Parketnummer : 20-000420-21 Uitspraak : 7 maart 2024 TEGENSPRAAK (Art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats, van 8 februari 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-997522-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte ter zake het primair ten laste gelegde: -medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken; veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en aftrek van voorarrest. Tevens heeft de rechtbank een beslissing genomen omtrent het beslag. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring en de strafmaat. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 september 2019, te Kerkdriel en/of Velddriel en/of Lienden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van één of meer voorwerp(en), te weten een (contante) geldbedrag(
- en)van in totaal 673.316,84 euro of daaromtrent, bestaande uit: - een geldbedrag van 268.927,77 euro of daaromtrent (pag. 600, AMB-046) en/of - een geldbedrag van 42.000,- euro of daaromtrent (pag. 562, AMB-039) en/of - een geldbedrag van 45.440,- euro of daaromtrent (pag. 518, AMB-036) en/of - een geldbedrag van 60.000,- euro of daaromtrent (pag.651, AMB-057) en/of - een geldbedrag van 288.613,84 euro of daaromtrent (pag. 662, AMB-059 en/of pag. 672, AMB-060), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen/verhuld en/of verborgen/verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(
- en)was/waren en/of het/de voorwerp(
- en)voorhanden heeft/hebben gehad en/of verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat het/de voorwerp(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 september 2019, te Kerkdriel en/of Velddriel en/of Lienden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van één of meer voorwerp(en), te weten een (contante) geldbedrag(
- en)van in totaal 673.316,84 euro of daaromtrent, bestaande uit: - een geldbedrag van 268.927,77 euro of daaromtrent (pag. 600, AMB-046)en/of - een geldbedrag van 42.000,- euro of daaromtrent (pag. 562, AMB-039) en/of - een geldbedrag van 45.440,- euro of daaromtrent (pag. 518, AMB-036) en/of - een geldbedrag van 60.000,- euro of daaromtrent (pag. 651, AMB-057) en/of - een geldbedrag van 288.613,84 euro of daaromtrent (pag. 662, AMB-59 en/of pag. 672, AMB-060), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen/verhuld en/of verborgen/verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(
- en)was/waren en/of het/de voorwerp(
- en)voorhanden heeft/hebben gehad en/of verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 september 2019, in Nederland, van voorwerpen, te weten contante geldbedragen van in totaal 585.997,77 euro, bestaande uit: - een geldbedrag van 226.827,77 euro (pag. 600, AMB-046) en/of - een geldbedrag van 42.000,- euro (pag. 562, AMB-039) en/of - een geldbedrag van 45.440,- euro (pag. 518, AMB-036) en/of - een geldbedrag van 60.000,- euro (pag.651, AMB-057) en/of - een geldbedrag van 211.730 euro (pag. 662, AMB-059 en/of pag. 672, AMB-060), de werkelijke aard en/of de herkomst verborgen/verhuld en/of voorhanden heeft gehad en/of verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat de voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De verdediging heeft – onder meer door verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg- op het standpunt gesteld dat verdachte van het witwassen van de onder primair opgenomen geldbedragen dient te worden vrijgesproken nu deze geldbedragen niet uit enig misdrijf afkomstig zijn. Vooraleer het standpunt van de verdediging ten aanzien van de afzonderlijke in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen te bespreken, stelt het hof met betrekking tot het witwassen allereerst het navolgende voorop. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (hof: witwassen) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond [dat het niet anders kan zijn dan dat] het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. In het licht van deze vooropstelling stelt het hof allereerst met de rechtbank (vonnis pagina 4) vast dat in de onderhavige zaak geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Beoordeeld zal derhalve dienen te worden of het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Standpunt verdediging Het hof zal niet de volgorde van de pleitnota van de verdediging in hoger beroep aanhouden maar de volgorde van de onder de diverse gedachtestreepjes in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen. -geldbedrag van eur. 268.927,77 (eerste gedachtestreepje tenlastelegging) Verkoop bitcoins De verdediging heeft in het hoger beroep voortgeborduurd op het in eerste aanleg gevoerde verweer dat verdachte in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht waarmee verdachte respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,- en € 155.000,- aan contant geld heeft verworven waardoor de uit de kasopstelling blijkende contante uitgaven verklaarbaar zijn. Waarbij nogmaals is gewezen op de verklaring die [getuige 1] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De rechtbank heeft omtrent de kasopstelling het navolgende vastgesteld (pg. 4 van het vonnis): In het proces-verbaal AMB-046 is een eenvoudige kasopstelling uitgewerkt. In deze kasopstelling zijn de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] over de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2019, voor zover die uit het onderzoek bekend zijn geworden, in kaart gebracht. Vervolgens heeft de rechtbank omtrent het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen het navolgende overwogen (pagina 5 en 6 van het vonnis): “In de kasopstelling zijn de werkelijke contante uitgaven inclusief de bankstortingen betrokken. Deze contante uitgaven en bankstortingen bedragen in totaal € 285.947,77. Uit de kasopstelling blijkt echter dat verdachte € 17.020,00 beschikbaar had voor het doen van uitgaven. Hierbij zijn betrokken de legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen te waarde van € 59.020,00 verminderd met het aangetroffen contante geldbedrag van € 42.000,-. De rechtbank heeft geconstateerd dat het bedrag van € 59.020,00 een optelsom is van alle bedragen die contant zijn opgenomen door verdachte en zijn partner, genoemd op in AMB-010 op pagina 381 en verder van het procesdossier en AMB-022 op pagina 440 en verder van het procesdossier. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 59.020,00,- in werkelijkheid neerkomt op € 59.120,00,-. Omdat het bedrag van € 42.000,- al apart is genoemd bij contante geldbedragen (zie hieronder) is de rechtbank van oordeel dat het ten onrechte ook in de kasopstelling is meegenomen en uitgegaan moet worden van €59.120,00 als beschikbaar voor contante uitgaven. Het bedrag van € 268.927,77 als uitkomst van de kasopstelling genoemd in de tenlastelegging moet gelet op het voorgaande € 226.827,77,- zijn, welk bedrag verdachte en zijn partner in de periode 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2019 meer hebben uitgegeven dan er uit bekende (legale) bronnen bij hen is binnengekomen. Daaruit maakt de rechtbank op dat er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat ten aanzien van dit bedrag.” Het hof neemt vorenstaande vaststellingen door de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat deze het gerechtvaardigde vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag van € 226.827,77 uit enig misdrijf afkomstig is. Vervolgens heeft de rechtbank omtrent de verklaring die verdachte hieromtrent heeft afgelegd het volgende overwogen (pagina 9 van het vonnis): “De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft verdachte wel een verklaring afgelegd.” en omtrent de opbrengsten (pag. 9 van het vonnis): “Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht. Met deze verkopen zou verdachte respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,- en € 155.000,- aan contant geld hebben verworven. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen enkel bescheid heeft overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat deze verkopen hebben plaatsgevonden. Op verzoek van de verdediging is getuige [getuige 1] op 1 juli 2020 gehoord door de rechter-commissaris. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte in februari 2017 bij hem op bezoek was in Hongarije en verdachte bitcoins aan dhr. [betrokkene 2] heeft verkocht ter waarde van € 70.000,-. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat [verdachte] eind 2017 wederom bij hem op bezoek was en verdachte opnieuw bitcoins heeft verkocht aan dhr. [betrokkene 2] ter waarde van € 155.000,-. De getuige kon geen contactgegevens dan wel andere concrete, min of meer verifïeerbare gegevens van dhr. [betrokkene 2] overleggen.” en (pagina 9 van het vonnis): “Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring verschaft omtrent de herkomst van de geldbedragen nu deze verklaring niet door de bevindingen in het dossier wordt geschraagd, maar ook niet door verdachte wordt voorzien van voldoende en concrete aanknopingspunten aan de hand waarvan nader onderzoek kan plaatsvinden om verdachtes verklaring te verifiëren. Daarvoor is allereerst van belang dat de verklaring van getuige [getuige 1] op een aantal essentiële punten tegenstrijdig is met de verklaring van verdachte op de zitting van 17 december 2019. Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 samen met een vriend bitcoins van [getuige 1] heeft gekocht en in 2017 deze bitcoins weer via [getuige 1] heeft verkocht, waarbij hij de bitcoins op naam van [getuige 1] zou hebben laten schrijven en [getuige 1] toen de waarde contant zou hebben uitbetaald. [getuige 1] verklaart dat verdachte in 2016 heeft gezegd dat hij bitcoins had en dat hij geen bitcoins van verdachte heeft gekocht, maar dat de verkoop van bitcoins aan iemand anders bij hem thuis heeft plaatsgevonden, waarbij die andere persoon het geld heeft betaald. De stelling van de verdediging dat de verklaring van verdachte onjuist zou zijn opgenomen in dat proces-verbaal, volgt de rechtbank zonder nadere onderbouwing- die ontbreekt- niet. Het zou dan niet één enkele verspreking betreffen, maar drie punten waarop verdachte iets fundamenteel anders heeft verklaard dan [getuige 1] . De verklaring van verdachte dat hij in 2013 bitcoins zou hebben verkocht tegen een waarde van € 80,000,-, hetgeen hij in contanten zou hebben ontvangen, is verder geenszins onderbouwd. Verder stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte dat hij in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht, ook wanneer van de verklaring van [getuige 1] zou worden uitgegaan, op geen enkele wijze is te verifiëren.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en is op grond daarvan van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte opbrengsten uit de verkoop van bitcoins heeft verkregen. De rechtbank heeft verder omtrent een aantal in de kasopstelling opgenomen contante uitgaven nog het volgende vastgesteld en overwogen. -contante opwaardering van kaarten van casino [bedrijf 1] (pagina 10 van het vonnis): “Ten aanzien van de opwaardering van kaarten van het casino [bedrijf 1] overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat verdachte in totaal voor een bedrag van € 21.485,- contant heeft ingelegd op vijf casinokaarten, met onder andere coupures van € 500,- en € 200,-. Uit het dossier blijkt dat de ingelegde contanten niet afkomstig kunnen zijn geweest van eventueel in het casino behaalde winsten. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding om deze post uit te sluiten van de kasopstelling. Het hof neemt de overweging over en maakt deze tot de zijne en overweegt aanvullend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ter betwisting dat deze contante uitgaven door verdachte zijn gedaan nog verwezen naar de verklaring van de getuige [getuige 2] , operationeel manager bij [bedrijf 1] , bij de raadsheer-commissaris van dit hof. Uit die verklaring zou volgen dat het onwaarschijnlijk is dat verdachte met vijf casinokaarten tegelijkertijd heeft gespeeld en dat het derhalve niet aannemelijk is dat de contante uitgave van € 21.485,- alleen door verdachte op die kaarten is ingelegd. Het hof volgt de verdediging niet in deze stelling. Weliswaar heeft [getuige 2] tijdens genoemd verhoor verklaard dat het niet handig is om met vijf casinokaarten tegelijkertijd te spelen maar dat laat naar het oordeel van het hof onverlet dat verdachte wel alleen het bedrag van € 21.485 op die kaarten heeft ingelegd mede nu aanwijzingen ontbreken dat daarop ook door anderen zou zijn ingelegd. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat deze contante uitgave in de kasopstelling dient te worden betrokken. -contante betalingen aan [bedrijf 2]. De rechtbank heeft omtrent de contante betalingen aan [bedrijf 2] het navolgende vastgesteld (pagina 10 van het vonnis): “Ten aanzien van de contante betalingen aan [bedrijf 2] heeft de rechtbank vastgesteld dat het dossier diverse stortingsbewijzen en bankafschriften van [bedrijf 2] bevat. Op deze stortingsbewijzen is telkens de naam van verdachte geschreven. De stortingsbewijzen dateren uit de periode waarin de facturen volgens [bedrijf 2] zijn betaald. Bovendien stelt de rechtbank vast dat twee van de stortingsbewijzen overeenkomen met twee facturen, te weten het stortingsbewijs van 20 maart 2018 met een gestort bedrag van € 14.450,-, pagina 1247 van het procesdossier, en het stortingsbewijs van 25 mei 2018, pagina 1244 van het procesdossier.” Omtrent de verklaring van verdachte heeft de rechtbank overwogen (pagina 10 van het vonnis): “De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen andere facturen zou hebben betaald dan degene die per bank is voldaan, gelet op het voorgaande dan ook niet geloofwaardig. De contante betalingen aan [bedrijf 2] worden derhalve terecht betrokken in de kasopstelling.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgaven - anders dan de verdediging heeft gesteld - in de kasopstelling. -contante betaling aan [bedrijf 3] De rechtbank heeft omtrent de contante betaling aan [bedrijf 3] het navolgende overwogen (pagina 10 van het vonnis): “De rechtbank overweegt ten aanzien van de factuur van [bedrijf 3] dat deze factuur zoals gesteld door de raadsman, is aangetroffen in de administratie van [bedrijf 4] . De contante betaling van deze factuur kan volgens de rechtbank niettemin worden meegenomen in de kasopstelling, omdat van de inkomsten van [bedrijf 4] tevens een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgave – anders dan de verdediging heeft gesteld - in de kasopstelling. -contante betalingen van de [Bedrijf 15] De rechtbank heeft omtrent de contante uitgave aan [Bedrijf 15] het navolgende overwogen (pagina 10 van het vonnis): “Het dossier bevat slechts twee girale beta1ingen voor de huur van het voertuig, terwijl de overeenkomst voor langere duur is afgesloten. De rechtbank is van oordeel dat, nu enige aanwijzing van andere girale betalingen ontbreekt, het niet anders kan dan dat de overige huurbetalingen contant zijn verricht en sluit om die reden deze post niet uit van de kasopstelling.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgave – anders dan de verdediging heeft gesteld - in de kasopstelling. Resumerend komt het hof gelet op het vorenstaande met de rechtbank tot een bewezenverklaring van het witwassen van een geldbedrag van € 226.927,77, onder verwerping van het andersluidende standpunt van de verdediging. - geldbedragen van € 42.000,- en € 45.440,- (tweede en derde gedachtestreepje tenlastelegging) Ten aanzien van het bedrag van € 42.000,- is het hof met de rechtbank (pag. 5 van het vonnis) van oordeel dat nu dit bedrag apart in de tenlastelegging is opgenomen, dit ten onrechte in de kasopstelling (hof: zie hiervoor) is meegenomen. Met de rechtbank haalt het hof dit bedrag uit die kasopstelling. De rechtbank heeft omtrent het bedrag van € 42.000,- het volgende vastgesteld (pag. 5 van het vonnis): “Tijdens een doorzoeking in de woning van de ouders van verdachte werd een kluissleutel aangetroffen van kluisnummer [kluisnummer] bij [locatie] (proces-verbaal AMB-039). In de kluis werd een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal € 42.000,- in 84 biljetten van € 500,-. de moeder van verdachte, [getuige 6] , verklaarde dat het geld van verdachte is en hij haar heeft gevraagd om het bedrag voor hem te bewaren. Ook verklaarde zij dat verdachte geen duidelijk antwoord had gegeven op haar vraag waar het geld vandaan kwam.” De rechtbank heeft omtrent het bedrag van geldbedrag van € 45.440,- het volgende vastgesteld (pag. 5 van het vonnis): “Uit proces-verbaal AMB-036 blijkt dat tijdens een doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres 5] , de verblijfplaats van verdachte, op verschillende plaatsen een contant geldbedrag werd aangetroffen van in totaal € 45.440,- van coupures van verschillende groottes, waaronder coupures van € 500,-. In een tas die achter enkele dozen en koffers stond werd een geldbedrag van € 40.740,- aangetroffen. Het resterende bedrag werd aangetroffen op andere plekken in de woning en in de Volkswagen Golf waarvan verdachte op dat moment gebruik maakte.” Omtrent het vermoeden van witwassen van de bedragen van € 42.000,- en € 45.440,- heeft de rechtbank het volgende overwogen (pag. 5 van het vonnis): “De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures, terwijl coupures van € 500 in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn (ECLI:NL:RBMNE:2015:1838). De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van deze bedragen ook een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat.” Het hof neemt vorenstaande vaststellingen door de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat deze het gerechtvaardigde vermoeden rechtvaardigen dat voormelde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ook ten aanzien van de bedragen van € 42.000,- en € 45.440,- heeft de verdachte gesteld dat deze afkomstig zijn uit de verkoop van bitcoins. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank daarover hiervoor (ten aanzien van het geldbedrag van € 226.827,77) heeft overwogen, welke overwegingen als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd op grond waarvan de verklaring van verdachte eveneens door het hof niet geloofwaardig wordt bevonden en het hof met de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan zijn dan dat deze bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Aanvullend overweegt het hof dat de verdediging in het hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de overweging van de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat coupures van € 500,- - kort gezegd – in het criminele circuit gangbaar zijn, achterhaald is en heeft daartoe verwezen naar een conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2011:BQ4293) en een arrest van dit hof (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6341). Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt nu de rechtbank niet alleen heeft vastgesteld dat het om coupures van € 500,- ging maar tevens dat het om een groot bedrag in contanten ging en het de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst (uit de verkoop van bitcoins) niet geloofwaardig heeft bevonden. Geldbedrag van € 60.000,- (vierde gedachtestreepje tenlastelegging) Standpunt verdediging De verdediging heeft het in eerste aanleg ingenomen standpunt herhaald dat de lening van € 60.000,- van [getuige 4] aan verdachte een legale herkomst heeft en verdachte van het witwassen van dat geldbedrag dient te worden vrijgesproken omdat kort gezegd [getuige 4] wel de middelen heeft gehad om de lening aan verdachte te verstrekken, hetgeen verder zou blijken uit de verklaring van [getuige 3] ten overstaan van de raadsheer-commissaris van dit hof. Verder heeft de verdediging gesteld dat de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van deze gelden onvoldoende is onderzocht. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De rechtbank heeft omtrent het lening tussen verdachte en [getuige 4] het volgende vastgesteld (pg. 5 van het vonnis): “Uit proces-verbaal AMB-057 blijkt dat verdachte een leenovereenkomst heeft gesloten met [getuige 4] op basis waarvan [getuige 4] een bedrag ter grootte van € 30.000,- aan [verdachte] heeft uitgeleend en een maximale financiering ter beschikking heeft gesteld ter grootte van € 200.000,-. De lening werd verstrekt ten behoeve van de verbouwing van de woning gelegen aan [adres 2] . Uit de bankgegevens van [verdachte] is gebleken dat [getuige 4] feitelijk € 60.000,- aan verdachte ter beschikking heeft gesteld” Vervolgens heeft de rechtbank omtrent het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen van genoemd bedrag het navolgende overwogen (pagina 5 en 6 van het vonnis): “De rechtbank stelt vast dat de lening tot op heden niet is terugbetaald door verdachte en dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de in de leenovereenkomst gestelde voorwaarden. De rechtbank overweegt dat de verklaring van de voormalig bestuurder van [getuige 4] , [betrokkene 3] , inhoudende dat hij een bedrag van zijn vader had geleend dan wel had geschonken gekregen ter hoogte van € 20.000,- of € 30.000,- niet geloofwaardig is, aangezien uit het inkomen en het banksaldo van de vader van [getuige 3] blijkt dat hij geen bedrag van € 30.000,- had kunnen uitlenen dan wel schenken. Ook is gebleken dat [getuige 3] niet over eigen vermogen beschikte. Ook merkt de rechtbank op dat uit het onderzoek van de FIOD blijkt dat [getuige 4] een lening van € 30.000,- en het beschikbaar stellen van € 200.000,- niet met eigen middelen kon financieren. Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van [getuige 3] voor zover inhoudende dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar de financiële situatie van verdachte en dat er onderpand op machines lag. terwijl [getuige 3] ook heeft verklaard nooit machines te hebben gezien. Verdachte had ook geen machines in zijn bezit. Gelet op het voorgaande is rechtbank van oordeel dat de lening van € 60.000,- een ongebruikelijke lening betreft die niet past binnen het bedrijf of de beroepsuitoefening van [getuige 4] , waarbij de herkomst van dit bedrag onduidelijk is. Derhalve bestaat volgens de rechtbank een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ten aanzien van dit bedrag. Het hof neemt vorenstaande vaststellingen door de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat deze het gerechtvaardigde vermoeden rechtvaardigen dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Vervolgens heeft de rechtbank omtrent de verklaring die verdachte omtrent deze feiten en omstandigheden heeft afgelegd het volgende overwogen (pagina 9 van het vonnis): “De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft verdachte wel een verklaring afgelegd” en (pagina 10 van het vonnis): “Verdachte heeft verklaard dat hij de lening van € 60.000,- met [getuige 4] heeft afgesloten ten behoeve van verbouwwerkzaamheden. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen antwoord had op de vraag waarom verdachte niet zijn contante middelen die hij met de verkoop van bitcoins zou hebben verworven (hof: zie hiervoor ten aanzien van het geldbedrag van € 226.827,77 heeft ingezet voor de verbouwing, anders dan dat hij zuinig deed met het contante geld. Ten slotte heeft verdachte verklaard dat de lening van € 60.000,- naast zijn hypotheekverplichtingen bestond dat hij de lening niet heeft afgelost en eenmalig rente door hem is betaald. Uit het dossier blijkt dat er slechts eenmaal een bedrag door [verdachte] aan [getuige 4] is betaald (zie AMB-057). (..). De rechtbank stelt (..). vast dat [getuige 3] (..) heeft verklaard dat zijn vader een bedrag van 25.000,- tot 30.000,- als startkapitaal ter beschikking heeft gesteld. Uit onderzoek naar het inkomen en banksaldo van de vader van de eigenaar van [getuige 4] . is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat het bedrag van € 60.000,- niet door hem ter beschikking van zijn zoon kan zijn gesteld, omdat zijn inkomen en banksaldo daar te laag voor waren. Daarbij acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat een handelsonderneming als [getuige 4] , gestart in mei 2017, met een startkapitaal van € 30.000,- al na twee maanden verplichtingen aangaat, die inhouden het feitelijk ter beschikking stellen van een tweemaal hoger bedrag, met nog mogelijkheid van uitbreiding tot € 200.000,-.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte omtrent de geldlening ongeloofwaardig is en is op basis daarvan met de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 60.000,- uit enig misdrijf afkomstig is. Aanvullend overweegt het hof nog het volgende. De verdediging heeft in het hoger beroep nog gewezen op de verklaring van [getuige 3] , destijds bestuurder van [getuige 4] , ten overstaan van de raadsheer-commissaris waaruit zou volgen dat [bedrijf 5] , waar [getuige 3] eveneens heeft gewerkt, handelstransacties met [getuige 4] heeft gevoerd en daarvoor € 100.000,- aan [getuige 4] heeft betaald, waardoor deze voldoende vermogen had om het bedrag van € 60.000,- aan verdachte te lenen. Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt omdat [getuige 3] tijdens datzelfde verhoor over de geldlening van € 60.000,- heeft verklaard dat voor zover hij weet deze lening enkel op papier heeft bestaan en dat hij in die tijd helemaal niet over veel geld beschikte. Het hof merkt op dat deze verklaring in lijn is met hetgeen de rechtbank hiervoor over de vermogenspositie van [getuige 4] heeft overwogen, achter welke overweging het hof zich heeft geschaard. Verder heeft de verdediging in het hoger beroep nog gesteld dat er te weinig onderzoek is uitgevoerd naar het bestaan van deze geldlening. Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt en is van oordeel dat uit het dossier blijkt van dit onderzoek en ook getuige [getuige 3] van [getuige 4] omtrent het bestaan van de geldlening tot tweemaal toe is gehoord. -geldbedrag van 211.730 euro (vijfde gedachtestreepje tenlastelegging) Inkomsten uit [bedrijf 6] en [bedrijf 4] De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van de inkomsten uit [bedrijf 6] en [bedrijf 4] (hof: vijfde gedachtestreepje in de tenlastelegging). Daartoe is aangevoerd dat de valselijk opgemaakt facturen voorwerpen zijn geweest met behulp waarvan een misdrijf is begaan, maar dat deze niet reeds daardoor afkomstig zijn uit enig misdrijf. In welk kader de verdediging heeft verwezen naar een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1491). Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Witwassen van door [bedrijf 6] gefactureerde bedragen Vrijspraak Met de rechtbank spreekt het hof verdachte vrij van betrokkenheid van het witwassen van door [bedrijf 6] gefactureerde bedragen voor een totaalbedrag van € 75.883,-. De rechtbank heeft omtrent de door [bedrijf 4] gefactureerde bedragen onder meer het navolgende vastgesteld (pg. 6 van het vonnis): “In processen-verbaal AMB-059 en AMB-060 zijn de inkomsten van [bedrijf 6] , de eenmanszaak van de partner van verdachte en de inkomsten van [bedrijf 4] , de eenmanszaak van verdachte, in de periode van 2016 tot en met 2019 uitgewerkt. De inkomsten van (..). [bedrijf 4] in de genoemde periode bedragen (..).€212.730,-. (..). Het laatstgenoemd bedrag betreft een optelsom van de gefactureerde bedragen door [bedrijf 4] in de jaren 2016 tot en met 2018 genoemd op pagina 676 van het procesdossier. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 212.730,- in werkelijkheid neerkomt op € 211.730,-.” Vervolgens heeft de rechtbank omtrent het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen het navolgende overwogen (pagina 6 van het vonnis): “De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de gefactureerde bedragen van (..). [bedrijf 4] het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat op grond van de navolgende redenen. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat uit deze processen-verbaal blijkt dat [bedrijf 6] en [bedrijf 4] dezelfde opdrachtgevers hebben, te weten: [bedrijf 7] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] en [bedrijf 12] Daarnaast wordt in het proces-verbaal [bedrijf 13] / [bedrijf 14] genoemd als opdrachtgever van [bedrijf 4] . De rechtbank overweegt dat als overeenkomende omstandigheid is vastgesteld dat geen van de genoemde opdrachtgevers een website heeft. Ten tweede neemt de rechtbank bij het vermoeden van witwassen in aanmerking dat de opdrachtgever van [bedrijf 4] , [bedrijf 14] , gevestigd op [adres 3] , niet als zodanig herkenbaar was en er geen deurbel aanwezig was. Evenmin werd iemand van en/of in het bedrijf gezien door opsporingsambtenaren van de FIOD op 31 oktober en 4 november 2019. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat de opdrachtgever [bedrijf 7] ., gevestigd aan [adres 4] , ook niet als zodanig herkenbaar was. Het adres betrof een vrijstaande woning in een woonwijk, waar alle ramen waren voorzien van gesloten raambekleding. Er werd niet opengedaan nadat opsporingsambtenaren van de FIOD hadden aangeklopt op 7 november 2019. Evenmin was er een aanduiding van de bewoners en/of van de onderneming aanwezig. Verder overweegt de rechtbank dat opvalt dat de boekhouder van zowel [bedrijf 6] als [bedrijf 4] [betrokkene 4] is en dat deze boekhouder tevens de boekhouding, de belastingaangiften doet en/of beschikt over de rekeningen van [bedrijf 10] ., [bedrijf 8] , [bedrijf 9] en [bedrijf 7] . [betrokkene 4] is eigenaar van [bedrijf 11] ” Verder heeft de rechtbank omtrent het vermoeden van witwassen van € 211.730,- via [bedrijf 4] in het bijzonder nog het volgende overwogen (pagina 8 van het vonnis): “De rechtbank stelt vast dat meerdere getuigen, te weten de ouders van verdachte, [getuige 5] en [getuige 6] , en de partner van verdachte, niet concreet kunnen verklaren over het werk en de werktijden van verdachte. Samengevat verklaren zij slechts dat verdachte in het grondwerk zit en uitvoerend werk doet. De moeder van verdachte heeft verklaard dat verdachte zowel overdag als ‘s nachts werkt. [betrokkene 1] (hof: partner van verdachte) heeft onder meer verklaard dat hoe lang verdachte werkt, heel erg wisselt. Volgens [betrokkene 1] is hij soms langer dan acht uur weg en soms korter. De rechtbank constateert dat de verklaringen dat verdachte wisselende werktijden zou hebben gehad, haaks staat op de wijze waarop de diensten van [bedrijf 4] werden gefactureerd. Uit de verklaring van de boekhouder blijkt namelijk dat hij de facturen opmaakte voor [bedrijf 4] en standaard 40 uur per week factureerde aan de opdrachtgevers. Verder valt op dat [betrokkene 4] heeft verklaard dat verdachte uitvoerend werk doet, maar ook als projectleider werkt, hetgeen niet strookt met de verklaringen van de ouders van verdachte en van zijn partner. Deze verklaring van [betrokkene 4] is des te opvallender, nu verdachte voor [bedrijf 11] . zou hebben gewerkt, hetgeen een bedrijf van [betrokkene 4] betreft. Daarbij verzorgde [betrokkene 4] ook de boekhouding voor de overige opdrachtgevers van verdachte. Ook merkt de rechtbank op dat uit de verklaring van [betrokkene 4] blijkt dat verdachte nauwelijks kosten van [bedrijf 4] heeft gedeclareerd.” Het hof neemt vorenstaande vaststellingen door de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat deze het gerechtvaardigde vermoeden rechtvaardigen dat de door [bedrijf 4] gefactureerde bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Vervolgens heeft de rechtbank omtrent de verklaring die verdachte omtrent deze feiten en omstandigheden heeft afgelegd het volgende overwogen (pagina 9 van het vonnis): “De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft verdachte wel een verklaring afgelegd.” en: (pagina 11 van het vonnis): “Ter terechtzitting van 25 januari 2021 heeft verdachte verklaard dat hij dezelfde opdrachtgevers heeft als zijn partner en dat hij van alles in het grondwerk doet. Ook heeft hij verklaard zowel uitvoerende als aansturende werkzaamheden te verrichten, afhankelijk van het project waar hij op dat moment voor werkt. Volgens verdachte starten de werkzaamheden altijd vanaf [adres 3] en geven zijn opdrachtgevers zijn gewerkte uren door aan zijn boekhouder. Verder heeft verdachte verklaard zijn gewerkte uren niet bij te houden en de door de opdrachtgevers doorgegeven uren niet te controleren. Verdachte heeft ter zitting aangegeven niet altijd op de hoogte te zijn voor welke opdrachtgever hij werkzaamheden verricht. Verdachte heeft wisselende werktijden. Ten slotte, heeft verdachte verklaard niet te hebben geweten wat voor werkzaamheden zijn partner precies verrichtte, wanneer en voor welke opdrachtgevers.” en (pagina 12 van het vonnis): “De rechtbank stelt vast dat getuigen, de moeder van verdachte en zijn partner, ook hebben verklaard dat verdachte wisselende werktijden zou hebben. Dat verdachte wisselende werktijden zou hebben, wordt echter weersproken door de wijze waarop de werkzaamheden werden gefactureerd, immers wekelijks werd volgens [betrokkene 4] 40 uur aan werkzaamheden gefactureerd. De verklaring van verdachte dat hij wisselende werktijden had en dat zijn opdrachtgevers zijn werkzaamheden doorgaven aan de boekhouder, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig. Ten slotte acht de rechtbank de verklaring dat verdachte met zijn werkzaamheden begon vanaf [adres 3] evenmin geloofwaardig, nu uit de bevindingen van opsporingsambtenaren van de FIOD blijkt dat op dit adres geen duiding van contactpersonen of opdrachtgevers is aangetroffen en er niemand aanwezig was op verschillende tijdstippen op verschillende dagen dat deze opsporingsambtenaren ter plaatste zijn gegaan” Het hof volgt de rechtbank in vorenstaande overwegingen, oordeelt met de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig en is op basis daarvan met de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de door [bedrijf 4] gefactureerde bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor zover er bedragen door [bedrijf 4] zijn gefactureerd waartegenover wel werkzaamheden van [bedrijf 4] hebben gestaan, zijn deze door vermenging met de illegale inkomsten in zijn geheel als van misdrijf afkomstig aan te merken. Aanvullend overweegt het hof het volgende. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de facturen slechts voorwerpen zijn geweest met behulp waarvan een misdrijf is begaan en niet daardoor reeds uit misdrijf afkomstig zijn, miskent het dat in deze zaak door de wijze van factureren geen sprake is geweest van een economische realiteit met betrekking tot de werkzaamheden waarvoor door [bedrijf 4] werd gefactureerd. De wijze van administreren/factureren was bedoeld om de werkelijke aard en/of de herkomst van de betalingen op de rekening van [bedrijf 4] te verbergen/verhullen. Met andere woorden de opgemaakte facturen stonden ten dienste van het overmaken van de geldbedragen en waren daar niet de oorzaak van. Dit is een andere situatie dan die waarop de verdediging zich – onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad – heeft beroepen. In die situatie waren de betalingen uitvloeisel van het delict valsheid in geschrift. Kort weg: zonder valsheid geen uitbetaling. In het onderhavige geval zijn de facturen opgemaakt met de bedoeling de herkomst van de ontvangen geldbedragen te verhullen, wat erop wijst dat dezelfde betalingen bij afwezigheid van die facturen onder een andere of zonder valse dekmantel ook zouden hebben plaatsgevonden. Het standpunt van de verdediging wordt verworpen. Medeplegen Met de verdediging en anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat medeplegen ten aanzien van de bewezenverklaarde witwashandelingen niet wettig is bewezen nu uit het dossier ten aanzien van die handelingen niet telkens blijkt van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: Van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest kan worden volstaan eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf. Tevens heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft omtrent de strafoplegging het navolgende overwogen (pg. 15 van het vonnis): “Verdachte heeft zich gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Daarbij heeft verdachte samengewerkt met meerdere mensen in zijn omgeving, zoals zijn boekhouder, opdrachtgevers, de eigenaar van [getuige 4] en zijn moeder. Door zijn handelen heeft verdachte meerdere malen grote geldbedragen voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij wist dat deze geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Door zijn handelen heeft verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie willen onttrekken. De rechtbank acht dit een ernstig strafbaar feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Daarbij lijkt verdachte uitsluitend en ongeremd gedreven door eigen materieel gewin, zonder zich te bekommeren om de effecten van zijn gedragingen voor de samenleving waar hij deel uitmaakt. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Deze oriëntatiepunten voorzien in het geval van een benadelingsbedrag gelegen tussen € 500.000,- en € 1.000.000.- in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne met dien verstande dat het hof anders dan de rechtbank uitgaat van het feit dat verdachte alleen en niet met een ander of anderen heeft witgewassen. Naar het oordeel van dit hof heeft dit geen gevolgen voor de op te leggen straf en het hof kan zich dan ook vinden in de strafoplegging van de rechtbank en zal deze straf als uitgangspunt nemen voor de uiteindelijk op te leggen straf. Redelijke termijn De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM dient te leiden tot strafvermindering. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt de aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg op 19 september 2019, zijnde de datum waarop verdachte buiten heterdaad werd aangehouden en er op vermogensbestanddelen beslag werd gelegd. Deze termijn is geëindigd met het vonnis van de rechtbank van 8 februari 2021. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaren in eerste aanleg niet overschreden. Voor wat betreft de fase van het hoger beroep stelt het hof de aanvang van de redelijke termijn op 17 februari 2021 zijnde de datum waarop door verdachte hoger beroep is ingesteld. Het einde van de termijn stelt het hof op 7 maart 2024, zijnde de datum van dit arrest. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaren met ruim een jaar overschreden. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding om in plaats van de hiervoor tot uitgangspunt genomen straf (de straf van de rechtbank) aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 23 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van voorarrest. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Beslag Met de rechtbank zal het hof de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de voorwerpen met de nummers 20 tot en met 38 op de beslaglijst zijnde schriftelijke documenten. Aldus gewezen door: mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter, mr. F. van Es en mr. J.J.J. Wubben, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier, en op 7 maart 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. J.J.J. Wubben is buiten staat dit arrest te ondertekenen.