GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 22/1345 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 juli 2022, nummer AWB 20/8487 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, hierna: de heffingsambtenaar, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de minister. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende. De heffingsambtenaar is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij de heffingsambtenaar bij brief van 15 januari 2024 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met Track&Trace code [code] , is aangetekend verzonden naar het door de heffingsambtenaar opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 16 januari 2024 op het door de heffingsambtenaar opgegeven adres is afgeleverd. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden. 1.8. Op 16 april 2024 heeft het hof partijen medegedeeld dat het onderzoek is heropend en vervolgens is verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen zijn in deze brief tevens op de hoogte gebracht dat een nadere zitting achterwege wordt gelaten, tenzij één van de partijen verklaart dat hij op een zitting van de meervoudige kamer wilt worden gehoord. 1.9. Het hof heeft op 4 juli 2024 vastgesteld dat partijen niet hebben verklaard dat zij op een zitting van de meervoudige kamer willen worden gehoord en heeft daarop het onderzoek gesloten. Partijen zijn diezelfde dag schriftelijk op de hoogte gebracht dat het onderzoek is gesloten, waarbij tevens is aangekondigd dat op 10 juli 2024 uitspraak zal worden gedaan. 2Feiten 2.1. Belanghebbende heeft in beroep op 3 juni 2022 een verzoek om vergoeding van immateriële schade ingediend bij de rechtbank. Het verzoek vermeldt als onderwerp: “onzelfstandig verzoek om immateriële Schadevergoeding.” 2.2. Het verzoek vermeldt het volgende ten aanzien van de vergoeding van proceskosten: “Ik verzoek u dan ook i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn immateriële schadevergoeding toe te kennen en de daarbij behorende proceskostenvergoeding o.b.v. het besluit proceskosten uit de Awb.” 2.3. In haar uitspraak van 6 juli 2022 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard omdat partijen zich ter zitting op standpunt hebben gesteld dat de WOZ-waarde dient te worden verminderd tot € 309.000. De rechtbank heeft belanghebbende vervolgens een vergoeding van (proces)kosten toegekend, waarbij punten zijn toegekend voor het ingediende bezwaarschrift, de hoorzitting, het beroepschrift en de zitting. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank een vergoeding van proceskosten had moeten toekennen voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade en voor de zitting waarop dat verzoek is behandeld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin geen proceskostenvergoeding voor het ingediende verzoek om vergoeding van immateriële schade (1 punt) en de behandeling van dat verzoek ter zitting (1 punt) met toepassing van een wegingsfactor van 0,25. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4. Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 november 2023 het volgende overwogen: “5.1 In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie. 5.2. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad voortaan tot uitgangspunt dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.