← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2024:1924

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 13 juni 2024 Zaaknummer : 200.338.879/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/03/319897 / JE RK 23- 1247 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. R.M.J. Schoonbrood, tegen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.A.C. Snel, [de pleegmoeder] en [de pleegvader], beiden wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader van [minderjarige 2] , dan wel gezamenlijk: de pleegouders van [minderjarige 2] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. Deze zaak gaat over de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 maart 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de GI tot wijziging van de beschikking van 16 november 2022 alsnog af te wijzen. 2.
  2. Er is geen verweerschrift binnengekomen. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei
  4. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Schoonbrood; [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI; mr. Snel namens de moeder; de pleegouders van [minderjarige 2] ; [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad. 2.
  5. Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ontvangen op 14 mei
  6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
  7. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 16 november
  8. 3De beoordeling De feiten 3.
  9. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft de kinderen erkend. Het gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de ouders. 3.
  10. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 15 mei 2017 onder toezicht van de GI. 3.
  11. Op 15 mei 2018 zijn de kinderen, die op dat moment bij de moeder woonden, met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader geplaatst. Met ingang van 5 februari 2020 verblijft [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [instantie] ). [minderjarige 2] verblijft sinds december 2020 in een pleeggezin. Zij verblijft sinds december 2021 bij de huidige pleegouders. 3.
  12. Bij beschikking van 16 november 2022 is er door de rechtbank tussen de vader en de kinderen een opbouwende contactregeling vastgesteld, waarbij zou worden toegewerkt naar de volgende regeling: “(..) Week 5 tot en met week 8 In de weken 5 tot en met 8 zijn er doordeweeks twee overnachtingen bij de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] samen, in onderling overleg tussen de Gl en de vader te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de contactmomenten van de moeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven elk weekend, van vrijdag 15.30 uur tot zondag 19.00 uur samen bij de vader, waarbij rekening wordt gehouden met de contactmomenten van de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De opbouw van de contactregeling na week 8 zal in onderling overleg worden vastgesteld. De afschaling van de begeleiding na de weken 47 en 48 zal plaatsvinden onder regie van de GI. (..)” 3.
  13. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de bij beschikking van 16 november 2023 (hof: bedoeld zal zijn 2022) vastgestelde zorgregeling gewijzigd, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan op maandag en dinsdag na schooltijd tot 18.30 uur bij de vader verblijven onder begeleiding van [instantie] . Daarbij zal komen te gelden dat [minderjarige 1] door de begeleiding van [instantie] van school wordt opgehaald en wordt teruggebracht naar de groep en dat [minderjarige 2] door de vader van school wordt opgehaald en wordt teruggebracht naar het pleeggezin. De rechtbank heeft verder bepaald dat de regie over de verdere invulling van het contact bij de GI zal liggen. 3.
  14. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
  15. De vader voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden en heeft niet onderbouwd welke omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank heeft bovendien nagelaten om een onderscheid te maken tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er heeft op 15 juni 2023 een rondetafeloverleg (RTO) plaatsgevonden waarvoor de vader niet uitgenodigd was. De vader heeft de stellige indruk dat de aanwezige hulpverlening en pleegouders met elkaar verregaande afspraken hebben gemaakt over de omgang en dat zij vervolgens stukken hebben opgesteld om hun besluit te onderbouwen. De vader verwijst in dit kader naar de brieven van de GGD en de school. De vader vermoedt dat de GGD-arts de brief heeft opgesteld zonder nader onderzoek. De brief van school is enkele dagen na het RTO opgesteld. De gedragsveranderingen van [minderjarige 2] bestaan al jaren en waren al voor de uitbreiding van de omgangsregeling te zien, hetgeen onder meer blijkt uit het verslag van de GI van 14 september
  16. Er wordt ten onrechte een verband gelegd tussen de uitbreiding van de contacten tussen de vader en [minderjarige 2] en het gedrag van [minderjarige 2] . Die omgang was zorgvuldig gefaseerd opgebouwd. De vader heeft het idee dat zowel de pleegouders als de GI het van begin af aan niet eens waren met de uitbreiding van de omgang. Er is bovendien niet onderzocht of de uitbreiding ten aanzien van [minderjarige 1] in stand kon blijven. Het is logisch dat [minderjarige 1] bij een uitbreiding van de omgangsregeling minder vaak op de groep aanwezig is. Het is juist het doel van de beschermingsmaatregel om toe te werken naar een thuisplaatsing. Ook bij [minderjarige 1] blijkt niet van enig causaal verband tussen het gedrag of de zorgen die er bestaan en de uitbreiding van de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] . De vader is bereid om zijn volledige medewerking te verlenen aan eventuele hulpverlening, indien dit voor de contactregeling noodzakelijk wordt geacht. Deze kans is hem echter niet geboden. 3.
  17. De GI voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Er is wel degelijk sprake van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de eerder vastgestelde omgangsregeling niet langer in stand kan blijven. Nadat de omgang tussen de vader en de kinderen was uitgebreid naar onbegeleide weekenden, zijn er bij de GI meerdere zorgwekkende signalen over de kinderen binnengekomen. De GI heeft veel contact gehad met de hulpverlenende instanties. De bevindingen vanuit school en de GGD-arts waren voorafgaand aan het RTO al bekend. De GI heeft slechts gevraagd om hun visie en zorgen schriftelijk te bevestigen. Bovendien zijn de zorgen al vaker met de vader besproken. Na afloop van de onbegeleide weekendbezoeken bij de vader kwamen de kinderen ontregeld terug in het pleeggezin en in de groep. Er was sprake van een druk omgangsschema tussen de kinderen en de vader respectievelijk de kinderen en de moeder. Dit schema was voor beide kinderen belastend, niet alleen voor [minderjarige 2] . Bovendien zit [minderjarige 1] niet voor niets op een behandelgroep. Het is de bedoeling dat zij zal doorstromen naar een gezinshuis, maar zij is hier nog niet klaar voor. Bij [minderjarige 1] werd gezien dat zij voornamelijk op haar kamer bleef. Vanaf het moment dat de omgangsregeling weer is teruggebracht wordt gezien dat [minderjarige 1] minder overprikkeld is. Haar weekenden zijn rustiger, waardoor zij meer toekomt aan behandeling op de groep. Bij [minderjarige 2] wordt - na het beperken van de omgangsregeling - eveneens gezien dat zij meer rust ervaart. Er wordt een verbetering in haar gedrag en ontwikkeling gezien. Haar zindelijkheidsproblemen zijn bovendien aanzienlijk verminderd. Door de stressfactoren bij de kinderen weg te halen is de kindeigen problematiek van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] verminderd. 3.
  18. De moeder voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Zij sluit zich aan bij het standpunt van de vader. Het perspectief van de kinderen staat nog niet vast. Het liefst ziet de moeder dat de kinderen bij haar komen wonen, maar zij kan er ook achter staan als de kinderen bij de vader worden geplaatst. De moeder sluit zich ook aan bij het standpunt van de vader dat er sprake is van twee verschillende kinderen. De moeder beaamt dat er zorgen over [minderjarige 2] zijn, maar het is allang bekend dat [minderjarige 2] problemen heeft met het wisselen van plaats en persoon. [minderjarige 2] werd geconfronteerd met een druk schema. Er had ook kunnen worden volstaan met het terugbrengen van het aantal wisselmomenten. [minderjarige 1] geeft zelf aan dat zij terug wil naar (één van) de ouders. Hiermee wordt ten onrechte geen rekening gehouden. Dat de kinderen gedragsproblemen laten zien betekent niet dat dit aan de vader of moeder kan worden toegerekend. Het is niet aangetoond dat er sprake is van een causaal verband. Mogelijk ervoeren de kinderen stress, omdat onduidelijk was of ze uiteindelijk bij de vader mochten blijven. Indien er een raadsonderzoek komt, dan is het belangrijk dat ook de situatie van de moeder wordt onderzocht. De moeder heeft namelijk de wens om de omgang tussen haar en de kinderen uit te breiden. Het gebrek aan financiële middelen staat hier nu aan in de weg. Het is voor de bepaling van het perspectief van de kinderen van belang dat de ouders de kans krijgen om te laten zien wat hun mogelijkheden zijn. Dit kan alleen indien er sprake is van voldoende contact. 3.
  19. De pleegouders van [minderjarige 2] voeren - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Het gaat naar omstandigheden goed met [minderjarige 2] . Nadat de omgangsregeling was uitgebreid ging het leesniveau van [minderjarige 2] achteruit. Ze had er zichtbaar moeite mee om de les te volgen. Verder was er sprake van een terugval in haar gedragsproblematiek. Na de uitspraak van de rechtbank, waarbij de omgang met de vader weer is teruggebracht, is dit opnieuw ten goede gekeerd. De kinderen hebben twee keer samen bij de vader overnacht. De vader gaf destijds aan dat hij er moeite mee had om beide kinderen tegelijk thuis te hebben. De GGD-arts is al langere tijd via school bij [minderjarige 2] betrokken in verband met overgewicht. Vanwege de zindelijkheidsproblemen is [minderjarige 2] door een kinderarts onderzocht, maar er is geen lichamelijke oorzaak voor gevonden. Het is voor [minderjarige 2] heel belangrijk dat ze weet waar zij aan toe is en dat zij rust, structuur en regelmaat krijgt aangeboden. Het is logisch dat zij aangeeft dat zij bij de vader en de moeder wil zijn, maar houden van is iets anders dan in staat zijn om voor de kinderen te zorgen. De pleegouders hopen dat er voor beide kinderen rust kan ontstaan, zodat zij aan hun ontwikkeling kunnen toekomen en zij krijgen waar zij recht op hebben. 3.
  20. De raad heeft - zakelijk weergegeven - als volgt geadviseerd. Alhoewel de omgangsregeling aan het hof voorligt, wordt er gesproken over twee afzonderlijke zaken, namelijk de omgangsregeling en het perspectief van de kinderen. Het is voor de kinderen belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over hun perspectief. De kinderen zijn al geruime tijd uit huis geplaatst en staan al lange tijd onder toezicht van de GI. De raad heeft echter nog geen verzoek van de GI ontvangen voor een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. Er is circa een half jaar lang getracht om de omgang uit te breiden. Nadat de omgang intensiever was geworden zijn de zorgen - met name over [minderjarige 2] - toegenomen. [minderjarige 2] had veel last van de uitbreiding van de regeling en haar gedragsproblemen en zindelijkheidsproblematiek namen weer toe. In juni 2023 is de op dat moment geldende regeling opgeschort. Volgens de vader zijn deze problemen van [minderjarige 2] al jarenlang bekend, maar volgens de betrokken hulpverlening is er sprake van een causaal verband tussen de toename van de problemen en de uitbreiding van de omgang. De raad stelt verder vast dat de behandelaren van [minderjarige 1] niet bij het RTO aanwezig zijn geweest. De raad heeft bovendien niet in onderliggende verslagen kunnen teruglezen wat de uitbreiding van de omgang met [minderjarige 1] heeft gedaan. De omgangsregeling tussen de kinderen en de vader moet passend zijn bij wat de kinderen aankunnen, maar het is niet duidelijk geworden of dit voor [minderjarige 1] anders is dan voor [minderjarige 2] . De raad ziet derhalve aanleiding om een onderzoek doen in het kader van de omgangsregeling. Een dergelijk onderzoek kan worden gecombineerd met een onderzoek naar het perspectief van de kinderen dat nog steeds dient plaats te vinden. Er is geen aanleiding om een eventueel onderzoek naar het perspectief aan te houden, in afwachting van een onderzoek naar de mogelijkheden in het kader van de omgang. De rechtbank heeft immers al aangegeven dat het perspectief niet meer bij de ouders ligt en dat er in beginsel niet meer wordt toegewerkt naar een terugplaatsing van de kinderen naar de ouders. Het wettelijk kader 3.
  21. Op grond van artikel l:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Ingevolge het tweede lid kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de GI een op grond van het eerste lid van dat artikel gegeven beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De overwegingen van het hof 3.
  22. Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling nog naar voren is gebracht overweegt het hof als volgt. 3.
  23. Het hof is allereerst van oordeel dat sinds de beschikking van 16 november 2022 sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat aan een inhoudelijk oordeel wordt toegekomen. Dit betreft de door de GI gestelde zorgelijke signalen die kinderen vertonen na een weekend bij de vader. Volgens de GI is dan sprake van een terugval in zindelijkheid van [minderjarige 2] , vertoont zij opstandig gedrag, buikpijn, spierpijn en is zij onrustig. Volgens de GI is [minderjarige 1] na een weekend bij de vader overprikkeld door een druk schema, lastig te sturen en veel weg van de groep waardoor niet aan behandeling wordt toegekomen. Het voorgaande maakt dat de GI ontvankelijk is in het verzoek tot wijziging van de omgang. 3.
  24. Verder staat vast dat vanwege de zorgen die vanuit meerdere instanties en/of betrokkenen bij de GI ter ore waren gekomen, de GI heeft besloten om de opbouwende contactregeling tussen de vader en de kinderen op te schorten. De GI heeft vervolgens het inleidend verzoek bij de rechtbank ingediend om de contactregeling te wijzigen en het contact tussen beide kinderen en de vader te beperken tot begeleide contacten zonder overnachting. Dit verzoek is door de rechtbank toegewezen. Het hof stelt vast dat in de gewijzigde omgangsregeling geen onderscheid wordt gemaakt tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , terwijl zij - volgens de GI - verschillende zorgelijke signalen tonen. Zij verblijven ook in een andere feitelijke situatie. [minderjarige 1] verblijft in een accommodatie jeugdhulpaanbieder en [minderjarige 2] in een pleeggezin. 3.
  25. Het hof is met de ouders en de raad van oordeel dat de GI met name voor wat betreft [minderjarige 1] , maar ook voor wat betreft [minderjarige 2] , onvoldoende inzichtelijk heeft kunnen maken welke specifieke (gedrags)problemen zij na de uitbreiding van de omgang met de vader heeft laten zien en in hoeverre deze problematiek gerelateerd kan worden aan de uitbreiding van de onbegeleide contacten tussen de kinderen en de vader. De GI heeft in dit kader nagelaten om haar standpunt met voldoende onderliggende stukken te onderbouwen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee verschillende kinderen met ieder hun eigen (kindeigen) problematiek enerzijds en hun eigen krachten, mogelijkheden en wensen anderzijds. Net als in een de procedure bij het hof over de verlenging van de uithuisplaatsing van 18 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1364), van welke beschikking het hof zoals besproken op de mondelinge behandeling ambtshalve kennis heeft genomen, ontbreekt het in de onderhavige procedure aan voldoende onderliggende stukken zoals (actuele) rapportages van [instantie] en van de behandelaren van [minderjarige 1] van [instantie] . Het hof heeft in voornoemde beschikking van 18 april 2024 bovendien al overwogen dat het van belang is “dat de GI zich voor een weging van haar perspectiefbesluit wendt tot de raad die zich na een kritisch, neutraal en nauwkeurig onderzoek een eigen oordeel vormt, zodat er een breder beeld ontstaat van de situatie en de toekomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].” Het hof wil nogmaals benadrukken dat beslissingen over de contacten en over het perspectief van de kinderen gebaseerd dienen te zijn op gedegen, onafhankelijk onderzoek en dat de ouders waar mogelijk voorafgaand aan ingrijpende beslissingen worden gehoord. Dit zal tevens het acceptatieproces van de ouders over die beslissingen ten goede kunnen komen. Ook voor wat betreft [minderjarige 2] wordt het van belang geacht dat er vanuit een onafhankelijk perspectief wordt gekeken naar welke omgangsregeling het meest tegemoet komt aan haar persoonlijke belangen en dat er meer duidelijk komt over de relatie tussen haar gedragsproblematiek en de wijze waarop de omgangsregeling vorm wordt gegeven. 3.
  26. Aangezien het hof zich op grond van de huidige informatie onvoldoende voorgelicht acht, is het niet in staat een weloverwogen beslissing te nemen op het verzoek van de vader in hoger beroep en wordt een onderzoek door de raad geraden geacht. 3.
  27. In het kader van dit onderzoek is het belangrijk dat de contacten tussen de kinderen en de moeder eveneens worden meegenomen, alhoewel die regeling formeel niet aan het hof voorligt. Immers, ook de omvang en frequentie van die contacten zijn van invloed op de contacten tussen de vader en de kinderen. Bovendien heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hier uitdrukkelijk om verzocht, is het belang door de raad benoemd en hebben de overige betrokkenen hiertegen geen bezwaar gemaakt. 3.
  28. Het hof zal op grond van het voorgaande de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de hierna volgende vragen:
  29. Welke mogelijkheden en belemmeringen ziet de raad voor contact tussen de vader en de kinderen respectievelijk tussen de moeder en de kinderen?
  30. Wat acht de raad nodig om eventuele belemmeringen voor (verder) contact weg te nemen?
  31. Hoe dient de omgangsregeling tussen de kinderen en de ouders qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  32. Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden? 3.
  33. Bij de beantwoording van deze vragen dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 3.
  34. Het hof gaat er vanuit dat de GI zich op korte termijn met een verzoek tot de raad zal wenden om het onderzoek uit te breiden met een onderzoek naar het perspectief van de kinderen, aangezien deze twee kwesties nauw met elkaar samenhangen. 3.
  35. Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad. 3.
  36. Iedere verdere beslissing zal worden aanhouden. Dit betekent concreet dat de beslissing van de rechtbank van 14 december 2023 voorlopig in stand blijft. 4De beslissing Het hof: verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.19 is overwogen; verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen; houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 24 oktober
  37. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.M.C. Dumoulin en G.M. Goes en is op 13 juni 2024 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.