GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 22/01184 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 mei 2022, nummer BRE 21/2197, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam] , namens belanghebbende, vergezeld door [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 10 januari 2020 op aangifte een bedrag van € 4.855 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig [merk] met VIN-nummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). Het betreft een van oorsprong Franse auto die door belanghebbende in Polen is gekocht voor een bedrag van € 58.000. 2.2. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van Waardetaxaties.nl van 19 december 2019. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 51.616. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 6.699 en daarvan een bedrag van € 4.823, ofwel 72%, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Daarnaast heeft de taxateur een bedrag aan waardecorrectie in verband met het schadeverleden van € 19.702 vastgesteld op basis van de TMV tabel en dit bedrag eveneens in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is derhalve vastgesteld op € 27.091. 2.3. De inspecteur heeft de correctie op de handelsinkoopwaarde in verband met het schadeverleden niet geaccepteerd. Op basis van een handelsinkoopwaarde van € 46.793 heeft hij het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 8.386, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 143. Voor het verschil met de op aangifte voldane BPM is een naheffingsaanslag opgelegd. Tevens is daarbij bij beschikking een bedrag van € 22 aan belastingrente in rekening gebracht. 2.4. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: Is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd? Meer specifiek is daarbij tussen partijen in geschil of rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens een schadeverleden. 3.2. De inspecteur heeft zijn stelling dat het hoger beroep namens de verkeerde persoon is ingesteld en dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard, expliciet en zonder voorbehoud ter zitting ingetrokken. Ook betwist de inspecteur niet langer dat de foto’s in het taxatierapport van belanghebbende, waarop een auto met forse schade is te zien, de onderhavige auto betreffen. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Waardevermindering wegens ex-schade 4.1. Het hof stelt voorop dat de verschuldigde Bpm met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de Bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van Bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. 4.2. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.