GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.300.727/01 arrest van 28 februari 2023 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. C.C.J. de Koning te Zeist, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. T.M. ten Velde te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 24 augustus 2021 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 24 december 2019, 9 september 2020 en 30 juni 2021, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/364472 / HA ZA 19-656) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven tevens voorwaardelijke wijziging van eis met het procesdossier van de eerste aanleg en de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel; de memorie van antwoord in incidenteel appel; de op 15 december 2022 gehouden mondelinge behandeling, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling feiten 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] is de voormalige schoonvader van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] had een affectieve relatie met de zoon van [appellant] , [zoon van appellant] (hierna: [zoon van appellant] ). [zoon van appellant] is op 9 december 2014 overleden als gevolg van een bedrijfsongeval. 3.1.2. [appellant] en [geïntimeerde] hebben in verband met het overlijden van [zoon van appellant] samen de mogelijkheden onderzocht om een schadevergoeding te ontvangen van de werkgever van [zoon van appellant] , [X] B.V. (hierna: [X] ). Daartoe hebben zij gezamenlijk contact gezocht met letselschadeadvocaat [persoon A] van het kantoor [Y] Advocatuur en Mediation (hierna: [persoon A] ). 3.1.3. Op advies van [persoon A] is uiteindelijk alleen volhard in een vordering van [geïntimeerde] jegens [X] en is de vordering van [appellant] jegens [X] niet doorgezet. De vordering van [geïntimeerde] heeft geleid tot een schikking voor een bedrag van € 300.000,00. 3.1.4. Een afschrift van een door [appellant] overgelegde en door beide partijen ondertekende brief van 20 maart 2018 aan [persoon A] (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) vermeldt: “Hallo [persoon A] Hier een brief van mij. Ik hoorde van [appellant] dat jij het niet helemaal eens bent met de afwikkeling van de financiën. Dat begrijp ik, maar wij hebben vanaf het begin afgesproken dat we alles gezamenlijk zouden delen wat er ook uitgekeerd zou worden uit de rechtszaak tegen de [X] . Wij willen het dan ook op onze eigen manier doen. Daardoor vervalt de oude bankrekening die ik aan jou heb gegeven. We hebben samen [appellant] en ik een nieuwe gezamenlijke rekening geopend en die is (…). Daar moet alles op gestort worden zodat wij er samen over kunnen beslissen wat we er mee gaan doen. P.S. het laatste voorschot had ook al op de nieuwe bankrekening gestort moeten worden, maar dat heb ik nu zelf gedaan. (…)” 3.1.5. Bij dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellant] als productie 2 een afschrift van een door [geïntimeerde] aan [persoon A] handgeschreven brief van 22 maart 2018 in het geding gebracht, waarin staat: “Hoi [persoon A] Hier met deze brief wil ik aangeven dat alles op de nieuwe gezamenlijke rekening gestort kan worden. Dat hebben we zo afgesproken zodat ik er niet te gek mee om kan gaan en [appellant] het in de gaten kan houden voor mij en we hebben ook afgesproken dat wat er uitgekeerd word gedeeld word op het rekeningnummer (…).” 3.1.6. Op 9 januari 2019 heeft [geïntimeerde] een WhatsApp-bericht met de volgende inhoud aan [appellant] gestuurd (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg): “Hey [appellant] hoe ist? Sorry dat ik ff niks van me heb laten horen maar heb eerst het een en ander besproken met advocaat en beschermingsbewind vind het moeilijk en niet leuk om het te moeten vertellen maar heb geen leuk nieuws na veel praten en heel veel nadenken ben ik eruit gekomen en heb ik besloten om geen schenking te doen maar wel jullie terug betalen wat jullie voor mij gedaan hebben natuurlijk want daar ben ik zeker dankbaar voor de reden dat ik het niet meer wil is dat ik dan meer opties heb en nog een betere toekomst en ik ben het natuurlijk niet verplicht ik ben tenslotte toch maar alleen en zal t ook alleen moeten doen je zult vast boos zijn wat ik niet hoop maar wel snap echt sorry en je hoort van mij als alles rond is gr xx” 3.1.7. Bij brieven van 6 maart 2019 en 21 juni 2019 en bij brief van 23 juli 2019 die door de deurwaarder is betekend bij exploot van 8 augustus 2019 (producties 6, 8 en 10 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd om de helft van de schadevergoeding die zij van [X] heeft ontvangen (door de advocaat van [appellant] becijferd op € 145.000,00) aan [appellant] te betalen. [geïntimeerde] heeft aan die sommaties geen gevolg gegeven. het geding in eerste aanleg 3.2. Bij inleidende dagvaarding van 15 oktober 2019 heeft [appellant] een procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt bij de rechtbank. [appellant] vorderde in eerste aanleg dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellant] te betalen: Primair I. € 150.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2019, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling; II. € 2.275,00 aan buitengerechtelijke kosten; Subsidiair III. € 25.265,63, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2019, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling; IV. € 1.027,66 aan buitengerechtelijke kosten; Primair en subsidiair V. € 91,14 ter zake de betekeningskosten van de aanmaningsbrief, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling; VI. de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf het einde van genoemde termijn voor voldoening van de (na)kosten. 3.3. Aan de primaire vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat tussen partijen een schenkingsovereenkomst ter zake van de helft van de schadevergoeding wegens het overlijden van [zoon van appellant] van € 300.000,00 tot stand is gekomen, en waarvan [appellant] de nakoming vordert. De subsidiaire vordering is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] wegens door [appellant] voor haar gemaakte kosten. 3.4. [geïntimeerde] heeft deze vorderingen gemotiveerd betwist. 3.5. Bij tussenvonnis van 24 december 2019 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast, die op 14 juli 2020 heeft plaatsgevonden. 3.6. Bij tussenvonnis van 9 september 2020 heeft de rechtbank bewijs opgedragen aan [appellant] . Vervolgens hebben een getuigenverhoor en een tegengetuigenverhoor plaatsgevonden. 3.7. Bij eindvonnis van 30 juni 2021 heeft de rechtbank de primaire vordering van [appellant] afgewezen en ter zake van de subsidiaire vordering van [appellant] [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 20.265,63, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen. het geding in principaal en in incidenteel hoger beroep 3.8. [appellant] is van de vonnissen van 24 december 2019, 9 september 2020 en 30 juni 2021 in hoger beroep gekomen. Hij heeft twee grieven aangevoerd en hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot het alsnog toewijzen van zijn primaire vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. 3.9. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord gemotiveerd verweer gevoerd en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld, met aanvoering van één grief. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 9 september 2020 en 30 juni 2021 en om, opnieuw rechtdoende, [appellant] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem zijn vordering te ontzeggen als ongegrond, dan wel onbewezen, althans deze vordering te matigen. de omvang van het geding in hoger beroep 3.10. [appellant] heeft in zijn appeldagvaarding hoger beroep ingesteld van de vonnissen van 24 december 2019, 9 september 2020 en 30 juni 2021. Tegen de vonnissen van 24 december 2019 en 9 september 2020 heeft [appellant] geen grieven gericht zodat hij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. eiswijziging 3.11. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis (voorwaardelijk) gewijzigd. Die wijziging van eis houdt in dat, in het geval het hof van oordeel zal zijn dat dient te worden uitgegaan van een schadevergoeding van € 285.000,00, [appellant] de helft daarvan dus € 142.500,00 vordert. Aan een beoordeling van deze gewijzigde vordering komt het hof niet toe omdat de rechtbank de primaire vordering van [appellant] , waarop deze eiswijziging betrekking heeft, in eerste aanleg heeft afgewezen en deze beslissing van de rechtbank in hoger beroep in stand blijft (zie hierna). beoordeling van de grieven in principaal hoger beroep aanvulling van de rechtsgronden – grief 1 3.12. In grief 1 stelt [appellant] dat de rechtbank in strijd met de wet de rechtsgronden ambtshalve heeft aangevuld en dat er sprake is van een verrassingsbeslissing. Deze grief kan niet slagen op grond van het volgende. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat het de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd (zie o.a. HR 31 maart 2006, NJ 2006/233 en HR 20 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:210, rov. 3.3.2). Hoewel aan [appellant] kan worden toegegeven dat de rechtbank een verrassingsbeslissing heeft gegeven en daarmee de grenzen van de rechtsstrijd (artikel 24 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) heeft overschreden door in het eindvonnis ten onrechte aan te nemen dat “in al hetgeen door [geïntimeerde] is aangevoerd in deze procedure” een beroep op wederzijdse dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) besloten ligt en dat [appellant] dit ook had moeten begrijpen, heeft [geïntimeerde] in hoger beroep een beroep op dwaling wèl uitdrukkelijk aan haar verweer ten grondslag gelegd en hebben partijen daarover ook inhoudelijk kunnen debatteren zodat het hof daarover hierna inhoudelijk zal beslissen. Grief 1, hoewel deze op zichzelf een terechte klacht bevat, kan dus niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. 3.13. Grief 1 faalt dus. geen wederzijdse dwaling – grief 2 3.14. Bij vonnis van 30 juni 2021 oordeelt de rechtbank (in rov. 2.2-2.3) dat [appellant] is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen in 2015 zijn overeengekomen gezamenlijk een procedure tegen [X] te starten en de opbrengst daarvan met elkaar te delen. Daartegen is door [geïntimeerde] niet met een grief opgekomen, zodat dit aan het oordeel van het hof is onttrokken. 3.15. In het vonnis van 30 juni 2021 kwalificeert de rechtbank het verweer van [geïntimeerde] dat is weergegeven in rov. 2.6 van dat vonnis als een beroep van [geïntimeerde] op wederzijdse dwaling bij de totstandkoming van de overeenkomst van partijen tot het over en weer delen van schadevergoeding (artikel 6:228 lid 1 sub c BW) en oordeelt de rechtbank dat dit beroep van [geïntimeerde] op wederzijdse dwaling slaagt zodat het primair door [appellant] gevorderde niet toewijsbaar is. Daartegen is grief 2 gericht. 3.16. Naar het oordeel van het hof slaagt deze grief en is van wederzijdse dwaling geen sprake, omdat de in 2015 tussen partijen mondeling tot stand gekomen overeenkomst tot het over en weer delen van schadevergoeding, die onder invloed van wederzijdse dwaling tot stand zou zijn gekomen, in 2018 door partijen is bevestigd door middel van de brieven van 20 en 22 maart 2018 en er toen van dwaling geen sprake meer was. Partijen wisten toen immers dat rechthebbende op de vordering tegen [X] alleen [geïntimeerde] was. Dit kan [appellant] echter niet baten omdat de overeenkomst tussen partijen die is belichaamd in de brieven van 20 en 22 maart 2018 onder invloed van misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen en op die grond vernietigbaar is, zodat het primair door [appellant] gevorderde niet toewijsbaar is. Het hof licht dat hieronder toe. de brieven van 20 en 22 maart 2018 3.17. Naar het oordeel van het hof hebben partijen in 2018 opnieuw een overeenkomst met dezelfde inhoud als in 2015 gesloten, gezien de inhoud van de brieven van [geïntimeerde] aan [persoon A] van 20 en 22 maart 2018, zoals opgenomen in rov. 3.1.4. en 3.1.5. van dit arrest. 3.18. Een (meervoudige vermogensrechtelijke) rechtshandeling, zoals in dit geval de overeenkomst tot het over en weer delen van schadevergoeding, vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW). De door [geïntimeerde] ondertekende brieven van 20 en 22 maart 2018 kwalificeren als wilsverklaringen van [geïntimeerde] in de hiervoor vermelde zin. [appellant] heeft de brief van 20 maart 2018 eveneens ondertekend en aangenomen mag worden dat de brief van 22 maart 2018 hem ook heeft bereikt. 3.19. De overeenkomst tot het over en weer delen van schadevergoeding, die is belichaamd in de brieven van 20 en 22 maart 2018, is niet onder invloed van (wederzijdse) dwaling tot stand gekomen en op die grond dus niet vernietigbaar. Partijen wisten na het eerste bezoek aan hun gezamenlijke advocaat in 2015 immers dat [geïntimeerde] recht had op schadevergoeding en [appellant] niet, zoals [appellant] onweersproken heeft gesteld, althans partijen wisten dat na hun gesprek met [persoon A] op 15 februari 2018. Dat blijkt uit het verslag van [persoon A] van dat gesprek, waarin (onder meer) staat: “Met cliënten gesproken over hun wens op een affectieschadevergoeding [toevoeging hof: voor [appellant] ]. Cliënten zijn ervan op de hoogte dat een eventuele affectieschadevergoeding beperkt in omvang zal zijn.” en “Met [geïntimeerde] en [appellant] gesproken over hoe de schadevergoeding van [geïntimeerde] besteed zal gaan worden.” (productie 17 bij akte overlegging producties van [appellant] voor de rolzitting van 2 maart 2021). [appellant] heeft niet betwist dat hij dit gespreksverslag van [persoon A] heeft ontvangen. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat hij alle correspondentie van [persoon A] , waaronder dus ook dit gespreksverslag, aan [geïntimeerde] heeft laten lezen. De brieven van 20 en 22 maart 2018 zijn daarna geschreven. misbruik van omstandigheden 3.20. [geïntimeerde] heeft ter zitting in eerste aanleg haar verweer aangevuld met de stelling dat voor zover een schenkingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, haar wil bij de totstandkoming van deze overeenkomst is gevormd onder invloed van misbruik van omstandigheden door [appellant] en dat die overeenkomst om die reden vernietigbaar is. [geïntimeerde] stelt dat de brief van 20 maart 2018 niet door haar, maar door [appellant] en op zijn initiatief opgesteld en verzonden is. Zij moest die brief van [appellant] ondertekenen, zo stelt zij. Wat betreft de door [geïntimeerde] handgeschreven brief van 22 maart 2018, stelt [geïntimeerde] dat de inhoud daarvan door [appellant] bij hem thuis aan haar is gedicteerd. Ter onderbouwing van het voorgaande heeft [geïntimeerde] aangegeven dat de bewoordingen van de brieven van 20 en 22 maart 2018 niet aansluiten bij haar woordgebruik en haar taalniveau. De aanleiding voor [appellant] om deze brieven op te stellen/te dicteren was volgens [geïntimeerde] dat inmiddels duidelijk was geworden dat de (affectieschade)vordering van [appellant] jegens [X] geen kans van slagen had. Dit verweer van [geïntimeerde] komt in hoger beroep aan de orde in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep vanwege het slagen van grief 2. Over het beroep van [geïntimeerde] op misbruik van omstandigheden wordt als volgt geoordeeld. 3.21. Misbruik van omstandigheden is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). 3.22. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst tot het over en weer delen van schadevergoeding materieel gezien het karakter heeft van een schenkingsovereenkomst. In geval van misbruik van omstandigheden bij schenking geldt op grond van artikel 7:176 BW een bijzonder, van artikel 150 Rv afwijkend, bewijsregime, dat in de wet is opgenomen ter versterking van de positie van de schenker (HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1240). Artikel 7:176 BW bepaalt dat indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt (wat hier niet het geval
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.