GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 16 maart 2023 Zaaknummer: 200.319.533/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/372159 / FA RK 21-2888 in de zaak in hoger beroep van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A. Vogelaar, tegen [de man] , wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, voormalig advocaat: mr. S. Maachi. In het kort: Deze zaak gaat over de bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen: [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008; [minderjarige 2] (hierna [minderjarige 2]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 september 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2022, heeft de vrouw verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het appel gegrond te verklaren, voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat (zo leest het hof) de man met ingang van 23 juni 2021 € 507,70 per maand zal voldoen en met ingang van de geboorte van zijn jongste kind € 221,- per maand zal voldoen. 2.
- Bij V2-formulier van 12 januari 2023 respectievelijk V8-formulier van 12 januari 2023 heeft mr. S. Maachi zich onttrokken als advocaat van de man. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart
- Daarbij is slechts de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde gekomen. Bij die gelegenheid is de man gehoord. De vrouw en haar advocaat zijn, met bericht van 9 maart 2023 dat zij niet aanwezig zullen zijn niet ter zitting verschenen. 3De beoordeling 3.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2022 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 september
- 3.
- Een beroepschrift wordt op grond van artikel 282a lid 1 juncto artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) pas in behandeling genomen nadat het griffierecht is voldaan. Op grond van artikel 3 lid 4 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) dient het griffierecht binnen vier weken na indiening van het beroepschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van het betreffende gerecht. 3.
- Het hof heeft de advocaat van de vrouw bij brief van 5 december 2022 medegedeeld dat de termijn voor betaling vier weken bedraagt. Het verschuldigde griffierecht had mitsdien uiterlijk 30 december 2022 betaald dienen te zijn. 3.
- Bij dezelfde brief van 5 december 2022 heeft het hof de advocaat van de vrouw en de voormalig advocaat van de man bericht dat, wanneer het verschuldigde griffierecht niet tijdig wordt voldaan, het hof de verzoekster in hoger beroep in beginsel met toepassing van artikel 282a lid 2 Rv niet-ontvankelijk verklaart. 3.
- Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de daartoe gestelde termijn voldaan. 3.
- Het hof heeft daarop een zitting bepaald en aan partijen medegedeeld dat ter zitting van het hof van 9 maart 2022 de ontvankelijkheid zal worden besproken. 3.
- Vervolgens heeft de advocaat van de vrouw het hof verzocht om uitstel voor de betaling van het griffierecht te verlenen omdat de aanvraag bijzondere bijstand nog op zich laat wachten. Het hof heeft dit verzoek afgewezen. 3.
- Op 4 maart 2023 is het griffierecht alsnog voldaan. Het hof stelt vast dat het door de vrouw verschuldigde griffierecht niet binnen de wettelijke betalingstermijn van vier weken na indiening van het beroepschrift is voldaan. 3.
- De vrouw en haar advocaat zijn tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen terwijl de mondelinge behandeling juist door het hof was gelast was om de vrouw in de gelegenheid te stellen een toelichting te geven op het geconstateerde verzuim. 3.
- Nu er geen uitleg is gegeven over het verzuim, is het hof van oordeel dat er door de vrouw geen omstandigheden als bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot de conclusie dat in dit geval nietontvankelijkverklaring leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en om die reden achterwege zou moeten blijven. 3.
- Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek in hoger beroep. 4De beslissing Het hof: verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 september
- Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, M. van Ham en E.M.C. Dumoulin en is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2023 in tegenwoordigheid van mr. E.G.A. Gubbels-Janssen, griffier.