GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.333.749/01 arrest van 23 januari 2024 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van 1 [appellant 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [appellant 2] ,wonende te [woonplaats] , appellanten in de hoofdzaak, eisers in het incident, hierna te noemen: [appellanten] , advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten te Venlo, tegen Stichting Woonwenz, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen Woonwenz, advocaat: mr. W.A. Kempe te Utrecht, op het bij exploot van dagvaarding van 19 oktober 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 oktober 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en Woonwenz als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10218675 \ CV EXPL 22-5462) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 351 Rv met producties; de antwoordmemorie in het incident van Woonwenz. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in conventie: - voor recht verklaard dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde) tussen partijen bij brief van 26 september 2022 is vernietigd op grond van dwaling; - [appellanten] veroordeeld om het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen en ter beschikking te stellen aan Woonwenz. De kantonrechter heeft de vorderingen in reconventie afgewezen. [appellanten] zijn vervolgens in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten. De veroordelingen, waaronder de ontruiming van het gehuurde, zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.2. [appellanten] zijn van dit vonnis in hoger beroep gegaan en hebben in de dagvaarding in hoger beroep een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring opgeworpen. 3.3. Woonwenz heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident en voert onder meer het volgende aan. [appellanten] hebben, naast het opwerpen van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, ook op 13 oktober 2023 een executieprocedure gestart met hetzelfde doel. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 oktober 2023 de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Inmiddels heeft de ontruiming van het gehuurde volgens Woonwenz plaatsgevonden op 31 oktober en 1 november 2023. Woonwenz stelt dat de samenloop tussen het executiegeschil, waarin de voorzieningenrechter al een uitspraak heeft gedaan, en het incident in hoger beroep mee kan brengen, afhankelijk van de gestelde grond voor de schorsing van de executie, dat het hof wegens strijd met de goede procesorde aan een inhoudelijke uitspraak niet meer toekomt, indien door de geëxecuteerde geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. 3.4. Ten aanzien van dit laatste verweer van Woonwenz overweegt het hof als volgt. Een veroordeelde komt naast het recht om in kort geding een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging te stellen in beginsel ook het recht toe om een soortgelijke vordering door middel van een incident in te stellen in hoger beroep. De enkele omstandigheid dat [appellanten] in dit incident aan hun vordering tot schorsing dezelfde argumenten als in het executiegeschil ten grondslag hebben gelegd, staat niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in dit incident door het hof. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in tegenstelling tot de voorzieningenrechter in kort geding het hof bij de beoordeling van het incident als bodemrechter oordeelt en gebondenheid aan de beslissing in kort geding afstuit op het bepaalde in artikel 257 Rv. Op grond van dit artikel is de rechter in een bodemprocedure immers niet gebonden aan een eerder gegeven oordeel van een voorzieningenrechter. 3.5. Het hof merkt op dat Woonwenz in haar antwoordmemorie heeft vermeld dat het gehuurde op 31 oktober en 1 november 2023 is ontruimd. [appellanten] hebben hierop nog niet kunnen reageren, maar omdat Woonwenz zelf geen consequenties aan dit gegeven verbindt, zal het hof het incident inhoudelijk afdoen. 3.6. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.