Parketnummer : 20-002059-23 Uitspraak : 17 juli 2024 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-056436-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van het voorarrest. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 24 februari 2023 te Maastricht opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Spaans paspoort op naam van [naam] , door voornoemd paspoort tijdens een toezichtcontrole te overhandigen aan een medewerker van de Koninklijke Marechaussee. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft de verdediging in de kern aangevoerd dat op de door de verdachte gedane asielaanvraag in Nederland nog niet onherroepelijk is beslist en de verdachte – tegen die achtergrond – niet behoort te worden vervolgd wegens het in het kader van zijn vlucht in bezit hebben van een vals reisdocument. Reeds om die reden dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat op 24 februari 2024 de inzittenden van een Flixbus, rijdend naar eindbestemming Warzawa te Polen, zijn gecontroleerd ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De verdachte heeft tijdens die controle desgevraagd een Spaans paspoort overhandigd op naam van [naam] . Gelet op de feiten en de omstandigheden dat de verdachte geen enkel woord Spaans sprak, dat het paspoort was voorzien van een pasfoto van verdachte en de echtheidskenmerken niet overeenkwamen met een origineel Spaans paspoort, rees het vermoeden dat de verdachte gebruik maakte van een vals reisdocument. Uit nader onderzoek aan het paspoort bleek dat het paspoort een nabootsing was van een origineel exemplaar en dat het vals was. De verdachte heeft bij de politierechter verklaard dat hij een vals reisdocument heeft gekocht, dat hij weet dat hij iets fout heeft gedaan en heeft verder verklaard dat het ook klopt dat hij deze documenten aan de Koninklijke Marechaussee heeft laten zien. Toen hij gehoord werd door de Marechaussee heeft de verdachte verklaard dat hij afkomstig was uit Syrië en daar heeft gediend in het Syrische leger. Hij is gedeserteerd vanwege de oorlog in Syrië en is in april 2017 zonder enig document vanaf Turkije gevlucht naar Griekenland. De verdachte heeft verder verklaard dat hij in Griekenland direct is aangehouden voor mensenhandel, daarvoor in detentie heeft gezeten, later op borgtocht is vrijgelaten en in 2022 door de rechter is veroordeeld. In februari 2023 is hij vanuit Griekenland naar België gereisd met als doel om uiteindelijk naar zijn broer in Duitsland te gaan. In Nederland wonen de kinderen van een oom van de verdachte en heeft hij (thans) asiel aangevraagd. Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof van de verdediging een rapport ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst d.d. 5 januari 2023 waaruit blijkt dat de verdachte op 4 maart 2023 asiel heeft aangevraagd en dat de verdachte in afwachting is van de beslissing op zijn asielaanvraag. Op 24 juni 2023 is namens een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst bericht dat de asielprocedure van de verdachte nog lopende is. Voorts volgt uit het dossier dat de verdachte, blijkens een uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) Griekenland d.d. 26 juni 2024, bij vonnis van 19 oktober 2022 wegens strafbare feiten tegen het migratierecht is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. De pleegdatum van bovengenoemd feit dateert van 20 april 2017. De datum beslissing dateert van 19 oktober 2022. Oordeel hof Artikel 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88; hierna: Vluchtelingenverdrag) luidt: “The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry or presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry or presence.” Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat aan vluchtelingen strafsancties worden opgelegd voor illegale binnenkomst of verblijf indien deze overtreding redelijkerwijs nodig is om een veilig land van toevlucht te kunnen bereiken. De bepaling is ingegeven door het feit dat het voor vluchtelingen vaak uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk is om op legale wijze toegang te verkrijgen tot een veilig land, terwijl een vluchteling een veilig land binnen moet zijn voordat hij aanspraak kan maken op de bescherming van het Vluchtelingenverdrag. De opstellers van het verdrag waren van oordeel dat het opleggen van strafsancties aan vluchtelingen die genoodzaakt zijn om zich bij hun vlucht illegaal toegang te verschaffen tot een veilig land, niet gerechtvaardigd is. Artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag heeft rechtstreekse werking. Het kan een vervolgingsbeletsel opleveren voor het Openbaar Ministerie indien de verdachte voldoet aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden. Om te beoordelen of de verdachte deze bescherming toekomt, moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.