Parketnummer : 20-000492-23 Uitspraak : 5 maart 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-298081-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van witwassen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De politierechter heeft het inbeslaggenomen geldbedrag van € 32.100,00 verbeurd verklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag heeft de raadsman primair verzocht dat het hof de teruggave aan de verdachte zal gelasten en subsidiair dat het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende zal gelasten. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de gronden waarop dit berust en doet in zoverre opnieuw recht. Daarnaast is het hof van oordeel dat de zin ‘De LOVS-oriëntatiepunten indiceren voor het witwassen van voornoemd geldbedrag een gevangenisstraf van 2 tot 6 maanden’ in de strafmaatoverweging op pagina 6 van het vonnis dient te worden geschrapt. Met betrekking tot de op pagina 7 van het vonnis opgenomen beslissing ten aanzien van het inbeslaggenomen goed is het hof van oordeel dat er sprake is van een kennelijke verschrijving, te weten ’32.1000 euro’ en het hof zal dit verbeterd lezen als ’32.100 euro’. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de politie en/of het Openbaar Ministerie er niet in zijn geslaagd om een vermoeden aan te voeren dat het aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Daardoor is er geen sprake van een situatie waarin van de verdachte een verklaring wordt verlangd. Voor zover wel sprake zou zijn van een bewijsvermoeden stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte tijdens zijn eerste verhoor een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Deze verklaring wordt ondersteund door later overgelegde bankafschriften en verklaringen van de tante, neefjes en nichtjes van de verdachte. Volgens de verdediging kan niet worden aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het contante geld (deels) afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Dat voorwerpen ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. Uit het dossier komt naar het oordeel van het hof geen direct bewijs voor brondelicten naar voren. Daarom zal het hierboven omschreven toetsingskader gebruikt worden als uitgangspunt bij de beoordeling. Vermoeden van witwassen Het hof stelt op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, het navolgende vast. Op aanwijzing van de vader van de verdachte is op 15 november 2022 in de woning van [betrokkene] aan de [adres 2] achter een plafondplaat een contant geldbedrag aangetroffen van € 32.100,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.