Parketnummer : 20-000176-22 Uitspraak : 20 maart 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s- Hertogenbosch, van 24 januari 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-265078-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1970, thans uit anderen hoofde verblijvende in het Huis van Bewaring [plaats] te [plaats] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd. De rechtbank heeft het onder de feiten 1 primair, 3 en 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken’ en ‘diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolen te verzekeren’ (feit 1 primair), ‘diefstal, meermalen gepleegd’ (feit 3) en ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (feit 4), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 3) is door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 135,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder feit 2 tenlastegelegde, alsmede tegen de vrijspraak door de rechtbank van de onder feit 3, onder het vierde gedachtestreepje tenlastegelegde diefstal van een iPad, althans enig goed, toebehorende aan [bedrijf] . Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht. De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 202,68 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 135,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan ter terechtzitting in hoger beroep is medegedeeld, is het hof bij de beraadslaging in raadkamer gebleken dat de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is daardoor, van rechtswege, alleen voor het toegewezen gedeelte van de vordering aan het oordeel van het hof onderworpen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Door de raadsvrouw van de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de opgelegde straf. Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw bij pleidooi en door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geen reden om ten aanzien van de bewezenverklaring tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen Het hof heeft geconstateerd dat de gebezigde bewijsmiddelen, alsmede de verwijzingen naar de vindplaatsen van die bewijsmiddelen, onder handhaving van het overige, op onderdelen aanvulling dan wel verbetering behoeven in de volgende zin: ten aanzien van feit 1: de op pagina 5 van het vonnis, in de tweede alinea opgenomen zin ‘Ik had niet het idee dat de man het voorwerp, waarvan ik denk dat het een mes was, wilde gebruiken om mij daadwerkelijk te steken.’ wordt geschrapt; de op pagina 5 van het vonnis, in de tweede alinea opgenomen zinsnede ‘en als het geen mes was, was het in ieder geval een voorwerp’ wordt geschrapt; de op pagina 5 van het vonnis, in de tweede alinea opgenomen zinsnede ‘Ondanks dat ik op dat moment niet het idee had dat de man niet zou willen steken’ wordt geschrapt; aan de inhoud van het op pagina 6 van het vonnis weergegeven bewijsmiddel wordt toegevoegd: “Op 16 september 2021 bekeek ik digitale filmbeelden. De digitale beelden zijn opgenomen middels een beveiligingscamera welke geplaatst is aan de gevel van het pand aan [adres 1] . Ik zag dat de video-opname rechtsboven in beeld voorzien was van een datum- en tijdweergave. Ik zag bij aanvang van de video-opname de volgende weergave: 11-09-2021 02:25:28.”. Ten aanzien van feit 3, eerste gedachtestreepje (aangeefster [aangever 1] ): aan de inhoud van het onder 1 op pagina 8 van het vonnis genoemde bewijsmiddel wordt toegevoegd: “Op 30 juni 2021 was ik aan het werk bij kringloopwinkel [winkel 1] , [adres 2] .”; aan de inhoud van het onder 2 op pagina 8 van het vonnis genoemde bewijsmiddel wordt toegevoegd: “Ik ben bedrijfsleider, werkzaam bij kringloopwinkel [winkel 1] , gevestigd [adres 2] . Op 30 juni 2021, was ik samen met mevrouw [aangever 1] (het hof begrijpt: aangeefster [aangever 1] ) nog aan het werk.”; het onder 3 op pagina 8 van het vonnis genoemde bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘een proces-verbaal van bevindingen (met bijlage) d.d. 16 juli 2021, pagina 98 en 99, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] ’. Ten aanzien van feit 3, derde gedachtestreepje (aangever [benadeelde] ): aan de inhoud van het onder 7 op pagina 10 van het vonnis genoemde bewijsmiddel wordt toegevoegd: “Ik ben medewerker bij het [winkel 2] , gevestigd [adres 3] . Op 22 september 2021 was ik daar aan het werk. Ik liet een man binnen. Aangezien ik met de andere klant in de spreekkamer bezig was, vroeg ik de man even plaats te nemen op de stoel. Verder was er niemand aanwezig. Terwijl ik in de spreekkamer was, hoorde ik de voordeur dichtslaan. Ik vond het vreemd dat de man niet op mij wachtte.”; de in het onder 7 genoemde bewijsmiddel op pagina 10 van het vonnis opgenomen zin ‘Het betrof een blauwe Samsung Galaxy AIO’ wordt vervangen door ‘Het betrof een blauwe Samsung Galaxy A10’; uit het onder 7 op pagina 10 van het vonnis genoemde bewijsmiddel wordt geschrapt: ‘- blank’; uit het onder 8 op pagina 11 van het vonnis genoemde bewijsmiddel wordt geschrapt: ‘- ongeveer’; het onder 9 op pagina 11 van het vonnis genoemde bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar (met bijlagen), d.d. 6 oktober 2021, pagina 232 tot en met 235, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] ’. Ten aanzien van feit 3, vierde gedachtestreepje (aangeefster [aangever 2] ): aan de inhoud van het onder 10 op pagina 12 van het vonnis genoemde bewijsmiddel wordt toegevoegd: “Ik ben werkzaam bij het restaurant [restaurant] gevestigd aan [adres 4] .”; het onder 12 op pagina 12 van het vonnis genoemde bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar (met bijlagen), d.d. 9 augustus 2021, pagina 291 tot en met 297, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] ’. Ten aanzien van feit 4 De rechtbank heeft ten aanzien van het onder feit 4 bewezenverklaarde volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven. Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en dienaangaande nadien geen vrijspraak is bepleit. In de onderhavige zaak heeft de verdachte geen bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde. Derhalve kan niet worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen en zal het hof de inhoud van de door de rechtbank opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring – onder verbetering van de verwijzing naar de vindplaatsen van die bewijsmiddelen – uitwerken. Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, basisteam ‘s-Hertogenbosch, registratienummer PL2100-2021214545, gesloten d.d. 24 oktober 2021, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.