GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.311.762/01 arrest van 21 mei 2024 in de zaak van [appellant] , handelende onder de naam [X B.V.], wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. A.A.M. Hoogveld te Maastricht, tegen [geïntimeerde] , handelend onder de naam [Y B.V.] , wonende te [woonplaats] geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. R.M. de Hair te Venlo. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 augustus 2022 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/286948 / HA ZA 21-6 gewezen vonnis van 2 maart
(2017)met de B-as waren opgelost. Het slagen van de grieven 10,11 en 12 leidt het hof tot het oordeel dat [appellant] voldoende heeft onderbouwd dat de machine op het punt van de B-as op het moment van de risico-overgang niet voldeed aan de koopovereenkomst in de zin van artikel 35 lid 1 en 35 lid 2 onder a Weens Koopverdrag. Dit wordt niet anders indien er met [geïntimeerde] van uit zou moeten worden gegaan dat zij niet heeft erkend dat de gebreken tijdens de oplevering aanwezig waren. 6.7.2.18 Met grief 13 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het feit dat de firma Garwels op 29 april 2019 heeft geconstateerd dat de B-as zwaar draaide onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat op 30 november 2018 reeds sprake was van een gebrek aan de B-as van de machine. In de toelichting op de grief betoogt [appellant] dat de gebreken aan de B-as niet pas vijf maanden na de inbedrijfstelling aan het licht zijn gekomen, maar al sinds 9 januari 2019 bij herhaling door [appellant] aan de orde zijn gesteld en door [geïntimeerde] zijn erkend. 6.7.2.19 Deze grief behoeft geen afzonderlijke beoordeling. [geïntimeerde] betoogt dat de door [appellant] op 9 januari 2019 gemelde overload alarmmelding niets te maken heeft met hetgeen Garwels bij onderzoek heeft vastgesteld. Wat daar ook van zij zoals onder 6.7.2.17 geoordeeld heeft [appellant] het niet voldoen aan de overeenkomst van de machine op het punt van de B-as op het moment van de risico-overgang voldoende onderbouwd. Daaraan doet niet af dat, indien daar van uit zou moeten worden gegaan, Garwels andere problemen heeft benoemd. 6.7.2.20 Met grief 14 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat er bij de risico-overgang geen sprake was van een tekortkoming van [geïntimeerde] op het punt van de B-as van de machine 6.7.2.21 Gezien hetgeen het hof heeft geoordeeld onder 6.7.2.15, 6.7.2.17 en 6.7.2.19 slaagt deze grief. Daar [appellant] het niet voldoen aan de overeenkomst van de machine op het punt de B-as op het moment van de risico-overgang voldoende heeft onderbouwd, is sprake van een tekortkoming van de zijde van [geïntimeerde] . 6.7.2.22 Met grief 15 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat de machine kampte met gebreken die zijn aan te merken als een tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] heeft hij voldoende onderbouwd welke gebreken zich direct na inwerkingstelling van de machine voor de seriematige productie hebben voorgedaan en heeft [geïntimeerde] deze gebreken anders dan de rechtbank oordeelt erkend. 6.7.2.23 Zoals het hof onder 6.7.2.3 al oordeelde heeft [appellant] weliswaar verschillende malen gebreken bij [geïntimeerde] gemeld, zoals op Whatsapp-berichten (vanaf 3 december 2018) en een e-mail van 9 januari 2019, maar zonder nadere toelichting die [appellant] niet heeft gegeven valt in het licht van de verklaring van [persoon B] niet in te zien dat deze gebreken verborgen gebreken betreffen die bij de oplevering bestonden. De verklaring van [persoon F] (hierna: [persoon F] ) van 12 september 2021 (productie 47 bij memorie van grieven) waarnaar [appellant] bij memorie van grieven ter toelichting van de aan [geïntimeerde] gemelde problemen verwijst, doet daar niet aan af. Weliswaar verklaart [persoon F] , ten aanzien van problemen die volgens haar in de e-mail van 9 januari 2019 zijn genoemd, dat de machine pas vanaf 2 januari 2019 mondjesmaat in gebruik kon worden genomen en dat de gestelde problemen, waaronder leaking coollant trough the glass in the front door, alarm on the Concep, coolant and chips besides the chip conveyor, belt of the Consep was giving an alarm, B-axis alarms, the door of the tooling magazine has opened by itself, en het ontbreken van de terugslagklep, niets met de bediening van de machine te maken hadden, maar de oorzaak van de gestelde gebreken is niet ondersteund door een oordeel van een expert of anderszins onderbouwd door bijvoorbeeld een verklaring van een monteur, terwijl, voor enkele gebreken, te weten voor het tweede genoemde probleem (naast [geïntimeerde] ) een monteur ter reparatie, die niet mogelijk was, bij [appellant] is geweest en voor het open gaan van de deur Gelderblom ter vervanging van de falende sensor bij [appellant] is geweest, zodat van [appellant] mag worden verwacht dat hij de bevindingen van hen had overgelegd. Bij het voorgaande komt dat zij heeft verklaard dat het aanbod van [geïntimeerde] om de machine terug te kopen lastig uitvoerbaar was omdat “(…) wij afspraken hebben met onze klant en die kunnen we niet beleveren zonder machine.(…)”. Weliswaar heeft [persoon F] , naar zij verklaart, aangegeven over de terugkoop na te denken en daar op terug te komen, maar dat de machine is terug verkocht aan [geïntimeerde] is gesteld noch gebleken. Dat de machine gezien de door [appellant] genoemde gebreken, anders dan het bouwjaar, de spindeluren en de B-as op het moment van installatie en oplevering (30 november 2018) niet voldeed aan de overeenkomst is daarmee onvoldoende onderbouwd. Een onderbouwing volgt ook niet uit het overzicht van diverse storingen/ monteursbezoeken dat als productie 48 bij memorie van grieven is overgelegd. De machine stelde [appellant] kennelijk, al dan niet na reparatie, in staat de klant(en) van [appellant] te bedienen. Gezien het voorgaande oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerde] anders dan waar het het bouwjaar van de machine, de spindeluren en de B-as van de machine betreft. Weliswaar verklaart [persoon F] dat [geïntimeerde] heeft geconstateerd dat de terugslagklep niet in de machine heeft gezeten en betwist [geïntimeerde] dat niet, maar daarmee is niet onderbouwd dat het ontbreken van de terugslagklep een tekortkoming van [geïntimeerde] is. Onder verwijzing naar voornoemde verklaring heeft [appellant] nog aangevoerd dat er (sinds februari 2019) meer problemen met de machine bestaan. Ten aanzien daarvan oordeelt het hof dat [appellant] niet voldoende heeft onderbouwd dat deze problemen bij de oplevering bestonden. Gelet op de onvoldoende onderbouwing door [appellant] is bewijslevering niet aan de orde. Grief 15 faalt. 6.7.2.24 Met grief 16 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de overeengekomen garantiebepaling niet verder strekte dan een garantie dat de machine werkend zou worden afgeleverd op de bedrijfslocatie van [appellant] . Volgens [appellant] heeft de rechtbank aan de garantiebepaling ten onrechte de betekenis toegekend als door [persoon A] volgens zijn verklaring van 31 november 2019 aan [appellant] medegedeeld. [appellant] heeft, na terugkomst uit Italië, rechtstreeks met [geïntimeerde] onderhandeld over de garantie. Met de garantie wordt, naar [appellant] betoogt, de overeengekomen functionaliteit van de machine gegarandeerd, die er uit bestaat dat de machine geschikt is voor de volcontinue seriematige productie. De duur van de garantiebepaling wordt, aldus [appellant] , bepaald door het Duitse recht dat op de koopovereenkomst aanvullend van toepassing is. Volgens § 438 Bürgerliches Gesetzbuch is dat twee jaar. Aldus heeft [geïntimeerde] zich, volgens [appellant] , verplicht om gedurende de wettelijke garantieperiode van twee jaar voor de overeengekomen functionaliteit van de machine in te staan. Daarmee is [geïntimeerde] , volgens [appellant] , op grond van artikel 36 lid 2 Weens Koopverdrag ook aansprakelijk voor gebreken aan de machine voor zover die na de risico-overgang zijn opgetreden. 6.7.2.25 Het hof oordeelt als volgt. De grief slaagt in zoverre dat niet kan worden geoordeeld dat de garantiebepaling niet verder strekte dan de garantie dat de machine werkend zou worden opgeleverd op de bedrijfslocatie van [appellant] . Bij conclusie van antwoord heeft [geïntimeerde] zelf betoogd dat de garantiebepaling de installatie en inwerkingstelling van de machine in Nederland, zoals deze in Italië werkte betrof. Dat een verdergaande garantie was verleend, is door [appellant] in het licht van het betoog van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. Het betoog van [appellant] dat hij de garantie heeft bedongen omdat de machine in Italië niet functioneerde maakt niet dat aan de garantiebepaling een uitleg moet worden gegeven als [appellant] voorstaat. Zonder nadere toelichting die [appellant] niet heeft gegeven, ligt het niet voor de hand dat [appellant] heeft mogen begrijpen, artikel 8 lid 1 en 3 Weens Koopverdrag, dat een verstrekkende garantie als hij betoogt is gegeven. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor onder 6.7.2.4 is geoordeeld, te weten dat [appellant] op het punt van de gestelde volcontinu productie niet voldoende heeft onderbouwd wat partijen daarover zijn overeengekomen. Zodat zonder nadere onderbouwing, die [appellant] niet heeft gegeven, niet kan worden aangenomen dat ( [appellant] heeft mogen begrijpen dat) de door [appellant] voorgestane verstrekkende garantie is verleend. Bewijslevering is gelet op de onvoldoende onderbouwing door [appellant] niet aan de orde. Dat de machine de in 6.7.2.3, 6.7.2.22 en 6.7.2.23 bedoelde gebreken, anders dan het bouwjaar, het aantal spindeluren en de B-as, had is door [appellant] niet voldoende onderbouwd, zodat op die punten ook geen aansprakelijkheid van [geïntimeerde] op grond van de garantiebepaling kan worden aangenomen. Gelet op voorgaande uitleg van de overeengekomen garantie, te weten dat de garantiebepaling de installatie en inwerkingstelling van de machine in Nederland, zoals deze in Italië werkte, betrof is niet meer aan de orde hoelang de garantie ingevolge Duits recht zou duren. In zoverre faalt grief
- 6.7.2.26 Met grief 17 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ten aanzien van de verstrekte garantie geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] volgt uit artikel 36 lid 2 Weens Koopverdrag dat het begrip tekortkoming ook inbreuk op een door de verkoper verstrekte garantie, welke inhoudt dat bepaalde eigenschappen gedurende een toegezegde periode aanwezig zullen zijn, omvat. Omdat is komen vast te staan, en zelfs door [geïntimeerde] erkend, dat de machine in ieder geval niet volcontinu kan draaien is [geïntimeerde] , volgens [appellant] , in de nakoming van de door hem afgegeven garantie ernstig tekortgeschoten. 6.7.2.27 Zoals het hof onder 6.7.2.25 heeft geoordeeld heeft [appellant] niet voldoende onderbouwd dat een verdergaande garantie was verleend dan de installatie en inwerkingstelling van de machine in Nederland, zoals deze in Italië werkte. Daarmee faalt grief
- Het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] op grond van de garantiebepaling aansprakelijk is voor schade aan de B-as, welke volgens [appellant] expliciet door [geïntimeerde] is erkend, gaat niet op. Het hof verwijst naar hetgeen is geoordeeld onder 6.7.2.15, zodat er van uit moet worden gegaan dat problemen met de B-as al op het moment van de risico-overgang bestonden. De e-mail van 3 mei 2019 ziet, naar het hof begrijpt op een probleem met de B-as in Italië in
- Zonder nadere toelichting die [appellant] niet heeft gegeven valt niet in te zien dat [geïntimeerde] voor schade aan de B-as op grond van de garantiebepaling aansprakelijk is. Deze betreft slechts de installatie en inwerkingstelling van de machine in Nederland, zoals deze in Italië werkte. 6.7.2.28 Met grief 18 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de gevorderde schadevergoeding ad € 22.555,25, zijnde de teveel betaalde rente in het kader van de financiële leaseovereenkomst heeft afgewezen. Volgens [appellant] is hij een veel te dure financiering aangegaan, omdat de machine een aanzienlijk lagere waarde heeft dan de prijs die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft betaald. 6.7.2.29 Deze grief faalt. Hiervoor onder 6.7.2.10 heeft het hof weliswaar geoordeeld dat dient te worden geoordeeld dat de waarde van de machine lager is dan de koopprijs, maar onder 6.7.2.6 heeft het hof geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] er bij het aangaan van de koopovereenkomst van op de hoogte was dat [appellant] de machine zou financieren. Gelet daarop heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat de schade betreffende de gestelde teveel betaalde rente voor [geïntimeerde] voorzienbaar was en zal deze vordering worden afgewezen. 6.7.2.30 Grief 19 is gericht tegen rechtsoverwegingen 4.57 en 4.58 van het vonnis waarvan beroep. Met deze grief en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van [appellant] ter zake van de kosten van reparatie en herstel, de gederfde omzet, althans gederfde winst ten gevolge van de in de nummers 1.15 (gezien de beoordeling van de rechtbank, begrijpt het hof 1.14) en 1.15 in het lichaam van de dagvaarding genoemde gebreken heeft afgewezen. Ook heeft de rechtbank, aldus [appellant] , ten onrechte de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de gevorderde proceskosten afgewezen. Volgens [appellant] heeft hij voldoende aangetoond dat de machine met vele gebreken is behept waarvoor [geïntimeerde] aansprakelijk is en had de rechtbank de vorderingen van [appellant] niet mogen afwijzen. 6.7.2.31 Het hof oordeelt als volgt. Onder 6.7.2.3 en 6.7.2.23 heeft het hof geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat de machine gezien de door [appellant] genoemde gebreken, anders dan het bouwjaar, de spindeluren en de B-as, op het moment van installatie en oplevering (30 november 2018) niet voldeed aan de overeenkomst. Onder 6.7.2.17 heeft het hof geoordeeld dat [appellant] voldoende heeft onderbouwd dat de machine op het moment van risico-overgang op het punt van de B-as niet voldeed aan de overeenkomst. Dat betekent dat de rechtbank de vordering betreffende reparatie en herstel van de B-as ten onrechte heeft afgewezen. Het gevorderde bedrag komt naar het oordeel van het hof evenwel niet geheel voor toewijzing in aanmerking, daar het een tweedehands machine betreft en zonder nadere toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, het er naar het oordeel van het hof voor moet worden gehouden dat enige slijtage van de B-as in de waardering door [persoon D] van de waarde van de machine is meegewogen. Het hof neemt voorts in aanmerking dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft betwist dat het aantal spindeluren handmatig is gemanipuleerd en dat niet duidelijk is geworden hoeveel uren de machine daadwerkelijk in werking is geweest, welke onduidelijkheid voor rekening van [geïntimeerde] , die een machine diende te leveren die aan de overeenkomst voldoet, dient te komen. Dit alles in aanmerking nemend wijst het hof (schattenderwijs) een bedrag van € 30.000,-- voor revisie van de B-as toe. Naar het oordeel van het hof was dit bedrag voorzienbaar voor [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft niet betwist het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] in mei 2019 al meende dat de kosten van revisie van de B-as € 40.000,-- zouden bedragen. In zoverre slaagt grief
- Het hof passeert het betoog van [geïntimeerde] dat [appellant] aangaande de B-as niet tijdig heeft geklaagd. Het hof verwijst naar hetgeen is geoordeeld onder 6.7.2.
- Bij e-mail van 9 januari 2019 heeft [appellant] al laten weten dat er problemen met de B-as waren en dat “After ressetting the alarms is gone.” Op 12 maart 2019 heeft [appellant] weer melding gemaakt van problemen met de B-as en voorts weer op 17 april
- Kennelijk is er enige tijd geweest dat [appellant] geen alarmsignalen heeft gekregen, in dat licht is door [geïntimeerde] onvoldoende betwist dat door [appellant] tijdig is geklaagd. De vordering tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, bestaande uit gemaakte kosten van reparatie en herstel van de overige gestelde gebreken, wordt gezien hetgeen is geoordeeld onder 6.7.2.23 afgewezen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat is gesteld noch gebleken dat ten aanzien van het bouwjaar en het aantal spindeluren, herstelwerkzaamheden mogelijk zijn. Ook de vordering tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, bestaande uit gederfde omzet, althans gederfde winst zal worden afgewezen. [appellant] heeft deze schade niet onderbouwd. Bewijslevering is dan niet aan de orde. In zoverre faalt grief
- 6.7.2.32 Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen oordeelt het hof als volgt. [appellant] vordert een bedrag van € 10.397,12, zijnde het totaalbedrag van de als productie 33 overgelegde facturen, waar op hij volgens de artikelen 280 Bürgerliches Gesetzbuch in verbinding met 286 van het Bürgerliches Gesetzbuch (BGB) recht zou hebben. Subsidiair maakt [appellant] aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel ingevolge het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. De door [appellant] overgelegde facturen zijn evenwel niet voldoende gespecificeerd zodat het gevorderde bedrag onvoldoende is onderbouwd. Bewijslevering van het gevorderde bedrag is daarmee niet aan de orde. [appellant] heeft evenwel voldoende onderbouwd dat hij, naar hij betoogt, buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt om voldoening van zijn vordering te krijgen en dat het gaat om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele sommatie of het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Voorts geldt dat [appellant] grotendeels in het gelijk is gesteld. Het hof zal een bedrag van € 3.000,-- toewijzen. In zoverre slaagt grief
- 6.7.2.33 [appellant] betoogt voorts dat hij een bedrag van € 28.853,86 aan schade in de zin van artikel 74 van het Weens Koopverdrag heeft geleden, omdat hij als gevolg van de gebreken aan de machine, kosten heeft moeten maken voor het uitbesteden van werk aan een derde. 6.7.2.34 Dienaangaande oordeelt het hof dat [appellant] die kosten niet heeft onderbouwd. Bewijslevering is dan niet aan de orde. De vordering zal worden afgewezen. 6.7.2.35 Omdat de grieven 1, 2, 6, 8, 12, 14, 16 en 19 (deels) slagen zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoende aan [appellant] de bedragen van € 147.900,-- en € 30.000,-- als hiervoor genoemd (als primair gevorderd) aan schadevergoeding toewijzen. Aan buitengerechtelijke kosten zal een bedrag van € 3.000,-- worden toegewezen. 6.7.2.36 Ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de bedragen € 147.900,-- en € 30.000,-- oordeelt het hof dat geen wettelijke handelsrente kan worden toegewezen nu de bedragen schadevergoeding betreffen en geen geldsom voortvloeiende uit overeenkomst (vgl. Hoge Raad 15 januari 2016 ECLI:NL:HR:2016:70). [geïntimeerde] heeft, op zichzelf, geen verweer gevoerd tegen de veroordeling tot betaling van de gevorderde rente over het bedrag van € 147.900,-- en € 30.000,-- vanaf de dag der dagvaarding, naar het hof begrijpt in eerste aanleg. Het hof zal over deze bedragen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg, te weten 10 november
- Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] geen wettelijke rente naar Duits recht heeft gevorderd en [geïntimeerde] tegen de vordering van de rente naar Nederlands recht op zichzelf geen bezwaar heeft gemaakt. 6.7.2.37 Het hof zal [geïntimeerde] als de in hoger beroep overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. 7De uitspraak Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende: veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 147.900,-- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 30.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 3.000,--; veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 85,09 aan dagvaardingskosten, op € 1.666,-- aan griffierecht en op € 4.804,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 103,33 aan dagvaardingskosten, op € 1.780,-- aan griffierecht en op € 6.642,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep; en voor wat betreft de nakosten op € 178,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 270,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; en bepaalt dat de bedragen van € 85,09, € 1.666,--, € 4.804,--, € 103,33, € 1.780,-- en € 6.642,-- binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak en het bedrag van € 178,-- binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak dan wel het bedrag van € 270,-- vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, M. van der Schoor en J. den Hoed en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 mei
- griffier rolraadsheer