verkeerde. Daarnaast is volgens prof. dr. [arts 4] het spugen van bloed een indicatie voor het incident geweest, wat betekent dat het dodelijk letsel voor 9:15 uur is toegebracht en dit dus buiten de aanwezigheid van de verdachte was (aldus scenario 3: het letsel is tijdens de oppasuren ontstaan (voor 9:15 uur)). In de zaak met parketnummer 03-270710-20: De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte [verdachte] , bewezen kan worden dat zij haar zoon [betrokkene 1] heeft mishandeld door hem meermalen te schoppen en slaan. Dat de verdachte [betrokkene 1] ook heeft gestompt of aan zijn oren heeft getrokken kan niet bewezen worden. Het oordeel van het hof In de zaak met parketnummer 03-700387-17: Inleiding De moeder van [slachtoffer] heeft haar zoon [slachtoffer] , geboren op 5 mei 2017, op 11 oktober 2017 rond 6:00 uur ’s ochtends naar de oppasmoeder [verdachte] (verdachte) gebracht. De echtgenoot van [verdachte] , medeverdachte [medeverdachte] , was die bewuste dag toevallig vrij van zijn werk en was ook thuis. Op dat moment was er volgens [benadeelde 1] , de moeder van [slachtoffer] , niets aan de hand met [slachtoffer] . Later die ochtend, om 9:28 uur, ontvangt de vader van [slachtoffer] een telefoontje van [verdachte] met de mededeling dat [slachtoffer] is overleden. Om 9:40 uur wordt door [verdachte] contact opgenomen met de 112-meldkamer. [slachtoffer] overlijdt diezelfde dag om 12:15 uur in het ziekenhuis te Maastricht. Dit overlijden leidt tot een strafrechtelijk onderzoek. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het overlijden van [slachtoffer] op enige manier aan de verdachte kan worden toegerekend. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, zal het hof zich eerst buigen over de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] . 1Wat is de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] ? Sectierapport dr. [arts 5] Op 13 oktober 2017 heeft dr. [arts 5] , arts en forensisch patholoog, destijds verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een gerechtelijke sectie verricht (zie ‘Voorlopig sectierapport’) en aanvullend onderzoek laten doen. De bevindingen naar aanleiding van al deze onderzoeken gezamenlijk – neergelegd in het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ – luiden, voor zover thans relevant als volgt. ‘Inwendige letsels die gerelateerd zijn aan de doodsoorzaak: Ten aanzien van de inwendige letsels in het hoofd en (een deel van) de uitwendige letsels aan het hoofd, wordt het volgende opgemerkt: er waren verspreid bloeduitstortingen uitwendig en inwendig in de schedelhuid (waarvan een deel niet door medisch handelen is veroorzaakt). Er waren inwendig in de schedelholte traumatische afwijkingen: bloeduitstortingen onder de hersenvliezen (subduraal en subarachnoïdaal), een bloeduitstorting in de wand van de hersenkamer zijwaarts en een kneuzing (contusiehaard) in de linker grote hersenhelft voorwaarts (frontaal). De bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal), die traumatisch van aard is, werd bij neuropathologisch onderzoek niet teruggevonden, hetgeen doorgaans het geval is bij vloeibare bloedcollecties die ‘wegstromen’ ten tijde van de uitname van de hersenen bij de sectie. De bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen (subarachnoïdaal) was volgens de neuropatholoog traumatisch van aard of een verwikkeling van doorgemaakt zuurstoftekort. Volgens ondergetekende is, gezien het geheel aan bevindingen in het hoofd, het waarschijnlijker dat deze bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen traumatisch van aard was. Er werden in de oogbollen en de oogzenuwen uitgebreide afwijkingen vastgesteld, waarvan het beeld volgens de oogpatholoog goed kan passen bij schudimpacttrauma. Concluderend: de combinatie van bovengenoemde bevindingen in het hoofd en de oogbollen/oogzenuwen is het gevolg van bij leven doorgemaakt ernstig hoofdtrauma. Daarbij wordt gedacht aan: - Hevige stomp botsende geweldsinwerking zoals in het kader van hoog energetisch trauma (bijvoorbeeld door een val van grote hoogte). Simpele 'huis-tuin- en keuken ongevallen' (minimale accidenten) zijn onvoldoende om dergelijke ernstige en fataal verlopende letsels zoals bovenbeschreven, te verklaren. En/of: - Een combinatie van andersoortige hevige, stompe, botsende geweldsinwerking (impact op het hoofd door bijvoorbeeld slaan op het hoofd, al of niet met of tegen structuren, stompen op/tegen het hoofd of met het hoofd tegen structuren) en 'schudtrauma', dus impact-acceleratie-deceleratietrauma (voorheen het 'shaken baby-impactsyndrome' genoemd). Met schudtrauma wordt bedoeld: het hevig heen en weer schudden (heftige schudbewegingen van het hoofd voor- en achterwaarts en soms zijwaarts). De letsels diep in de mond zouden kunnen zijn opgeleverd door (af)drukken van de mond (smoren) of belemmering van de ademweg door belemmerende structuren in de mond. Verstikkingsinvloeden kunnen hiermee een medeoorzaak voor of bijdrage aan het overlijden hebben geleverd. Het kan niet worden uitgesloten dat deze letsels of een deel daarvan in het kader van reanimatiehandelingen waren opgeleverd.’ De forensisch patholoog concludeert dat het intreden van de dood van [slachtoffer] wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen en daardoor overige orgaanfunctiestoornissen, als gevolg van bovengenoemd ernstig hoofdtrauma. Met ‘ernstig hoofdtrauma’ wordt bedoeld: - een hevige, stomp botsende geweldsinwerking op het hoofd zoals in het kader van hoog energetisch trauma (bijvoorbeeld een val van grote hoogte) en/of - een combinatie van een andersoortige hevige, stompe, botsende geweldsinwerking op het hoofd (bijvoorbeeld slaan/stompen op het hoofd, al dan niet met of tegen structuren) en schudtrauma. Indien er tevens sprake is geweest belemmering van de luchtwegen (smoren, belemmerende structuren in de mond), zijn verstikkingsinvloeden als mede-oorzaak voor of bijdrage aan het overlijden ook mogelijk. Op 12 maart 2018 heeft dr. [arts 5] aanvullend gerapporteerd dat de val uit het campingbedje zoals dit tijdens de reconstructie met verdachte is gedemonstreerd, valt onder huis- tuin en keukenongevallen en dat dit maar een deel van de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels zou kunnen verklaren. Medisch-forensisch onderzoek dr. [arts 1] De rechter-commissaris heeft dr. [arts 1] , forensisch arts KNMG, destijds verbonden aan het NFI, tot deskundige benoemd. Hij heeft op 31 juli 2019 een rapport ‘Medisch-forensisch onderzoek naar aanleiding van het overlijden van een minderjarige’ opgesteld. Hij concludeert onder meer: ‘Het geconstateerde hersenletsel was uitgebreid: er was een recent voor het overlijden ontstane kneuzing in de linker grote hersenhelft, er was bloed in een hersenkamer en de hersenen waren gezwollen met hersenweefselversterf. Deze letsels waren niet met het leven verenigbaar. Op basis van de recent voor het overlijden ontstane kneuzing in de linker grote hersenhelft, kan geconcludeerd worden dat sprake is geweest van een forse krachtsinwerking op het hoofd. Medische oorzaken als toxicologische oorzaken, stofwisselingsziekten en ontstekingen zijn bij postmortaal onderzoek niet gevonden. (…) Een afwijkende stolling zou nooit de kneuzing in de hersenen hebben kunnen verklaren. De forse krachten op het hoofd zullen geleid hebben tot een snelle zwelling van de hersenen, wat zal hebben bijgedragen aan een verminderde bloedvoorziening in de hersenen (op haar beurt verantwoordelijk voor een nog verdere toename van de hersenzwelling) en versterf van hersenweefsel. De bloeduitstorting aan de binnenzijde van de schedelhuid, tot op het botvlies, is passend bij een forse krachtsinwerking op die locatie. (…) Een gelijktijdig ontstaan van de bloeduitstorting aan de binnenzijde van de schedelhuid en de hersenkneuzing is niet aan te tonen, maar wel aannemelijk gezien de te verwachten hersenschade die ontstaat als gevolg van de noodzakelijke forse kracht voor het ontstaan van de bloeduitstorting aan de binnenzijde van de schedelhuid. De bloeduitstortingen langs de hersenen en de bloeduitstortingen in de ogen kunnen gebruikt worden in het maken van onderscheid in een accidentele of een niet-accidentele krachtsinwerking als oorzaak voor de ernstige hersenschade. (…) Bloeduitstortingen bij de hersenvliezen (…) De bloeduitstorting onder het harde hersenvlies is, afzonderlijk beschouwd, veel waarschijnlijker bij een forse krachtsinwerking dan bij gebruikelijke huis-, tuin-, en keukenongevallen, bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen, bij de geboorte en/of bij een medische aandoening. Verder is de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, afzonderlijk beschouwd, iets waarschijnlijker bij een niet-accidentele, dan bij een accidentele krachtsinwerking. De bloeduitstorting onder het spinnenwebvlies is, afzonderlijk beschouwd, ongeveer even waarschijnlijk bij een niet-accidentele, als bij een accidentele krachtsinwerking. Bevindingen van het oog (…) Er zijn, samengevat, geen medische oorzaken gevonden voor de oogheelkundige bevindingen. De netvliesbloedingen zijn passend bij een zeer heftig schudincident, zeer forse impact op of tegen het hoofd, of een combinatie van beide. Kleinere krachten, zoals valpartijen van kleine hoogte zoals van een commode, zijn niet passend bij de uitgebreidheid van de netvliesbloedingen. (…) De uitgebreide netvliesbloedingen, in combinatie met de plooi in het netvlies en de bloeduitstortingen in de oogzenuwen zijn waarschijnlijker bij een contacttrauma, bij schudden (accelaratie-/decelaratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een accidenteel trauma of bij een medische aandoening. Combinatie van bevindingen Als we de bevindingen bij [slachtoffer] aan de studieresultaten relateren, dan gaf aanwezigheid van: - ademhalingsproblemen voorafgaande aan de opname, huidletsels in gelaat of thorax, bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies (tweezijdig en/of tussen beide hersenhelften), uitgebreide netvliesbloedingen en hersenzwelling of zuurstofschade in de hersenen, in combinatie met de afwezigheid van: een complexe schedelbreuk en enkele gespecificeerde botbreuken met hoge specificiteit voor mishandeling, een kans op toegebracht letsel van 93%. Omdat deze kans op mishandeling afhankelijk is van de mate waarin toegebracht hersenletsel in de studiepopulatie voorkwam, is het zuiverder om te kijken hoeveel vaker de combinatie van genoemde bevindingen voorkwam in de groep van 187 kinderen met toegebracht hersenletsel, dan in de groep van 269 kinderen met accidenteel hersenletsel. Dat bleek 20,0 keer vaker te zijn. Deze waarde zal naar mijn inschatting bij [slachtoffer] hoger liggen als alle medische bevindingen worden meegewogen, gegeven onder meer de geconstateerde netvliesplooi en de bloeduitstortingen aan de binnenzijde van de schedelhuid. Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren. De geconstateerde letsels zijn niet ontstaan door eigen toedoen of gedragingen van [slachtoffer] , bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, of bij de geboorte. (…) Het is onwaarschijnlijk dat de benodigde krachtsinwerking om de bloeduitstortingen langs de hersenen en in de ogen te veroorzaken, niet tot ernstig hersenletsel zal hebben geleid. Daarmee is een in de tijd gescheiden optreden onaannemelijk. (…) Het heen en weer schudden van [slachtoffer] zoals dat mogelijk door de oppasvader zou hebben plaatsgevonden, lijkt in ruime mate onvoldoende krachten te hebben opgeleverd als dit heeft plaatsgehad op een manier zoals voorgedaan door de oppasmoeder tijdens de videoreconstructie. Geconcludeerd wordt dat de combinatie van bevindingen zeer veel waarschijnlijker is bij een (zeer) forse krachtsinwerking (te weten een forse impact tegen het hoofd, al dan niet in combinatie met een heftig schudincident) dan bij een eenvoudige val, bij een medische aandoening, bij gebruikelijke verzorgingshandelingen en/of bij de geboorte. De combinatie van medische bevindingen is daarbij waarschijnlijker bij een niet-accidentele, dan een accidentele (zeer) forse krachtsinwerking. Het is niet mogelijk om het ernstig hersenletsel te verklaren door het in de videoreconstructie getoonde (gevolg van) het omtrekken van het campingbedje en het vallen uit het campingbed met een val van het kind van de oppasouders op [slachtoffer] . (…) Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft dr. [arts 1] zijn rapportage toegelicht en benadrukt dat het geheel van bevindingen (het feit dat de bloedingen in meerdere lagen van de hersenen zaten, gecombineerd met de netvliesplooi in het linkeroog en de kneuzing van de hersenen), maakt dat er sprake moet zijn geweest van een forse krachtsinwerking. Theoretisch gezien valt niet uit te sluiten dat er meerdere momenten van geweldsinwerking zijn geweest die elk voor een deel van de letsels hebben gezorgd, maar dat is wel minder aannemelijk. Voornoemde bevindingen wijzen namelijk los van elkaar op ernstig geweldsimpact en het is daarom aannemelijker dat de letsels gecombineerd zijn ontstaan, dus tijdens dezelfde forse krachtsinwerking, dan dat zij afzonderlijk van elkaar zijn ontstaan. Na een dergelijke forse krachtsinwerking treedt immers direct de klinische noodsituatie op. [arts 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat een schudtrauma als solitaire oorzaak voor het ontstaan van het letsel is uitgesloten. Het letsel is het gevolg van een forse krachtsinwerking op het hoofd, al dan niet in combinatie met het schudtrauma. Deskundigenverslag prof. dr. [arts 4] De raadsheer-commissaris heeft prof. dr. [arts 4] , arts-specialist in de pathologische anatomie en de gerechtelijke geneeskunde, verbonden aan het universitair ziekenhuis Leuven, tot deskundige benoemd. Hij heeft op 3 februari 2023 het deskundigenverslag ‘advies betreffende [slachtoffer] ’ opgesteld. Hij concludeert onder meer: ‘Het post mortem onderzoek heeft talrijke (overwegend recente, binnen een tijdspanne van meerdere minuten tot meerdere tientallen minuten voor overlijden ontstane) kneuzingen opgeleverd verspreid over hoofd, gelaat (in het bijzonder inwendig aan mond en wangen), rug en ledematen die duiden op meervoudige stompe krachtinwerkingen. (…) Als belangrijkste letsels van stomp krachtinwerking worden enerzijds de rugspierbloedingen (hoge rug) en epidurale bloeding in het ruggenmergkanaal weerhouden en anderzijds het schedelhersentrauma met subdurale en subarachnoïdale bloeding (d.w.z. in de ruimte tussen harde hersenvlies of dura mater en hersenen en in het spinnenweb- of hersenvlies dat de hersenen bedekt), en hersenkneuzing, en dit in samenhang met netvlies-, glasvochtbloedingen in beide ogen en bloedingen in (het vlies van) beide oogzenuwen. Het geheel van de letsels, en in het bijzonder hun distributie en lokalisatie, evenals de aard van deze letsels duiden bij een 5 maanden jong kind op fysieke mishandeling met meervoudig stomp botsend/stampend/slaand geweld tegen hoofd, rug en ledematen waarbij het schedelhersentrauma kan aanzien worden als zgn. Abusive Head Injury, d.w.z. trauma van het hoofd van niet-accidentele oorsprong ten gevolge een combinatie van heftige impacten en repetitieve snelheidsveranderingen (acceleraties en deceleraties: zgn. schudtrauma/shaken (impact) syndroom). In de gegeven context is de triade van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.