GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.317.182/01 arrest van 11 juni 2024 in de zaak van [appellante 1] , in hoedanigheid van executeur, vereffenaar en erfgenaam in de nalatenschap van [erflater],wonende te [woonplaats] , [appellante 2] , in hoedanigheid van executeur, vereffenaar en erfgenaam in de nalatenschap van [erflater],wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna afzonderlijk aan te duiden als [appellante 1] en [appellante 2] , en gezamenlijk als [appellanten] , advocaat: mr. A. Smeekes te Breda, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.K. Groothoff-de Bruin te Leusden. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 januari 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/299314 / HA ZA 21-602 gewezen vonnis van 24 augustus 2022. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 10 januari 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 11 mei 2023; de memorie van grieven, met producties 1 tot en met 4; de memorie van antwoord. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De beoordeling De kern van het geschil 6.1. [geïntimeerde] en [erflater] (hierna: erflater) hebben sinds 2011 tot aan het overlijden van erflater in 2021 ongehuwd samengewoond, eerst in de woning van [geïntimeerde] en sinds 2017 in de woning van erflater in [woonplaats] , zonder dat zij daarover schriftelijke afspraken hadden gemaakt. [appellante 1] is de moeder van erflater. [appellante 2] is de zus van erflater. Zij zijn de enige erfgenamen en zijn beiden tevens executeur in de nalatenschap van erflater. Tussen hen enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds is een geschil ontstaan over - voor zover in hoger beroep relevant - een bedrag dat [geïntimeerde] in 2017 aan erflater heeft betaald. [geïntimeerde] heeft vanaf haar privé bankrekening een bedrag van in totaal € 50.308,69 overgemaakt naar de bankrekening van erflater. Dat geld heeft zij van een en/of-spaarrekening afgehaald die op dat moment op hun beider namen stond, echter tot enkele weken daarvoor stond deze bankrekening uitsluitend op haar naam. Dit bedrag is door erflater aangewend voor de aankoop van zijn woning in [woonplaats] , in welke woning [geïntimeerde] en erflater vervolgens samen zijn gaan wonen. Volgens [geïntimeerde] komt dit geld haar toe, maar [appellanten] menen dat het aan de nalatenschap van erflater toebehoort. Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat [appellanten] het bedrag aan [geïntimeerde] dient terug te betalen op grond van ongerechtvaardigde verrijking en zal zijn oordeel hierna toelichten. De feiten 6.2. In rov. 2.1 tot en met 2.10 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling bestreden, maar ten onrechte. [appellanten] voeren in de onderbouwing van deze grief in feite weinig anders aan dan dat stellingen van [geïntimeerde] niet kloppen, dat de rechtbank verschillende - betwiste - stellingen van [appellanten] niet in de beoordeling heeft betrokken of onjuist heeft gewaardeerd en dat zij het niet eens zijn met inhoudelijke oordelen van de rechtbank. Niet concreet is aangevoerd dat en welke door de rechtbank vastgestelde feiten onjuist of onvolledig zijn. Het hof gaat daarom uit van dezelfde feiten als de rechtbank. Voor de volledigheid zal het hof de feiten hierna vernummerd weergeven, met een aanvulling in rov. 6.2.3 en 6.2.6. Voor zover andere feiten relevant zijn, zullen die bij de verdere beoordeling aan de orde komen. 6.2.1. [geïntimeerde] en erflater hadden sinds 2011 een liefdesrelatie en woonden samen. [geïntimeerde] en erflater waren niet gehuwd en hadden geen geregistreerd partnerschap. Zij hadden evenmin andere schriftelijke afspraken gemaakt over de relatie, zoals een samenlevingsovereenkomst of afspraken over de verdeling van de kosten van de gezamenlijke huishouding. Zij waren informeel samenlevenden. 6.2.2. [geïntimeerde] en erflater hebben van 2011 tot in september 2017 samengewoond in de woning van [geïntimeerde] . 6.2.3. Met ingang van 30 september 2014 heeft erflater periodiek betalingen verricht aan een door [geïntimeerde] bij de Rabobank aangehouden spaarrekening met een daaraan gekoppelde beleggingsrekening (hierna aan te halen als “de spaarrekening”). Deze periodieke betalingen bedroegen gemiddeld € 550,- per maand. De eerste zes betalingen hebben als omschrijving “sparen”, daarna staat steeds “bijschrijving” vermeld. Erflater heeft een bedrag van in totaal € 20.777,49 op de spaarrekening gestort. 6.2.4. Op 31 juli 2017 heeft [geïntimeerde] de tenaamstelling van de spaarrekening gewijzigd naar een zogenaamde “en/of-rekening” op naam van haar en erflater. 6.2.5. Op 5 september 2017 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 20.600,- en op 19 september 2017 een bedrag van € 29.708,69 van de spaarrekening overgeschreven naar haar privé-bankrekening. Deze bedragen zijn direct weer overgemaakt naar de privé-bankrekening van erflater. 6.2.6. Erflater heeft vervolgens de onder 6.2.5 bedoelde betalingen van in totaal € 50.308,69 aangewend voor de aankoop op zijn naam van de woning gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna aan te halen als “de woning van erflater”). De woning is in 2017 aangekocht voor een bedrag van € 214.235,-, waarbij door erflater een hypothecaire geldlening is aangegaan van € 164.000,-. 6.2.7. Erflater en [geïntimeerde] zijn in september 2017 in de woning van erflater gaan wonen en de periodieke overboekingen van erflater naar de spaarrekening zijn per 20 september 2017 gestopt. 6.2.8. Aan het samenleven van [geïntimeerde] en erflater is een einde gekomen door het plotselinge overlijden van erflater op 8 januari 2021. 6.2.9. Erflater had bij testament van 11 december 2006 over zijn nalatenschap beschikt. Hij is daarbij niet afgeweken van de wettelijke erfopvolging. [appellanten] zijn de enige erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en hebben ook hun benoeming tot executeur aanvaard. 6.2.10. In verband met de afwikkeling van de nalatenschap van erflater is tussen partijen verschil van inzicht ontstaan voor wat betreft het aandeel van erflater in de spaarrekening en de betaling van het bedrag van € 50.308,69 door [geïntimeerde] in het kader van de woning van erflater. De vorderingen van [geïntimeerde] en de beslissingen van de rechtbank 6.3.1. In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg na wijziging van eis, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat gevorderd: Primair I. [appellanten] , in hun hoedanigheid van executeur, althans vereffenaar, althans erfgenaam in de nalatenschap van erflater, te veroordelen een bedrag van € 50.308,69, uit de nalatenschap van erflater te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden tot aan de gehele voldoening, II. [appellanten] , in hun hoedanigheid van executeur, althans vereffenaar, althans erfgenaam in de nalatenschap van erflater, te veroordelen om met onmiddellijke ingang na het betekenen van het in deze procedure te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de RABO spaarrekening met [rekeningnummer] met de daaraan verbonden beleggingsportefeuille met [nummer] , opdat deze enkel op naam van [geïntimeerde] komt te staan, op straffe van een dwangsom, III. voor het geval de maximale dwangsom is bereikt, [geïntimeerde] te machtigen om de tenaamstelling van voornoemde RABO spaarrekening met beleggingsportefeuille te wijzigen, opdat deze enkel op naam van [geïntimeerde] komt te staan, Subsidiair IV. [appellanten] , in hun hoedanigheid van executeur, althans vereffenaar, althans erfgenaam in de nalatenschap van erflater, te veroordelen een bedrag van € 50.308,69 uit de nalatenschap van erflater te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden tot aan de gehele voldoening, V. de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap, te weten voornoemde RABO spaarrekening met beleggingsportefeuille en de daarop aanwezige saldi, vast te stellen in die zin dat deze rekening en beleggingsportefeuille met daarop aanwezige saldi aan [geïntimeerde] worden toebedeeld, althans de verdeling dan wel de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen en daartoe aan [appellanten] de bevelen te geven die de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht, VI. [appellanten] , in hun hoedanigheid van executeur, althans vereffenaar, althans erfgenaam in de nalatenschap van erflater, te veroordelen om mee te werken aan het effectueren van de onder V genoemde verdeling dan wel de door de rechtbank te bepalen wijze van verdeling, op straffe van een dwangsom, met bepaling dat indien dit maximum zal zijn bereikt, dit vonnis in de plaats treedt van al die (rechts)handelingen die [appellanten] ter uitvoering van de verdeling dienen te verrichten, VII. [appellanten] , in hun hoedanigheid van executeur, althans vereffenaar, althans erfgenaam in de nalatenschap van erflater, te veroordelen om met onmiddellijke ingang na het betekenen van het in deze procedure te wijzen vonnis, medewerking te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van voornoemde RABO spaarrekening met beleggingsportefeuille, opdat deze enkel op naam van [geïntimeerde] komt te staan, op straffe van een dwangsom, VIII. voor het geval de maximale dwangsom is bereikt, [geïntimeerde] te machtigen om de tenaamstelling van voornoemde RABO spaarrekening met beleggingsportefeuille te wijzigen, opdat deze enkel op naam van [geïntimeerde] komt te staan, Primair en subsidiair IX. [appellanten] te veroordelen in de proceskosten en nakosten. 6.3.2. Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] vordert betaling van een nog door de nalatenschap aan haar verschuldigde geldsom van € 50.308,69. Zij stelt zich primair op het standpunt dat haar bijdrage van € 50.308,69 bij de aankoop van de woning door erflater onverschuldigd is betaald. [geïntimeerde] stelt subsidiair dat erflater door haar bijdrage van € 50.308,69 bij de aankoop van de woning ongerechtvaardigd is verrijkt. Meer subsidiair beroept [geïntimeerde] zich erop dat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding bestaat die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst en [geïntimeerde] stelt dat het gevorderde uit dien hoofde aan haar toekomt. Nog meer subsidiair stelt [geïntimeerde] dat er een stilzwijgende afspraak bestond tot terugbetaling van het door [geïntimeerde] ingebrachte bedrag van € 50.308,69. Daarnaast vordert [geïntimeerde] medewerking aan het wijzigen van de tenaamstelling van de en/of-bankrekeningen van [geïntimeerde] en erflater. Zij stelt daartoe dat het vermogen op die rekeningen door haar is gevormd en dat de saldi uitsluitend aan haar toebehoren. 6.3.3. [appellanten] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.3.4. In het eindvonnis van 22 augustus 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd dat zij alleen rechthebbende is van het vermogen op de spaarrekening en de daaraan gekoppelde beleggingsrekening. De door [geïntimeerde] gevorderde medewerking aan de wijziging van de tenaamstelling (van en/of naar enkel op naam van [geïntimeerde] ) is daarom toewijsbaar. De rechtbank heeft ten aanzien van de gevorderde terugbetaling van de bijdrage van [geïntimeerde] geoordeeld dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat geen rechtsgrond voor de betaling heeft bestaan of dat deze is vervallen (onverschuldigde betaling). Naar het oordeel van de rechtbank is wel voldaan aan de vereisten van ongerechtvaardigde verrijking. Erflater is in beginsel verrijkt omdat hij voor de aankoop van de woning een bedrag ter hoogte van de bijdrage van [geïntimeerde] heeft ontvangen en [geïntimeerde] is verarmd omdat de bijdrage afkomstig is uit haar vermogen zonder dat zij daar waarde voor heeft terug ontvangen. De verrijking is ongerechtvaardigd, omdat geen althans onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de bijdrage in de aankoop van de woning samenhangt met de wederzijdse bijdrage in de gezamenlijke huishouding. Daarvoor bestond namelijk geen wettelijke verplichting nu partijen niet waren gehuwd of geregistreerd partner waren en niet is gebleken dat erflater en [geïntimeerde] voor wat betreft de gezamenlijke huishouding daarover onderlinge afspraken hebben gemaakt. Zodoende kan geen verplichting voor [geïntimeerde] worden vastgesteld om bij te dragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft de overige door [geïntimeerde] nog aangevoerde grondslagen voor de betaling van het bedrag van € 50.308,69 gelet op dat oordeel onbesproken gelaten. Op grond daarvan heeft de rechtbank de primaire vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld. De grieven in hoger beroep van [appellanten] 6.4.1. [appellanten] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Grief 1 richt zich tegen de feiten. Door middel van de grieven 2 en 3 stellen [appellanten] de toewijzing van de vordering tot betaling van een bedrag van € 50.308,69 aan de orde. Zij betwisten dat is voldaan aan de vereisten van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW. Bovendien zou, indien de omvang van de vordering zou moeten worden vastgesteld, deze nihil bedragen althans lager zijn dan € 50.308,69. Met grief 4 richten [appellanten] zich tegen de uitgesproken proceskostenveroordeling. [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , tot veroordeling van [geïntimeerde] om terug te betalen aan [appellanten] het bedrag van € 51.091,58 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling (15 september 2022) tot de dag van algehele terugbetaling en tot veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellanten] terug te betalen de betaalde proceskosten ten bedrage van € 3.930,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling (15 september 2022) tot de dag van algehele terugbetaling, zulks met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties met inbegrip van de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het in deze te wijzen arrest tot de dag der algehele voldoening. 6.4.2. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellanten] in het hoger beroep, althans tot afwijzing van de grieven, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep en van de eerste aanleg. De maatstaf voor de beoordeling van de vordering van [geïntimeerde] 6.5. Het hof stelt bij de verdere beoordeling voorop dat deze zaak niet gaat over de erfrechtelijke afwikkeling van de nalatenschap van erflater, maar in feite betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het informele samenleven tussen erflater en [geïntimeerde] dat door het plotseling overlijden van erflater is beëindigd. Voor het antwoord op de vraag hoe die afwikkeling juridisch moet worden geduid, meer in het bijzonder het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] nog recht heeft op vergoeding van het bedrag van € 50.308,69 dat via haar privé-bankrekening is geïnvesteerd in de woning van erflater, is het arrest van de Hoge Raad (HR) van 10 mei 2019 van belang (ECLI:NL:HR:2019:707, zie ook HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:773). In dat arrest heeft de HR beslist dat aan de hand van het algemene verbintenissenrecht beoordeeld moet worden of een vergoedingsrecht geldend gemaakt kan worden tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen (hierna: informeel samenlevenden) ter zake van investeringen in de woning van een van hen door de ander. Daarbij ligt het in de rede te onderzoeken of tussen informeel samenlevenden een overeenkomst bestaat die, mede in aanmerking genomen de in artikel 6:248 lid 1 BW bedoelde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt (artikel 6:213 BW). Van een dergelijke overeenkomst kan sprake zijn doordat de informeel samenlevenden met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten van hun samenleving of van specifieke uitgaven moeten komen, een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan, of uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende. Het voorgaande laat evenwel - zoals verder is overwogen in de uitspraak van 10 mei 2019 -onverlet dat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding bestaat die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Is erflater ongerechtvaardigd verrijkt door de betaling van de bijdrage door [geïntimeerde] ? 6.6.1. De grieven 2 en 3 van [appellanten] lenen zich voor gezamenlijke behandeling en richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar is op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Voor ongerechtvaardigde verrijking is vereist dat erflater (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.