GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.314.407 arrest van 30 januari 2024 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als: [appellant] , advocaat: mr. P. de Jonge te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland, tegen 1 [geïntimeerde] h.o.d.n. [x] Trade Holland, wonende te [woonplaats] , hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [y] Holding B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna aan te duiden als: [y] , geïntimeerden, hierna gezamenlijk aan te duiden als: [geïntimeerden] , advocaat: mr. K. van Overloop te Goes, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 oktober 2022. 1. 2. 3. 4. 5. Het verdere verloop van de procedure 5.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 11 oktober 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overleggen stukken voor een comparitie; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen gehouden op 3 januari 2023; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord. 5.2. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 6De beoordeling Wat is er gebeurd? 6.1. [appellant] en [geïntimeerde] hebben sinds 2015 met tussenpozen een affectieve relatie met elkaar gehad. Ten tijde van hun kennismaking werkte [appellant] in loondienst en had zij op huiskamerniveau een handeltje in Indonesische tassen en accessoires. Op initiatief van [geïntimeerde] en met zijn medewerking heeft [appellant] de webshop [webshop 1] voor deze handel opgezet. Deze handel bleek niet succesvol te zijn en eind 2018 is de webshop dan ook opgeheven. 6.2. [geïntimeerde] had een groothandel in kogellagers “ [x] Trade Holland”; eerst in de vorm van een besloten vennootschap (op eigen initiatief medio augustus 2017 failliet verklaard) en vervolgens als eenmanszaak (eind augustus 2017 ingeschreven in het handelsregister). 6.3. Begin 2019 heeft [geïntimeerde] [appellant] benaderd voor de exploitatie van de webshop [webshop 2] (hierna: de webshop). Dit betreft een groothandel in appendages, technische toebehoren en dergelijke en kogellagers. De webshop is eigendom van [y] . [geïntimeerde] is directeur van [y] . Op 6 juni 2019 hebben [y] als exploitant en [appellant] als webshop-onderneemster een exploitatie-overeenkomst gesloten voor de webshop. [appellant] heeft daarvoor een eenmanszaak in het handelsregister ingeschreven. In artikel 3.1. van de overeenkomst is het volgende opgenomen: “De netto opbrengst van de webshop verkopen wordt tussen de partijen verdeelt in verhouding 35% voor de exploitant en 65% voor de webshoponderneemster. Onder netto opbrengst wordt verstaan: de omzet uit de verkopen van de lager webshop “ [webshop 2] vermindert met de inkoopprijs van de lagers en de maandelijkse kosten, voor administratie en handling (m.n. vracht- en verzendkosten). De overige kosten zoals marketing etc. komen voor rekening van de webshop-onderneemster. Kosten voor hosting, het beheer etc. van de webshop komen ten laste van de exploitant.” 6.4. Eind 2020 hebben [geïntimeerde] en [appellant] hun affectieve relatie beëindigd. [appellant] heeft op 7 januari 2021 de eenmanszaak uit het handelsregister laten uitschrijven. Verder heeft zij [geïntimeerden] op diezelfde dag bericht de exploitatie-overeenkomst te willen beëindigen. 6.5. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] hiermee in strijd met de exploitatie-overeenkomst gehandeld. [geïntimeerden] stellen dat [geïntimeerde] en [y] recht hebben op betaling van meerdere bedragen op grond van de exploitatie-overeenkomst. Daarnaast wil [geïntimeerde] het volgens hem persoonlijk aan [appellant] geleende geld terug ontvangen. Eerste aanleg 6.6. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gevorderd, kort weergegeven en voor zover nog van belang in hoger beroep, om [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen: ter zake de lening - tot betaling van € 2.100,-- aan [geïntimeerde] wegens een geldlening, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente; - tot betaling van € 490,05 aan [geïntimeerde] wegens buitengerechtelijke incassokosten; ter zake facturen van [geïntimeerde] h.o.d.n. [x] - tot betaling van € 2.717,71 aan [geïntimeerde] handelende onder de naam [x] wegens openstaande facturen, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente; - tot betaling van € 480,09 aan [geïntimeerde] h.o.d.n. [x] wegens buitengerechtelijke incassokosten; ter zake de overeenkomst met [y] - tot betaling van € 707,-- aan [y] wegens (exploitatie)vergoeding, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente; - tot betaling van € 15.000,-- aan [y] wegens contractuele boete, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente; - tot betaling van € 1.465,18 inclusief btw aan [y] wegens schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente; - tot betaling van € 1.145,53 aan [y] wegens buitengerechtelijke incassokosten; en in alle gevallen - in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente. 6.7. De kantonrechter heeft [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover nog in hoger beroep van belang veroordeeld: - tot betaling van € 2.100,-- aan [geïntimeerde] wegens geldlening; - tot betaling van € 2.717,71 aan [geïntimeerde] wegens openstaande facturen, te vermeerderen wettelijke handelsrente; - tot betaling van € 707,-- aan [y] wegens exploitatievergoeding, te vermeerderen met wettelijke handelsrente; - tot betaling van € 15.000,-- aan [y] wegens contractuele boete, te vermeerderen met wettelijke rente; - tot betaling van € 25,18 aan [y] wegens schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente; - tot betaling van € 480,09 inclusief btw aan [geïntimeerde] wegens buitengerechtelijke incassokosten; - tot betaling van € 1.119,25 inclusief btw aan [y] wegens buitengerechtelijke incassokosten; - tot betaling van proceskosten en nakosten aan de zijde van [geïntimeerden] Ten slotte heeft de kantonrechter het meer of anders gevorderde afgewezen. Hoger beroep 6.8. [appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de kantonrechter. In hoger beroep vordert [appellant] dat het hof de vonnissen in eerste aanleg zal vernietigen, en waar nodig onder verbetering van rechtsgronden, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest: i. primair met partiële vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden dan wel dwaling van de op 6 juni 2019 gesloten exploitatieovereenkomst [geïntimeerden] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen inzake, kort gezegd, de geldlening, de openstaande facturen, de exploitatievergoeding, de boete, schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten dan wel deze vorderingen zal afwijzen als zijnde onbewezen en/of ongegrond; ii. subsidiair op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid [geïntimeerden] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen wat betreft, kort gezegd, de geldlening, de openstaande facturen, de exploitatievergoeding, de boete, schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten, dan wel die vorderingen aan hen zal ontzeggen, iii. met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding van beide instanties. 6.9. [geïntimeerden] concluderen dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep en haar vorderingen dan wel het vonnis van de kantonrechter van 4 mei 2022 zal bekrachtigen, dan wel alle door [appellant] ingestelde vorderingen zal afwijzen en [appellant] zal veroordelen in de proceskosten en nakosten met vermeerdering van wettelijke rente. Beroep op wilsgebreken niet verjaard 6.10. Met haar eerste twee grieven klaagt [appellant] dat de kantonrechter haar beroep op de wilsgebreken misbruik van omstandigheden en dwaling niet heeft behandeld. In hoger beroep vordert zij partiële vernietiging van de exploitatie-overeenkomst op grond van deze twee wilsgebreken. [geïntimeerden] verweren zich tegen deze wilsgebreken met het standpunt dat het beroep hierop te laat is gedaan met verwijzing naar artikel 3:52 lid 1 onder b en onder c BW. Verder betwisten zij dat sprake is misbruik van omstandigheden en dwaling. 6.11. Het hof is als volgt van oordeel. [appellant] kan in rechte een beroep doen op deze wilsgebreken ter afwering van het door [geïntimeerden] gevorderde. Dit beroep kan op grond van artikel 3:51 lid 3 BW namelijk te allen tijde worden gedaan. De vordering onder i. van [appellant] begrijpt het hof als een zodanig beroep. Het standpunt van [geïntimeerde] , dat het beroep van [appellant] op de wilsgebreken te laat is gedaan, wordt dus verworpen. Geen misbruik van omstandigheden 6.12. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake was van misbruik van omstandigheden voert [appellant] aan dat [geïntimeerden] misbruik hebben gemaakt van haar afhankelijkheid, onervarenheid en ongeschiktheid. [geïntimeerde] , met wie zij op dat moment een herleefde affectieve relatie onderhield, heeft haar bewogen tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst die sterk in haar nadeel en sterk in zijn voordeel was. Als gevolg van de herleefde affectieve relatie en de onvoltooide afwikkeling van haar webshop [webshop 1] was sprake van afhankelijkheid. [geïntimeerde] was zowel haar zakenpartner als affectieve partner. De kwetsbaarheid van [appellant] is duidelijk geworden bij de agressieve en ingrijpende wijze van de beëindiging van de affectieve relatie. De samenwerking met [geïntimeerden] was daardoor onmogelijk geworden. [geïntimeerde] is een ervaren ondernemer met ruime kennis en ervaring op het gebied waarin de onderneming en webshop actief was. [appellant] miste iedere ervaring kennis en kunde op dit vakgebied. Zij was een onervaren contractspartij en was ongeschikt als ondernemer. [geïntimeerden] wisten dat ook. 6.13. [geïntimeerden] betwisten dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Geen sprake was van bijzondere omstandigheden. [appellant] had juist ervaring als onderneemster en [geïntimeerden] wilden haar een kans geven om zich verder te ontwikkelen en te ontplooien als onderneemster. Dat [geïntimeerde] en [appellant] een vrij turbulente affectieve relatie hebben gehad lag niet alleen aan [geïntimeerde] . Dat aangifte is gedaan van bedreiging heeft niet tot gevolg dat sprake is van een strafbaar feit of dat sprake zou zijn van afhankelijkheid. 6.14. Het hof overweegt als volgt en stelt het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 3:44 lid 4 BW is sprake van misbruik van omstandigheden wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon wat hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Het komt bij beoordeling van de vraag of sprake is (geweest) van misbruik van omstandigheden aan op de situatie ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling, in dit geval ten tijde van het sluiten van de exploitatie-overeenkomst. Bij de beoordeling of dat zich voordoet, komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien (HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF9656). 6.15. De partij die de vernietiging inroept draagt de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het wilsgebrek, in dit geval misbruik van omstandigheden als zodanig, en het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en dat wilsgebrek. Zij moet aannemelijk maken dat als zij niet onder invloed van het wilsgebrek zou hebben gehandeld, zij de overeenkomst niet zou hebben aanvaard. 6.16. [appellant] voert aan dat [geïntimeerden] misbruik hebben gemaakt van haar afhankelijkheid, onervarenheid en ongeschiktheid. Het hof is van oordeel dat dit beroep van [appellant] op misbruik van omstandigheden niet slaagt. 6.16.1. Dat ten tijde van het aangaan van de exploitatie-overeenkomst ook sprake was van een affectieve relatie leidt, anders dan [appellant] betoogt, niet zonder meer tot de conclusie dat zij afhankelijk was van [geïntimeerde] . [appellant] heeft zelf gesteld, dat zij niet met [geïntimeerde] samenwoonde, waaruit het hof bij gebreke van andere stellingen begrijpt dat [appellant] haar eigen huishouding voerde. Het voeren van een eigen huishouding draagt niet zonder meer bij aan het kunnen aannemen van de gestelde afhankelijkheid van [appellant] van [geïntimeerde] . Gezien het voorgaande heeft [appellant] niet met voldoende feiten onderbouwd dat zij als gevolg van de affectieve relatie met [geïntimeerde] van hem afhankelijk was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. 6.16.2. Haar stelling dat zij afhankelijk van [geïntimeerde] was omdat haar eigen webshop niet afgewikkeld was heeft [appellant] evenmin voldoende toegelicht. [appellant] volstaat met een verwijzing naar productie 16 door [geïntimeerden] overgelegd bij akte van 2 november 2021, maar daaruit kan het hof enige afhankelijkheid van [appellant] van [geïntimeerde] niet opmaken. Uit de overgelegde mails blijkt slechts dat in september 2017 - dus ruim vóór het aangaan van de exploitatie-overeenkomst op 6 juni 2019 - [appellant] en [geïntimeerde] over en weer voorstellen deden voor afwikkeling van de webshop [webshop 1] . Dat de afwikkeling van laatstgenoemde webshop nog niet voltooid was ten tijde van het aangaan van de exploitatie-overeenkomst, brengt niet zonder meer mee dat daardoor [appellant] in een van [geïntimeerde] afhankelijke positie verkeerde. 6.16.3. [appellant] voert verder ter onderbouwing van haar beroep op misbruik van omstandigheden aan dat zij een onervaren contractspartij was en ongeschikt als ondernemer. Ook deze stelling heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] al eerder de webshop [webshop 1] had opgezet en daarmee had zij dus ervaring opgedaan als ondernemer. Dat die webshop geen commercieel succes was neemt de opgedane ervaring als ondernemer niet weg. 6.16.4. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de stellingen van [appellant] onvoldoende feitelijke grondslag opleveren om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat [geïntimeerden] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Daarbij gaat het om het moment van het aangaan van de exploitatie-overeenkomst op 6 juni 2019. Onvoldoende onderbouwd is immers dat [appellant] door [geïntimeerden] toen is gebracht tot het aangaan van een overeenkomst die [appellant] , indien [appellant] niet in die omstandigheden had verkeerd, niet zou hebben gesloten. De eerste grief faalt dus. Geen beroep op dwaling 6.17. Met haar tweede grief klaagt [appellant] dat de kantonrechter het beroep op dwaling niet heeft beoordeeld. Deze grief faalt ook. Ter onderbouwing van haar beroep op dwaling voert [appellant] aan dat zij zich ten tijde van het sluiten van de exploitatie-overeenkomst niet voldoende heeft gerealiseerd waarvoor zij tekende. Zij dacht dat ze voor de webshop werkzaam zou zijn, wat ook het geval was, en dat zij naast haar andere werkzaamheden parttime hand- en spandiensten zou verlenen en administratief werk zou verrichten en het incidenteel bezorgen van door klanten bestelde lagers. Er werden van haar geen zakelijke of beleidsbeslissingen verwacht. 6.18. Het hof stelt het volgende voorop. De partij die zich op dwaling beroept dient in de eerste plaats te stellen dat bij haar ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken bestond en vervolgens dat deze dwaling te wijten is
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.