GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.318.433/01 arrest van 26 maart 2024 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna: [appellante] , advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken te Valkenswaard, tegen 1 [geïntimeerde 1] , in hoedanigheid van testamentair executeur in de nalatenschap van [de erflater] (hierna: erflater), wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2], in hoedanigheid van vereffenaar en enige erfgename in de nalatenschap van erflater, wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna: 1. [geïntimeerde 1] en/of 2. [geïntimeerde 2] , advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht, op het bij dagvaardingsexploot van 12 oktober 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 13 juli 2022 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak C01/371558/ HA ZA 21-381) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 4 augustus 2021. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van [appellante] , - de memorie van grieven van [appellante] , - de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , met een productie. 2.2 Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg. 3De beoordeling De feiten 3.1 In dit hoger beroep dienen de volgende feiten voor het hof tot uitgangspunt. a. Erflater is in [maand] 1962 gehuwd met [echtgenote erflater] (hierna: moeder) en uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren: [dochter] (hierna: [dochter] ) en [geïntimeerde 2] . Erflater en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is geëindigd door het overlijden van moeder op [datum 1] 2009. Moeder had op 4 juni 1998 een zogenoemde langstlevende testament met ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Erflater, [dochter] en [geïntimeerde 2] waren de erven in haar nalatenschap (hierna: nalatenschap-moeder), zij het dat [dochter] en [geïntimeerde 2] ieder een in beginsel eerst bij overlijden van erflater opeisbare vordering op erflater hebben gekregen, te vermeerderen met een samengestelde rente van 6% per jaar tenzij de erven anders overeenkomen. Het lichaam van [dochter] is op [datum 3] 2018 gevonden. Zij had ten tijde van haar overlijden geen huwelijks- of geregistreerd partner, had geen kinderen en had niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. [geïntimeerde 2] heeft namens erflater de nalatenschap van [dochter] (hierna: nalatenschap- [dochter] ) verworpen en deze voor zichzelf beneficiair aanvaard. Het laatstelijk door erflater opgemaakte testament van 4 oktober 2019 (hierna: Testament) bepaalt: “(…) Artikel 4. Legaten 1. Ik legateer aan ieder van mijn twee kleinkinderen alsmede aan de navolgende twee personen, een bedrag in geld groot éénhonderdduizend euro (€ 100.000,00). De bedoelde twee personen zijn: a. [persoon 1] (…); b. [appellante] (…). 2. Over het gelegateerde gedrag is geen rente verschuldigd. 3. De legaten zijn zes maanden na mijn overlijden opeisbaar. 4. Indien de nominale waarde van de vier gelegateerde bedragen tezamen meer bedraagt dan de tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap, zal het aan ieder van de legatarissen gelegateerde bedrag naar evenredigheid zodanig worden verminderd dat de nominale waarde van bedoelde totale gelegateerde bedragen gelijk is aan tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap. Bij de berekening van de waarde van de nalatenschap worden alleen de schulden bedoeld in artikel 4:7 lid 1 letters a tot en met d en f tot en met i Burgerlijk Wetboek in aanmerking genomen, met dien verstande dat de schulden uit onderhavige legaten niet in aanmerking worden genomen. Artikel 5. Erfstelling en plaatsvervulling Ik benoem mijn dochter [hof: [geïntimeerde 2] ] tot enig en algeheel erfgename van mijn nalatenschap. (…) Artikel 6. Executele 1. Ik benoem mijn schoonzoon [hof: [geïntimeerde 1] ] tot executeur. (…) (…)” Erflater is op [datum 2] 2019 overleden. [geïntimeerde 1] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. Nadat [appellante] had geschreven het legaat van erflater te aanvaarden, heeft [geïntimeerde 1] bij brief van 25 maart 2020 aan [appellante] geschreven: “(…) Inmiddels heb ik een boedelbeschrijving gemaakt van de omvang van de nalatenschap (…) (…) Nu de nalatenschap van [de erflater] negatief is, bedraagt het aan u gemaakte legaat nihil, zulks gezien het bepaalde onder 4.4 in het testament. Daarnaast geldt dat eerst van het uitkeren van legaten sprake kan zijn als alle schulden van de nalatenschap (waaronder het 'moederlijk erfdeel') zijn voldaan. Er zal dan ook geen uitkering aan u plaatsvinden. (…)” [geïntimeerde 2] heeft op 15 april 2020 de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard en tevens een algehele boedelvolmacht gegeven aan haar echtgenoot [geïntimeerde 1] . i. Als gevolmachtigde van vereffenaar [geïntimeerde 2] heeft [geïntimeerde 1] bij brief van 13 mei 2020 aan de kantonrechter mededeling gedaan dat de schulden van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van erflater de baten overtreffen en een voorlopige boedelbeschrijving gestuurd. In diezelfde hoedanigheid heeft [geïntimeerde 1] de op 7 augustus 2020 gedateerde definitieve “Boedelbeschrijving erfrecht” van erflaters nalatenschap (hierna: Boedelbeschrijving) aan de kantonrechter gestuurd, met bijlagen. De Boedelbeschrijving vermeldt per overlijdensdatum [datum 2] 2019: “(…) 2. Bezittingen Betaalrekeningen (…) ABN Amro (…) € 6.526,62 ING (…) € 534,88 Spaarrekeningen (…) ABN Amro (…) € 20.000,00 (…) Contant geld (…) € 1.700,00 Aandelen (…) Open fonds voor gemene rekening Montfleuri € 450.476,31 (…) Waardevolle getaxeerde (…) Getaxeerde inboedel € 3.835,00 (…) Vorderingen (…) Lening [geïntimeerde 2] € 49.000,00 (…) Teruggave IB 2018 (…) € 8.614,00 Teruggave IB 2019 (…) € 2.627,00 (…) Totaal aan bezittingen € 573.313,59 3Schulden Huishoudelijke schulden (…) Centraal Beheer (teveel uitgekeerd) € 2.409,81 (…) Moederlijk erfdeel [geïntimeerde 2] € 648.680,99 (…) [persoon 2] (legaat) € 0,00 [persoon 3] (legaat) € 0,00 [appellante] (legaat) € 0,00 [persoon 1] (legaat) € 0,00 Totaal aan schulden € 651.090,80 (…) (…) uitvaartkosten (…) € 4.514,45 (…) notariskosten € 1.027,15 (…)” Het geding in eerste aanleg 3.2 In dit met de dagvaarding van 31 mei 2021 ingeleide geding heeft [appellante] gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde 1] als testamentair executeur in de nalatenschap van erflater en de nalatenschap c.q. [geïntimeerde 2] als vereffenaar zal veroordelen om, samengevat: te voldoen het legaatbedrag van € 100.000,--, met wettelijke rente vanaf 8 juni 2020; op verbeurte van een dwangsom binnen 14 dagen na betekening van het vonnis alle relevante inlichtingen en stukken te verschaffen inzake de nalatenschap, waartoe in elk geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnummer 31 van de inleidende dagvaarding; de proceskosten te betalen. 3.3 Bij het eerdergenoemde tussenvonnis heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast, die op 28 maart 2022 heeft plaatsgevonden. 3.4 Bij het beroepen vonnis van 13 juli 2022 heeft de rechtbank -kort samengevat- overwogen: dat de taak van [geïntimeerde 1] als executeur met de op 7 augustus 2020 aan de kantonrechter ingezonden Boedelbeschrijving is gëeindigd en [geïntimeerde 2] als enig erfgenaam en vereffenaar de gemelde negatieve nalatenschap van erflater moet vereffenen (rov. 5.1-5.8); dat de vordering tot betaling van het legaatbedrag subsidiair is aan de vordering tot het verkrijgen van inlichtingen, maar [appellante] als legataris en schuldeiser niet het recht toekomt om via verlangde inlichtingen en stukken of artikel 843a RV de (juistheid van de betwijfelde) Boedelbeschrijving te controleren en [appellante] te weinig stelt voor een verplichting tot betaling van het legaatbedrag (rov. 5.9-5.22). Op grond daarvan heeft de rechtbank, samengevat: [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tegen [geïntimeerde 1] ; de vorderingen van [appellante] tegen [geïntimeerde 2] afgewezen; [appellante] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ; [appellante] veroordeeld in de nakosten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ; de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het geding in hoger beroep 3.5 In hoger beroep formuleert [appellante] twee grieven en vordert [appellante] dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: I. het beroepen vonnis zal vernietigen; en [geïntimeerde 1] als testamentair executeur, [geïntimeerde 2] als vereffenaar en de nalatenschap van erflater zal veroordelen: II. om aan [appellante] te voldoen het legaatbedrag van € 100.000,--, met wettelijke rente; III. op verbeurte van een dwangsom binnen 14 dagen na betekening van het arrest alle relevante inlichtingen en stukken te verschaffen inzake de nalatenschap, waartoe in elk geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnummer 31 van de inleidende dagvaarding; IV. tot terugbetaling van wat [appellante] ter uitvoering van het beroepen vonnis heeft betaald, met wettelijke rente; V. in de proceskosten, met wettelijke rente. 3.6 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] weerspreken de grieven en concluderen dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren, de vorderingen in hoger beroep van [appellante] zal afwijzen en [appellante] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten. Rechtsstrijd in hoger beroep 3.7 Voor zover [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] klagen dat zij bij het beroepsexploot in persoon zijn gedagvaard terwijl zij in eerste aanleg in hun verschillende hoedanigheden partij waren, verwerpt het hof hun daarop gebaseerde niet-ontvankelijkheidsverweer. Het beroepsexploot vermeldt in de kop (alleen) hun (persoons)namen, maar formuleert in het petitum immers uitdrukkelijk vorderingen tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in hun verschillende hoedanigheden. Het beroepsexploot vermeldt bovendien dat in hoger beroep wordt gekomen tegen het beroepen vonnis en dat vonnis vermeldt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] nadrukkelijk in hun verschillende hoedanigheden. Reeds hierom had het [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] duidelijk moeten zijn dat zij bij het beroepsexploot in dit hoger beroep werden betrokken in hun verschillende hoedanigheden van testamentair executeur respectievelijk vereffenaar en enig erfgenaam in de nalatenschap van erflater. Blijkens hun in hoger beroep gevoerde verweren is het [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ook daadwerkelijk duidelijk dat zij in deze verschillende hoedanigheden in dit hoger beroep zijn betrokken. 3.8 Met de in hoger beroep geformuleerde vorderingen legt [appellante] haar (in de voornoemde rov. 3.5 genoemde) vorderingen I tot en met V ter beslissing aan het hof voor. Voor zover [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betogen dat vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken zich alleen nog zou beperken tot de in memorie van grieven randnummer 17 door [appellante] bedoelde aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting (hierna: IB) en bankafschriften van erflater over de periode van [datum 1] 2009 (overlijdensdatum moeder) tot [datum 2] 2019 (overlijdensdatum erflater), oordeelt het hof dat betoog onjuist. In die memorie vermindert [appellante] deze vordering als zodanig immers niet en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben een dergelijke eisvermindering uit de memorie van grieven ook niet mogen opmaken. In de memorie van grieven verduidelijkt [appellante] zelfs nog dat zij met die bedoelde aangiften en aanslagen IB en bankafschriften: “18. (…) zich waarschijnlijk (nog afhankelijk van de informatie uit deze bescheiden) overtuigd [hof: zal] achten van de stand van de boedel per overlijdensdatum van [de erflater] (…)”, maar: “22. (…) Hierbij kan het natuurlijk zijn, dat voornoemde bescheiden aanleiding geven tot de behoefte aan verdere informatie c.q. verder onderzoek.” Aan het slot van de memorie van grieven verwijst [appellante] bovendien uitdrukkelijk naar de in het petitum van het beroepsexploot geformuleerde vorderingen, alwaar vordering III nadrukkelijk vermeldt dat wordt gevorderd: “(…) te verschaffen alle relevante inlichtingen en stukken met betrekking tot de nalatenschap, waartoe in elk geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnummer 31 van de inleidende dagvaarding van 31 mei 2021 (…)”. 3.9 [appellante] stelt te berusten in de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring in de vorderingen tegen [geïntimeerde 1] als executeur en dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 1] als ingetrokken kunnen worden beschouwd. Dit brengt het hof ertoe om [appellante] bij het eindarrest niet-ontvankelijk te verklaren in het (met het beroepsexploot aanhangig gemaakte) hoger beroep tegen [geïntimeerde 1] . 3.10 Voor zover [geïntimeerde 1] na het eindigen van zijn executeurstaak nog heeft gehandeld, heeft hij dat als gevolmachtigde van [geïntimeerde 2] gedaan. Daarom zal het hof hierna (niet meer [geïntimeerde 1] , maar alleen nog) [geïntimeerde 2] als wederpartij van [appellante] aanhalen. 3.11 Dit hoger beroep spitst zich verder dus toe op de vorderingen I tot en met V van [appellante] tegen [geïntimeerde 2] als enig erfgenaam in en vereffenaar van de nalatenschap van erflater. Vordering I tot vernietiging van het beroepen vonnis 3.12 Met vordering I tot vernietiging van het beroepen vonnis loopt [appellante] vooruit op de andere aan het hof voorliggende vorderingen. Deze vordering mist zelfstandige betekenis en behoeft als zodanig geen afzonderlijke bespreking. Of het hoger beroep leidt tot andere (dan door de rechtbank gegeven) beslissingen hangt af van de (hierna te onderzoeken) andere vorderingen en grieven. Vordering II tot betaling van het legaatbedrag 3.13 [appellante] klaagt met grief 1 dat de rechtbank vordering II tot betaling van het legaatbedrag ten onrechte subsidiair heeft begrepen aan vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken. [appellante] licht toe dat het twee zelfstandige cumulatieve vorderingen zijn, maar dat zij geen belang meer heeft bij vordering III als vordering II mocht worden toegewezen. Verder betoogt [appellante] door grief 2 dat zij bij afwijzing van vordering II tot betaling van het legaatbedrag als belanghebbende op de voet van artikel 843a Rv recht heeft op verschaffing van de in vordering III bedoelde inlichtingen en stukken. Dit alles brengt het hof er toe om nu eerst vordering II te behandelen. Zoals hierna zal blijken, benodigt het hof daarvoor vanwege onduidelijkheden en discrepanties in het verweer van [geïntimeerde 2] nog informatie en stukken. Of [appellante] na de verkrijging daarvan nog belang heeft bij een beoordeling van vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken op grond van artikel 843a Rv, zal het hof zo nodig later nog kunnen onderzoeken en beoordelen. 3.14 [appellante] baseert vordering II tot betaling van het legaatbedrag op het in artikel 4.1 Testament aan haar toegekende legaat van € 100.000,--. Voor zover [geïntimeerde 2] tegenwerpt dat een juiste lezing van artikel 4.1 Testament meebrengt dat het een legaat van € 100.000,-- toekent aan de daarin onder a. en b. nader genoemde twee personen [kleinkind] en [appellante] gezamenlijk, kan het hof haar daarin niet volgen. Blijkens de naar objectieve maatstaven uit te leggen tekst kent erflater in artikel 4.1 Testament een legaat van € 100.000,-- toe aan ieder van de twee kleinkinderen, de daarin onder a. aangeduide [kleinkind] en de daarin onder b. aangeduide [appellante] afzonderlijk. Bij gebreke van gestelde concrete feiten voor een andere uitleg, dient dan ook verder tot uitgangspunt dat erflater in artikel 4.1 Testament (ook) aan [appellante] € 100.000,-- heeft gelegateerd. 3.15 In het partijdebat over de vraag of de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.